Posts tonen met het label blackwell. Alle posts tonen
Posts tonen met het label blackwell. Alle posts tonen

dinsdag 12 januari 2021

Kevin Valgaeren ondervraagd

 

c Koen Broos

Met zijn debuut ‘De ziener’ (2011) won hij in 2012 de Schaduwprijs.  Daarna volgden ‘Bloedlijn’ (2012) en ‘Seance’ (2016).  In 2018 lag ‘Blackwell – Een duister mysterie’ in de boekhandel.  Dit jaar verscheen ‘Het offer van Scarlington’.  Thrillerlezers! vond het moment gekomen om de schrijver een paar vragen voor te leggen.  Op naar Vlaams-Brabant dus, voor een interessant gesprek met Kevin Valgaeren. 

Wie K. R. Valgaeren zegt, zegt ook gothic novel.  Hoe is jouw liefde voor de gothic novel ontstaan?  Welke auteur plantte bij jou het zaadje?

Mijn interesse voor het genre is gaandeweg gegroeid. Het begon met The Famous Five van Enid Blyton, waarin elementen van het genre werden gebruikt in de avonturen die de kinderen beleefden. Als tiener werd ik overdonderd door de film Bram Stoker’s Dracula van Francis Ford Coppola. Sindsdien is die passie voor het duistere, het verleden en de romantiek van het verbodene ontstaan. Ik heb op die leeftijd vooral veel naar films gekeken en in tweede instantie veel boeken gelezen. Dat waren uiteraard de klassiekers, maar ook het oeuvre van hedendaagse schrijvers als Stephen King en Anne Rice.

Zat het er als kind, nog voor je echt goed kon lezen, al in, die fascinatie voor monsters, demonen en horror?

Ik ben van nature een erg angstig wezen en de gothic geeft mij een manier om met die angsten om te gaan. Ik herinner mij dat ik als kind het tuinhuis van mijn ouders elke vakantie verbouwde tot een spookhuis, zoals op de kermis, en dat ik met de jaren steeds vindingrijker werd met de special effecten.

Beleef jij de gothic bij voorkeur in boekvorm of kunnen film en of tv-series jou ook bekoren?  Heb je een favoriet?

Het genre wordt misschien zelfs meer in films en televisieseries beoefend dan in de literatuur. Ik volg de gothic op de voet in alle media, dus ook in de visuele. Meestal zijn die films en series nogal teleurstellend, maar soms duiken er parels op. Mijn favoriete films uit de jaren negentig zijn ongetwijfeld de eerder vernoemde Dracula van Coppola, maar ook Mary Shelley’s Frankenstein van Kenneth Branagh, Mary Reilly van Stephen Frears en Interview With the Vampire van Neil Jordan. Meer recent ben ik fan van de films van Ari Aster: Hereditary en Midsommar en de tv-serie The Haunting of Hill House op Netflix.

Heeft de gothic novel jou al naar Engeland gebracht om de ‘heilige’ plaatsen van het genre te bezoeken?  Castlerigg, Strawberry Hill, …

Whitby

Ik probeer zoveel mogelijk te schrijven over de plekken die ik ken, hoewel dat niet altijd mogelijk is als je verhalen schrijft die zich meer dan honderd jaar geleden afspeelden, maar de locaties in de Blackwell-boeken heb ik wel allemaal bezocht. Whitby, Londen, Strawberry Hill, Castlerigg, en zelfs Scarlington, want dat dorp bestaat wel degelijk, hoewel het in werkelijkheid een andere naam heeft.

Je verwijst naar heel wat auteurs en kunstenaars die belangrijk zijn in de geschiedenis van de gothic novel.  Vinden we die auteurs ook terug in jouw boekenkast?  Kunnen de etsen van Gustave Doré bv. jou persoonlijk bekoren?

Meestal wel. Ik hou er ook van om die elementen te verwerken in mijn boeken, bij wijze van eerbetoon. Het huis van Blackwell is, zoals je zei, Strawberry Hill: een gotisch kasteel dat werd gebouwd door Horace Walpole. En Walpole staat bekend als de auteur van de allereerst gothic novel. Gustave Doré was een van de populairste etsers in de negentiende eeuw en ik heb thuis een hele verzameling van zijn werk. Maar ik moet bekennen dat ik als kleine uk reeds gefascineerd was door zijn illustraties. Mijn vader had thuis een boek van Doré’s etsen voor de Bijbel. Vaak waren dat dramatische en soms ook gruwelijke taferelen waar ik nooit genoeg van kreeg. Nog voor ik kon lezen, bladerde ik daar uren en uren in.

Hoe verloopt het schrijven van de Blackwell-mysteries?  Heb je van bij het begin de hele verhaallijn klaar zitten in jouw hoofd? Hoe lang heb je erover gedaan om Blackwell – Een duister mysterie te schrijven?

Mijn schrijfproces is, met uitzondering van mijn debuut, altijd hetzelfde. Ik weet waarover het boek moet gaan. Daarna volgt een lange periode van research. Dan begin ik de eerste zeven hoofdstukken en het einde te schetsen. Wanneer ik dan begin te schrijven, ontwikkelt de plot zich gestaag door de handelingen van de personages. Het zijn uiteindelijk de personages die aangeven waar het verhaal naartoe gaat. Ik ben niet iemand die elke scene op voorhand in detail uitwerkt, omdat ik heb geleerd dat daar na enkele hoofdstukken niets meer van overblijft. Dat, in combinatie met het feit dat ik mijn teksten met de hand schrijf, zorgt ervoor dat ik ongeveer twee jaar aan een roman werk.


Was het daarna gemakkelijker om Het offer van Scarlington te schrijven?  Of ging dat net moeilijker?

Als ik gewaarword dat het schrijven gemakkelijk is, dan heb ik een probleem. Een verhaal dat zichzelf schrijft is verdacht. Uiteraard wist ik waarover Het offer van Scarlington moest gaan, toen ik aan Blackwell werkte. Het onderwerp van Scarlington is immers een rode draad in Blackwell. Maar beweren dat het tweede deel makkelijker was, zou ik niet durven zeggen. Vooral de dynamiek tussen Blackwell en Dawkins werd moeilijker om te schrijven, omdat Dawkins in het eerste boek een hele evolutie heeft doorgemaakt en niet langer de saaie piet is die hij toen was.

Sta jij jezelf enige vrijheid toe in het beoefenen van het gothic novelgenre?

Uiteraard. Een genre is evenmin gebonden aan regels dan dat het zich laat definiëren. Bovendien heeft de gothic novel zich steeds uitstekend aan de veranderende tijden weten aan te passen. Wie genreromans schrijft moet echter door en door vertrouwd zijn met het genre, wil hij er iets nieuws aan toevoegen. Het bestuderen van de gothic is een oefening die voor mij nooit zal eindigen en ik leer nog elke dag bij. Op die manier probeer ik er mijn eigen ding mee te doen. Een verschil met mijn boeken en veel andere gothic novels is, bijvoorbeeld, dat ze gruwelijker zijn en dat ze meerdere onderwerpen uit het genre in één roman combineren. Wat begint als een spookverhaal, kan bij mij eindigen in een vampierroman. Of een verhaal over een spookschip kan in mijn boeken veranderen in een verhaal over bezetenheid.

Het duo Blackwell – Dawkins doet me denken aan Sherlock Holmes en Watson; het schip dat te pletter vaart op de kliffen in Whitby roept herinneringen op aan de Pirates of The Caribbean-films.  Onterecht? Of lijkt jou dat niet echt vreemd?

Blackwell en Dawkins kennen inderdaad hun oorsprong in het oerduo Holmes en Watson, maar buiten Watsons ondergeschiktheid, hebben ze niets met elkaar te maken. Het spookschip, de Albatros, dat in Whitby op de klippen vaart, is ontleend aan de sage van de Vliegende Hollander, zoals in Blackwell wordt vermeld. Diezelfde sage diende ook als inspiratie voor een van de Pirates-films, hoewel zij er een heel andere draai aan hebben gegeven. In Blackwell was het spookschip vooral een knipoog naar de Demeter: dat is het schip waarin Dracula in Stokers roman mee naar Engeland vaart en dat in zijn boek ook crasht op de kust van Whitby, zij het aan de andere kant van de riviermonding.

Stel, – misschien is het zelfs al zo ver- men wil jouw boeken verfilmen.  Welke acteur/actrice zie je in de rol van Blackwell?  Van Dawkins? Van Sara? Van Baskerville?  Van Caslon?

Dat is een hele goeie vraag, waar ik niet meteen een antwoord op heb. Hoewel, Gary Oldman mag van mij Blackwell spelen, maar daarvoor is de acteur misschien al een beetje te oud. Aan Dawkins kan ik momenteel niemand koppelen. Sara mag voor mijn part vertolkt worden door Dakota Fanning, Baskerville door Luke Evans en Caslon is misschien wel iets voor de Vlaamse acteur Valentijn Dhaenens. Maar, laat dat wishful thinking zijn. Er zijn voorlopig geen plannen om de boeken te verfilmen en de bovengenoemde acteurs lijken mij heel erg hoog gegrepen. Maar, wie weet…

En dan wat de namen van jouw personages betreft.  Baskerville en Caslon verwijzen ook naar lettertypes.  John Baskerville was zelfs schrijver in de echte wereld.  Het is toch geen toeval dat je die namen gebruikt voor twee personages?

Ja, het is een beetje als grap begonnen, maar alle burgers van Scarlington die bij naam worden vermeld hebben de naam van een lettertype of letterontwerper gekregen. Ik ben enorm geïnteresseerd in typografie en op die manier wou ik de ontwerpers van mijn favoriete lettertypes eren. John Baskerville ontwierp onder andere de Baskerville, William Caslon ontwierp de Caslon, Nicolas Jenson ontwierp de Jenson, Francesco Griffo ontwierp de Bembo en William Morris, waarnaar Beatrice Morris werd vernoemd, ontwierp onder andere Golden Type. Meer valt er eigenlijk niet achter te zoeken. Het is veeleer een gimmick.


Bovendien maak ik bij het horen van Baskerville onmiddellijk de associatie met De honden van de Baskervilles.  Ik stuit hier alweer op Sherlock Holmes.  Zoek ik hier teveel achter?

Ik vrees dat dat helaas toeval is. De Baskervilles in Doyle’s verhaal is een adelijk geslacht dat toevallig dezelfde achternaam heb heeft ben als letterontwerper John Baskerville. Maar het is inderdaad wel weer een link met Sherlock Holmes.

Waarom de naam Scarlington?

Scarlington verwijst naar de kleur scharlaken. In het begin van het boek staat geschreven dat de aura’s van de burgers van Scarlington eens om de tien maanden scharlaken kleurden. Vandaar.

In Blackwell – Een duister mysterie is er Paula, in Het offer van Scarlington is er Paulie.  Geen toeval toch?

Toch wel. Geheel toevallig.

De beide Blackwells staan bol van de mooie zinnen, soms heel aparte/onverwachte beelden, vergelijkingen en metaforen.  Vloeien die zomaar uit jouw pen of zijn zij het resultaat van veel herschrijven?

Daar wordt natuurlijk over nagedacht, maar ook niet te veel. Uiteraard wordt er enorm veel herschreven in de tekst, alleen al wanneer het manuscript in de computer gaat, verandert haast elke zin. Geen enkele zin vloeit er zomaar uit, maar het is ook niet zo dat ik mij uren het hoofd zit te breken op een meesterlijke metafoor. Ik vind het wel heel erg belangrijk dat een spannend boek qua stijl en taal minstens even goed moet zijn dan een literaire roman. Ik gruwel van het idee dat een spannend boek vooral spannend moet zijn, dat daarin de plot op de eerste plaats moet komen en de rest ondergeschikt is. Dat is onzin. Ik heb als schrijver gaandeweg ontdekt dat een mooie zin schrijven eigenlijk makkelijker is dan goede personages en een goed verhaal te verzinnen. Dus van de omgekeerde stelling gruwel ik ook: dat een goed boek het vooral van stijl en taal moet hebben. De Belles Lettres, zoals dat soort literatuur wel eens genoemd wordt, geniet een enorm prestige, maar dat is vaak onterecht. Een goede schrijver die voornamelijk uitpakt met mooie tekst, heeft meestal een gebrek aan inhoud te verbergen. Een goed boek is pas een goed boek als alle elementen goed zitten.

Weersomstandigheden en natuurfenomenen spelen een belangrijke rol in jouw boeken.  Zij zijn die andere personages die het verloop van het verhaal beïnvloeden.  Is het weer ook van invloed op jou?  Inspireert dichte mist jou tot het schrijven van nieuwe Blackwellverhalen?

In gothic novels is sfeer en beeldspraak erg belangrijk. Het weer vertelt daarin vaak meer over wat er omgaat in het hoofd van de personages. Het feit dat Scarlington verstikt wordt door een dichte mist, verwijst naar het geheugenverlies van Jericho Blackwell, die in dat dorp de waarheid over de dood van zijn vrouw te weten tracht te komen.


Herken jij jezelf in een bepaalde mate in Jericho Blackwell of in John Dawkins?

Beide personages hebben vast en zeker kenmerken van mezelf. Soms is dat bewust, soms is dat onbewust. Dawkins heeft meer weg van de mens die ik ben, en Blackwell lijkt meer op de man die ik soms zou willen zijn, hoewel ik—o, ironie!—niet per se in hun plaats zou willen zijn.

Het offer van Scarlington kent een schokkend einde.  Komt er een vervolg?

Daarop een antwoord geven is een beetje het einde verklappen. 😊

Nog één vraagje om te eindigen:  staat er ondertussen al een nieuw project op de rails of moet je zelf eerst even bekomen van de gebeurtenissen in Het offer van Scarlington?

In mijn hoofd sluimeren verschillende projecten en aangezien ik met het schrijven van Het offer van Scarlington al een hele tijd klaar ben, ben ik ondertussen naarstig aan het researchen aan een volgend boek dat misschien wel eens zou kunnen gaan over geheime ordes en hekserij, maar het zou ook goed kunnen dat het onderzoek mij een heel andere richting uitstuurt. Ik zit zeker en vast niet stil, maar mijn boeken hebben tijd nodig om geschreven te worden.

Die tijd wordt jou van harte gegund.  Geheime ordes en hekserij, je hebt mij al voor jouw eventuele volgende boek gewonnen.  Thrillerlezers! kan al bijna niet meer wachten!

 

zaterdag 9 januari 2021

Blackwell – Een duister mysterie van K. R. Valgaeren

 



Toevallige toevalligheden

‘Blackwell – Een duister mysterie’ is Kevin R. Valgaerens vierde gothic novel. 

Het verhaal speelt zich voornamelijk af op drie steeds terugkerende locaties, nl. Whitby, Blackwell Manor en University College London.  Whitby en Dracula worden in één adem genoemd.  Met Blackwell brengt Kevin Valgaeren een ode aan Bram Stokers Dracula.  Blackwell Manor is de naam die de schrijver geeft aan Strawberry Hill, het landhuis van William Marshal, de auteur van de eerste gothic novel en dus één van zijn voorbeelden.  Meermaals komen Blackwell en Dawkins voorbij Jeremy Bentham in University College London.  Het auto-icoon van deze man is ook echt terug te vinden in een kast aan University College London.  De auteur maakt er een punt van om deze decors zo waarheidsgetrouw als mogelijk voor te stellen.

Pasen, 1891. Het strand van Whtiby.  De eenzame schipper, Hancor, stapt uit een roeiboot en overhandigt vier brieven – waaronder één voor Blackwell – aan Tosher.  Daarna doemt uit de mist een eeuwenoud schip op dat op de klippen te pletter vaart.  Toshers tijd is op.  Voor Blackwell is het het begin van een opdracht die onlosmakelijk verbonden lijkt met zijn persoonlijke geschiedenis.

Meteen is de start gegeven van een griezelverhaal met monsters, demonen, bovennatuurlijke elementen, zinsbegoochelingen en horror.  Na de gruwelmoord op Caroline Chitling, ontwikkelt ‘Blackwell  - Een duister mysterie’ zich tot een 19de eeuws detectiveverhaal.

Meet Jericho Blackwell en John Dawkins!  Ook de twee personages ontmoeten elkaar voor het eerst.  Blackwell is naast auteur van griezelverhalen en expert in het ontmaskeren van frauduleuze mediums tevens onderzoeker van het hiernamaals.  Dawkins groeide op met de verhalen van Blackwell en is een stoffige archivaris die zijn idool in levende lijve mag vergezellen.  De verhoudingen tussen de twee zijn in het begin behoorlijk uit balans en hun samenwerking verloopt initieel niet van harte.  De eerste aftastende fase tussen de twee karakters gaat over in een boeiende interactie.  Blackwell en Dawkins groeien uit tot complexere personages en hun relatie evolueert mee.  Het mag duidelijk zijn dat ze nog een hele weg te gaan hebben.

De verhaallijn gaat chronologisch, doch het boek speelt in meerdere realiteiten en daar zijn ‘de tranen van de klaproos’ niet vreemd aan.  De mist die de komst van het schip voorafgaat en de nevelen waarin Blackwell zich bevindt, brengen boodschappen die het boek in duistere mysteries doen baden.  Tijdens de ontrafeling hiervan duikt het spook van De vliegende Hollander op en passeren meerdere mythologische figuren de revue.  Toch wordt geen enkele moeite gespaard om de lezer ervan te verzekeren dat het verhaal echt is.  Net zoals Blackwell er prat op gaat alles empirisch te onderzoeken doen de verwijzingen naar grote namen in de literatuur het verhaal aan sérieux winnen. Saga’s, verhalen, mondelinge overlevering, auteurs zoals Poe, Shakespeare onthullen waar Kevin Valgaeren de mosterd haalt.

‘Een duister mysterie’ gedijt in mist en duisternis.  Het is heel zintuiglijk geschreven.  De geuren, meestal van dood en verderf, ontstijgen de bladzijden en vinden de neusgaten van de lezer.  Vermits het doorgans donker of mistig is moet je wel vertrouwen op de waarnemingen van Blackwell en Dawkins en moet je volstaan met het oplichten van de kolen in de ogen van de hellehonden, het soort licht dat je liefst niet te dicht in jouw buurt waarneemt. 

De vele mooie beelden en zinnen doen genieten.  Mooie verwerking ook in het verhaal van de elementen die kenmerkend zijn voor de 19de eeuwse maatschappij: de files en de drukte in Londen; de koetsen in de straten; voorwerpen die toen heel alledaags en normaal waren zoals olielampen en slaapmutsen.  Archaïstich taalgebruik helpt mee het boek te verankeren in de tijd van zo’n twee honderd jaar eerder.  Veelvuldige christelijk geïnspireerde uitroepen doen telkens weer denken aan de religieuze cultus.

Naar het einde toe verkorten de hoofdstukken, wordt er vlugger gewisseld tussen de perspectieven en krijgt het verhaal veel vaart.  Boosaardige demonen raken helemaal ontketend en zorgen voor een zinderende finale.  Of het nu een medaillon of een brief is, er is geen verlossing mogelijk vooraleer de zoektocht resultaat heeft opgeleverd. Wanneer de mist en de nevelen zich hebben teruggetrokken, wordt duidelijk dat dit verhaal een staartje zal krijgen.  Op naar Scarlington!  Het staat als een paal boven water dat Blackwell een afspraak heeft met de toekomst.  Of is het zijn verleden?

4.5 kraaien

zondag 2 februari 2020

De bekentenissen van een boekhandelaar


Digitaal of anaal (1)

Ik moet beginnen met de klant te bedanken die mij het onderwerp voor deze column in de schoot wierp, toen hij vorige week de boekhandel bezocht en mij vroeg waar de e-boeken stonden.
     E-boeken. De een is voor de ander is tegen. Of, om het met de gevleugelde woorden van een andere klant te illustreren: 'Ik moet niets van digitaal weten. Ik zweer bij anaal!' Ik durfde haar niet corrigeren.
     Maar wat vind ik van digitale boeken en e-readers? Is er iemand geïnteresseerd? Mijn boeken zijn immers ook digitaal beschikbaar en daar heb ik op het eerste gezicht niets op tegen, alleen verdien je er nauwelijks iets mee en worden ze vaak gekopieerd. Dat neemt niet weg dat ik soms ook digitaal lees, vooral wanneer ik op reis ben en wanneer ik een boek wil lezen dat niet meer 'anaal' te verkrijgen is. Meestal zijn het dan oude, obscure teksten die enkel nog in een schaduwrijke hoek van het internet te vinden zijn. Vooral dat laatste vind ik een verrijking voor deze eeuwige student.
     Bij de introductie van e-readers schreeuwden de media en puriteinse opiniemakers moord en brand. Het tijdperk van het papieren boek was voorbij. Boekenkasten zouden vervangen worden door één karakterloos toestel. Boekhandels zouden overbodig worden en de duimen moeten leggen voor de servercomputer van een onlinewinkel. Bibliotheken zouden hun deuren moeten sluiten, et cetera. Much ado about nothing was dat, om het met de woorden van Shakespeare te zeggen, die doorgaans gevleugeld zijn. Ondertussen is de verkoop van e-boeken gestagneerd en hebben we geleerd dat digitaal lezen een mooie aanvulling is op 'anaal' lezen.     De grote Brit – ook letterlijk – Stephen Fry wist het nog het best te omschrijven: 'Het papieren boek verhoudt zich tot het e-boek, zoals de trap zich verhoudt tot de lift.' Bij mijn weten bestaat de trap nog steeds en ik raad iedereen aan om die zo veel mogelijk te gebruiken, want dat is gezond.
     Digitaal lezen heeft voordelen – je kan duizenden boeken meenemen in een toestel dat nog geen tweehonderd gram weegt, voor mensen die anderstalige literatuur lezen, verschijnt er met het aanraken van een woord een verklaring van dat woord, er is een lettertype voor mensen met dyslexie en de slechtzienden kunnen de grootte van het lettertype naar believen aanpassen – maar een papieren boek heeft meer voordelen: de batterij gaat eindeloos lang mee, een vaste bladspiegel is volgens wetenschappers bevorderlijk voor het geheugen, het ruikt lekker, je kan er gemakkelijk aan tekeningen in maken, je kan het laten signeren, het staat mooi in de boekenkast, en ga zo maar verder, ga zo maar door. Maar...
     Jawel, er is een maar. Volgens mij is het dringend tijd om het boek als object te opwaarderen en dat is de taak van de uitgevers. Sommigen doen dat goed, anderen falen spectaculair. Het probleem valt te vergelijken met wat er in de muziekindustrie is gebeurd. Terwijl cd's nog steeds verpakt worden in breekbare plastic doosjes en de meeste muziek tegenwoordig ook digitaal wordt aangeboden of simpelweg wordt gestreamd, is er al enige tijd een niet te onderschatten tegenbeweging aan de gang. Een steeds groter wordende groep – waar ook ik lid van ben – koopt muziek op vinyl. De goede, oude lp is terug van nooit helemaal weggeweest. Muziek wordt op die manier terug tastbaar, de luisterervaring is helemaal anders, platen en platenspelers zijn bijzonder mooie voorwerpen en bovendien moet de geluidskwaliteit van vinyl helemaal niet onderdoen voor die van een cd – wie had dat ooit gedacht? Oké, het kost doorgaans iets meer, maar je krijgt er ook veel meer voor in de plaats.
     Boeken zouden baat hebben bij een dergelijk opwaardering. En dan heb ik het vooral over leesboeken, want er worden wel degelijk prachtige salontafelboeken en prentenboeken gemaakt in de Lage Landen. Mijn uitgever Lannoo is daar bijvoorbeeld erg goed in.
     Maar het leesboek – of het nu een roman, een thriller of een historisch werk is – wordt te vaak over het hoofd gezien. In de Lage Landen zijn we niet altijd even goed in het ontwerpen van covers. Vaak gaat de uitgever op zoek naar een passende stockfoto, worden er wat letters over geplakt en klaar is Kees. Kees komt namelijk in de Nederlandse taal vaak klaar. Het gebeurt echter zelden dat er een illustrator aan de slag gaat met een cover, zoals dat wel vaak gebeurt in de Angelsaksische wereld en dat is jammer. En wat te zeggen van een ingenaaid boekblok met een leeslint en een harde kaft in de plaats van gelijmde pagina's in een slappe kaft? Dat zijn allemaal zaken die de leesbevordering wel degelijk bevorderen.
     Veel heeft te maken met het feit dat uitgevers al twintig jaar krampachtig proberen vast te houden aan het idee dat een boek niet meer dan twintig euro mag kosten. Dat is onzin natuurlijk, want als boekhandelaar zie ik duurdere boeken even gemakkelijk over de toonbank gaan. Kijk maar naar de prachtige editie van Pfeijffers Grand Hotel Europa: ingenaaid, harde kaft, leeslint, sterke cover, mooi binnenwerk, uitstekend boek. Prijs: achtentwintig euro. En het staat al meer dan een jaar in de Top 10 en De Bestseller 60.
     Het grootste slachtoffer van het krampachtig vasthouden aan die twintig euro is echter het binnenwerk van een boek. Het credo van veel uitgevers lijkt te zijn dat er zo veel mogelijk tekst op een pagina moet staan, wat vaak resulteert in te kleine letters, te smalle marges en een te krappe interlinie. Bijzonder vervelend is dat, niet alleen voor mensen die een bril nodig hebben om te lezen, maar ook voor mensen, zoals ik, die vinden dat het oog ook weleens gestreeld mag worden. Het oog – ook dat van u – vindt namelijk dat de witruimte op een bladzijde even belangrijk is dan de tekst. Marges moeten breed genoeg zijn en er moet voldoende wit tussen de regels zijn. Het lettertype is ook belangrijk, minstens even belangrijk dan de witruimte.
C Koen Broos

Wordt vervolgd…

K.R. Valgaeren
www.krvalgaeren.com


zaterdag 21 december 2019

Kevin Valgaeren over Engelenlust

copyright Koen Broos

    1.  Waarom necrofilie als thema?

Als schrijver ben je ook een beetje een acteur. Je probeert in het hoofd te kruipen van je personages en hoe verder die karakters verwijderd zijn van je eigen ik, hoe boeiender het natuurlijk wordt.
Al jaren vroeg ik me af of ik mij zou kunnen verplaatsen in het personage van een perverse geest: iemand wiens ethische en esthetische opvattingen extreem ver van de onze liggen. Je hoort wel eens over dergelijke figuren in de media. Moordenaars die hun slachtoffers op gruwelijke wijze om het leven brengen, pedofielen die onschuldige kinderen mishandelen, et cetera. Zelf ben ik een bijzonder brave jongen die wegrent van enige vorm van agressie en van het kleinste spatje bloed, maar ik vroeg mij af: hoe gaat dat in zijn werk?
Ik bedoel daar niet mee dat ik dergelijke misdadigers wil begrijpen of begrip voor hun daden wil opbrengen. Integendeel. Maar ik was ervan overtuigd dat er ergens in zo’n brein een redenering plaatsvindt die, althans voor hen, logisch is.
Je hoort vaak uitspraken als ‘dat zijn monsters’ en ‘dat valt niet te begrijpen’ maar dat is gemakkelijk gezegd. Dergelijke opmerkinge zijn er vooral om je als individu te onderscheiden van zulke criminelen. Tijdens het schrijven van ‘Engelenlust’ heb ik geleerd dat de grenzen tussen mens en monster, en een gezonde geest en waanzin in werkelijkheid veel dunner en makkelijker te doorbreken zijn dan wij willen aannemen.
Dus, om antwoorden te vinden op al die vragen heb ik voor necrofilie gekozen omdat het extreem is, waardoor de lezer en ik het erover eens konden zijn dat er niets goeds over het onderwerp valt te vertellen. En ik heb dan die grijze zone trachten te creëren.

2.  Waar komt je "voorliefde" voor dit thema vandaan?

Necrofilie sluit natuurlijk aan bij mijn vorige boeken, waarin de dood en het duistere een voorname rol spelen. Wat ik daarnet zei: het is onderwerp waar niemand iets positiefs in kan herkennen. Er valt niets moois over te schrijven, maar het is wel ongemeen boeiend. In boeken en films gaat het er soms over, maar meestal zijn het dan eenzame en romantische personages waar je als lezer en kijker sympathie voor krijgt, zoals de seriemoordenaar in de tv-reeks ‘Dexter’. De werkelijkheid zit echter helemaal anders in elkaar en om een antwoord op mijn vragen te krijgen, moest ik ‘Engelenlust’ zo realistisch mogelijk maken.

3.  Hoe diep heb je je verdiept in de materie?

Heel erg diep. Misschien wel té diep. Ik heb mij eerst geconcentreerd op de fictie en daarna ben ik begonnen met het bekijken van interviews met criminelen zoals Ted Bundy, de legendarische seriemoordenaar uit de jaren zeventig die meer dan dertig jonge vrouwen om het leven bracht en tot lang na hun dood gemeenschap met hun lichamen had. Bundy was uiteraard een uitzonderlijk geval, want de meeste necrofielen zijn helemaal geen moordenaars. Ten slotte ben ik in de schaarse vakliteratuur op zoek gegaan naar gevalstudies. Hoewel lezers mij vertellen dat het boek erg gruwelijk is, is de waarheid nog veel erger, want tachtig procent van wat ik tijdens mijn onderzoek heb gelezen was simpelweg onbruikbaar vanwege té ongeloofwaardig. Dat is het vervelende aan de werkelijkheid. Literatuur moet het namelijk van waarachtigheid hebben en niet van werkelijkheid. Vandaar de uitdrukking stranger than fiction.

4.  We gaan geen gruwelijke vragen stellen, maar heb je nachtmerries gehad over je research materiaal?

Nee, geen nachtmerries. Maar tegen het einde van het schrijfproces heb ik het met sommige passages wel moeilijk gehad. Dat had te maken met nieuwsberichten die op dat moment niet te negeren vielen en die gelijkenissen vertoonden met bepaalde gebeurtenissen in het boek waar ik toen aan werkte. Op dat moment kwam de werkelijkheid net iets te dichtbij voor mij, vooral omdat ik mij dus in het hoofd van de misdadiger poogde te verplaatsen.

5.  Heb je ooit zelf gedroomd over necrofilie?

Gelukkig niet, want dan zou ik mezelf een necrofiel moeten noemen. Professor Anil Aggrawal publiceerde enkele jaren geleden een boek waarin hij necrofielen in verschillende categorieën onderverdeelt. De ergste soort is de necrofiel die een levend slachtoffer verkracht, het vervolgens vermoord, met het lichaam seks heeft, het aan stukken snijdt of verminkt en het ten slotte kannibaliseert. Dergelijke gevallen zijn gekend.
De eerste categorie die hij aanstipt is echter de dromer: het individu dat fantaseert over gemeenschap met lijken. De tweede categorie is de rollenspeler: iemand die van zijn bedpartner verlangt dat hij of zij voor dood speelt. Naar het schijnt bestaan er bordelen die zich daarin specialiseren. De Oostenrijker Josef Fritzl, die zijn dochter vierentwintig jaar gevangenhield en bij haar verschillende kinderen verwekte, was naar verluid een klant in dergelijke bordelen. Dus, nee, nee, en nog eens nee: ik heb er nooit over gedroomd. J

6.  Waarom heeft je hoofdpersonage ros haar?

Geen idee, eerlijk gezegd. Het is een vreemde vraag, vooral omdat ze mij al meerdere keren is gesteld. Ik moet waarschijnlijk gedacht hebben dat ik eens wat anders wou dan zwart als ebbenhout en kastanjebruin. Ik vermoed dat sommigen het verband willen leggen met mijn eigen haarkleur, maar ik beweer bij hoog en laag dat ik blond ben, hoewel daar andere, compleet irrelevante meningen over bestaan. Overigens heb ik helemaal niets tegen ros haar. Integendeel. J


7.  Hoeveel keer heb je al "ewww" gekregen als reactie toen ze hoorden dat het over dit thema ging?

Vaak. Heel vaak. Reacties als ‘nu ga je te ver’, en ‘zulke zaken vallen niet te begrijpen’ waren legio. Maar evengoed waren er mensen die het boeiend vonden en de pieren uit mijn neus probeerden te halen. Ik merk als boekhandelaar wel dat veel potentiële lezers het boek vastnemen en het dan met opgetrokken neus weer neerleggen wanneer ze lezen waar het over gaat. Maar degenen die de stap wél wagen, zijn unaniem enthousiast.

8.  Heb je mails gehad van sympathiserende necrofielen?

Voorlopig nog niet en dat wil ik graag zo houden. Hoewel necrofilie juridisch gezien niet strafbaar is, vermoed ik dat de meeste necrofielen zich niet zo gemakkelijk kenbaar zullen maken. Bovendien is het een bijzonder zeldzaam fenomeen.
Er was onlangs wel een begrafenisondernemer die het boek had gelezen en het met een brede grijns aan zijn collega’s heeft aangeraden. Het is nu eenmaal een feit dat necrofielen graag een baan zoeken waarin ze makkelijk in contact kunnen komen met hun subjecten: grafdelvers, begrafenisondernemers, et cetera. Maar nogmaals, het is een heel erg zeldzaam fenomeen.


9.  Ga je je na dit boek laten cremeren (en de mensen die je liefhebt ook?)

Goeie vraag. Daar heb ik al over nagedacht, maar niet naar aanleiding van ‘Engelenlust’. Cremeren vind ik eigenlijk een beetje saai. Ik zie mezelf niet in een potje terechtkomen of uitgestrooid worden op een grasperkje. Bovendien is het niet meteen milieuvriendelijk, maar dat is een gewone begrafenis natuurlijk ook niet. Ik ben eerlijk gezegd wel te vinden voor nieuwe concepten, zoals begrafenisbossen. In Engeland zijn er zo al een paar. Je wordt dan begraven in een papieren kist en daarbovenop wordt een boom geplant. Ik vind dat een mooi symbolisch gebaar en ecologisch is het ook verantwoord. Alleen zal ik het op die manier wel zonder een grootse Victoriaanse graftombe moeten stellen, waar ik bij volle maan kan uitkruipen om op het bloed jonge deernen te jagen. Maar een mens kan niet alles hebben.

10. Gaat je volgende boek ook over een dergelijk gruwelijk thema?

Het volgende boek wordt een vervolg op ‘Blackwell’. De eerste versie van het manuscript is voor drievierde klaar en het is de bedoeling dat het boek in het najaar van 2020 verschijnt. Het boek zal — primeur! — ‘Scarlington’ heten en zal gaan over Blackwells zoektocht naar de waarheid over de dood van zijn vrouw. Hoewel het boek een duistere gothic novel zal worden, zal het zeker niet zo gruwelijk als ‘Engelenlust’ worden. Ik zal mij koest proberen te houden, ofschoon dat niet altijd lukt. Mea culpa.

zondag 1 december 2019

Kevin Valgaeren in december 2019


Niet Slovenië

Midden augustus. Iedereen verkeert in vakantiestemming, behalve deze boekhandelaar die zo nodig al zijn vrije dagen in het voorjaar moest inzetten. Het is rustig in de winkel: een tiental snuisterende klanten op de eerste verdieping, een kind op de gelijkvloerse verdieping dat begint te huilen omdat het zijn zin niet krijgt, een dame met een Brusselse wafel die niet doorheeft dat ze vlokjes poedersuiker op onze koopwaar laat dwarrelen. Allen vinden ze in de kunstmatige verkoeling van onze boekhandel beschutting tegen de verschroeiende recordtemperaturen. Ik overweeg om de vrouw met de wafel erop attent te maken dat het niet beleefd is om al smikkelend en smakkend een winkel te bezoeken, wanneer ik word benaderd door een man van gezegende leeftijd met twee landkaarten van verschillende merken in zijn handen.

     ‘Kan u mij uitleggen wat het verschil is?’ vraagt hij enigszins verlegen.
     Zonder te kijken wat er precies op de kaarten staat, zeg ik hem dat de rode van Michelin is en de groene van Freytag & Berndt. Het zijn beide uitstekende merken, hoewel ik een persoonlijke voorkeur koester voor het laatste.

     ‘Ik bedoel waarom er op de ene kaart Slovenië staat en op de andere Slowakije.’
     Ik knipper verrast met mijn ogen en probeer te begrijpen wat hij wil zeggen.
     ‘Omdat de ene kaart van Slovenië is en de andere van Slowakije,’ zeg ik voorzichtig, hopend dat ik hem niet in verlegenheid breng.
     ‘Maar dat is een het hetzelfde land,’ beweert hij.

     Er valt een stilte waarin ik op zoek ga naar mijn kluts en waarin ik mij de bedenking maak dat dit incident mogelijk nieuw materiaal is voor een column. De stilte wordt pas doorbroken nadat de man met zijn vingers door de resterende haren van zijn kapsel heeft gekamd en zich nader begint te verklaren. Zijn exposé getuigt van een degelijke kennis op gebied van de Europese geschiedenis, op één belangrijk detail na.

     ‘Slovenië is het oude Slowakije,’ beweert hij. ‘Het grondgebied heeft lang deel uitgemaakt van Tsjecho-Slowakije tot de val van de Sovjet-Unie. Na de Fluwelen Revolutie heeft het zich in 1993 afgesplitst van Tsjechië en is het verder gegaan als Slovenië.’
     ‘Dat klopt,’ zeg ik, ‘maar het heet nog steeds Slowakije. Slovenië is een ander land. Het ligt zuidelijker op de kaart.’

     ‘Dat lijkt mij erg onwaarschijnlijk. Ik vrees dat de kaart waar ze het Slowakije noemen hopeloos verouderd is.’

     ‘Wacht,’ zeg ik. ‘Ik zal het u laten zien,’ en open Google Maps: een prachtig stukje software waar mijn museumstuk van een computer echter moeilijk mee overweg kan.
Anderhalve minuut duurt het vooraleer ik naar de betreffende plek op de kaart kan scrollen.
     ‘Kijk, hier ligt Slowakije. Naast Tsjechië. Onder Slowakije hebben we Oostenrijk en Hongarije. En daaronder, gekneld tussen Italië en Kroatië ligt Slovenië. Als ik mij niet vergis, maakte het vroeger deel uit van Joegoslavië.’

     De man drukt zijn bril zo hoog mogelijk op zijn neus; een neus die vervolgens met overbodige argwaan mijn computerscherm nadert.
     ‘Oh, nee,’ kermt hij na enkele beladen seconden. ‘U heeft gelijk.’
     Natuurlijk heb ik gelijk, maar ik begrijp niet wat hij daar zo erg aan vindt. Ik zie hoe het bloed uit zijn hoofd wegtrekt en hoe de kaarten die hij vastheeft uit zijn handen dreigen te vallen.
     ‘Ik vertrek volgende week met het vliegtuig op vakantie,’ zegt hij, en hoewel dat heuglijk nieuws is, klinkt hij angstig. ‘Ik heb altijd al eens naar Slo… Slowakije willen gaan. En nu ik het nog kan, dacht ik…’

     Dat is het moment waarop ik besef dat dit wel degelijk het onderwerp van mijn volgende column zal worden.

     ‘Oh, nee,’ herhaalt hij. Hij laat de kaarten op mijn veel te kleine bureau vallen en brengt zijn rechterhand voor zijn mond. ‘En ik dacht nog: waarom vliegen we niet rechtstreeks naar Bratislava?’
     ‘Waar landt uw vliegtuig dan?’
     ‘In Ljubljana,’ zegt hij, ofschoon hij de naam uitspreekt als Loebana, wat wel eens correct kan zijn.
     ‘Ljubljana is de hoofdstad van Slovenië,’ zeg ik, met mijn vinger op de betreffende plaats in Google Maps. ‘Ik vrees dat u een reis naar Slovenië heeft geboekt in plaats van naar Slowakije.’
     ‘Godverdomme,’ zegt hij, nu met beide handen voor zijn mond. ‘Dat is dertienhonderd euro in de prullenmand.’

     ‘Oei,’ zeg ik, want ik kom niet meteen op de juiste troostende woorden.
     Dat komt omdat de situatie in wezen iets dolkomisch heeft. Alleen ligt de prijs van de grap aan de hoge kant, waardoor ik niet in lachen kan uitbarsten. Ik probeer het dan maar met: ‘Slovenië schijnt ook mooi te zijn.’

     ‘Ja,’ zegt hij, terwijl ik merk dat zijn ogen vochtig worden. ‘Dat moet dan maar.’
     Hij plukt met trillende handen de kaart van Slovenië van mijn bureau. Ik beeld mij in dat er een smiley op de hoes staat gedrukt: eentje dat zijn tanden bloot lacht en tranen in de ooghoeken heeft bengelen.

     Ik wil hem nog zeggen dat hij van geluk mag spreken dat zijn vergissing op tijd aan het licht is gekomen en dat hij na zijn aankomst in Ljubljana geen taxi naar Bratislava heeft besteld. Gelukkig weet ik mij tijdig in te houden.

     De man druipt moedeloos af en ik word overmeesterd door een vlaag van medelijden, hoewel ik tegelijk blij ben dat ik dit heb mogen meemaken.

K.R. Valgaeren

Copyright Koen Broos





    
    


zondag 3 november 2019

Kevin Valgarens column


Boeken over boeken

Copyright Koen Broos
Ik moet beginnen met een verontschuldiging. De afgelopen maanden werd mijn tijd gekaapt door het afwerken van mijn nieuwe boek dat sinds enkele weken in de winkels ligt. Het heet Engelenlust en het is een spannende roman geworden over een man met een duistere perversie. Het zware werk is achter de rug. De komende maanden zal ik met de glimlach hier en daar een publieke verschijning maken om het boek te promoten en stiekem de voorbereidingen aanvangen voor het vervolg op Blackwell. Ergo, mijn excuses voor mijn langdurige afwezigheid op deze website.
     Tot zover deze boodschap van algemeen nut.

     Ik ben een boekhandelaar en een schrijver, maar bovenal ben ik, net als u, een lezer. Eentje die niet alleen thrillers leest, maar ook literaire romans, historische verhalen, wetenschappelijke werken, geschiedkundige overzichten, verbeeldingsliteratuur, biografieën, en ga zo maar door. Als u ook zo’n omnivoor van een lezer bent, maar ook als u niet graag over het genremuurtje gluurt om te zien wat de buren zoal bekokstoven, dan nog zal u al wel gehoord hebben van het soort boek waarin het gaat over andere boeken.

     Onlangs heb ik erg veel plezier beleefd aan Lezen in tijden van Netflix. Het is een essay van Felicitas von Lovenberg dat oorspronkelijk in het Duits werd gepubliceerd met de meer aantrekkelijke titel Gebrauksanweisüng fürs Lesen. De Nederlandse vertaling verscheen eerder dit jaar bij Uitgeverij Cossee en werd door Jet Steinz voorzien van een voorwoord dat niets toevoegt aan het essay en dat u om die reden kan overslaan zonder zich schuldig te hoeven voelen. De overige honderd bladzijden zijn echter een must voor elke liefhebber van het geschreven woord.

     Het opstel bestaat uit drie hoofdstukken waarin mevrouw von Lovenberg het respectievelijk heeft over het waarom, het hoe en het wat van het lezen. Deels puurt ze uit haar ervaringen, maar waar nodig haalt ze boeiend cijfermateriaal tevoorschijn, vertelt ze een passende anekdote of citeert ze uit een academisch artikel.

     Net zoals de populariteit van het volkstheater bezweek onder de concurrentie van radio, film en televisie, zo lijkt het boek de laatste tien jaar te kreunen onder het succes van tablets, smartphones, videogames en het tanende vermogen van de mens om zich voor langere tijd ergens op te kunnen concentreren. Kijk maar naar de horrorberichten die ons attenderen op het beschamend ondermaatse leesvermogen van onze jongeren en de gestaag afnemende verkoop van boeken. (Persoonlijk stel ik mij vragen bij die alarmerende berichten: het theater bestaat nog steeds en ondanks al die nieuwe media worden er nog steeds veel films, boeken en televisieprogramma’s gemaakt, om het maar niet te hebben over het aantal radiostations waar we in deze digitale tijden toegang tot hebben. Ik heb veeleer de indruk dat al die concurrerende media ervoor gezorgd hebben dat er méér van alles ter beschikking is. En dat is toch goed, niet?) Enerzijds is de schrijfster zich er geheel van bewust dat ze preekt voor de eigen parochie en dat ze haar boodschap beter in de vorm van een vlog op YouTube had gezwierd om het juiste publiek te bereiken. Anderzijds is het heerlijk om te lezen hoe geweldig u en ik wel niet zijn en over welke meerwaarde wij als mens beschikken in vergelijking met onze arme, niet-lezende broeders en zusters. Wij lijken wel uitverkorenen! ‘Lezen vormt, vermaakt en informeert. Het maakt ons empathischer, bevordert onze evenwichtigheid, vergroot onze woordenschat en stimuleert het kritisch denken,’ schrijft von Lovenberg. Kortom, het zijn voordelen waarvoor de meest gecompliceerde gezondheidsapp de duimen moet leggen. Anders gezegd, de wereld zal een betere plek worden, moesten we vanaf morgen met z’n allen onze gelezen bladzijden beginnen te tellen in plaats van als een idioot rond de eettafel te wandelen om toch maar aan onze tienduizend stappen per dag te geraken; een resultaat dat we vervolgens trots op ons digitale profiel kunnen delen.

     Dat is natuurlijk enigszins overdreven, al is het maar omdat geestelijke gezondheid iets anders is dan fitheid, maar toch… In een maatschappij waarin iedereen middelen gebruikt om een mening op de publieke ruimte los te laten, maar slechts weinigen over de kennis beschikken om die mening op een degelijke manier te onderbouwen, is de boodschap van de schrijfster meer dan welkom.
     Von Lovenberg windt er echter geen doekjes om: lezen heeft ook ernstige bijwerkingen. Lezers mogen empathischer zijn, ze kunnen ook asociaal zijn en hebben doorgaans een chronisch gebrek aan slaap. Ze hechten meer belang aan de rangschikking van hun boekenkasten dan aan de verjaardag van hun naasten en, om terug te komen op het tekort aan nachtrust, ze houden ook vaak hun bedpartner wakker met van die felle leeslampjes die ze op de kaft van hun boek klemmen wanneer het heksenuur al enige tijd verstreken is.

     Von Lovenberg gaat zo nog even door. Ze heeft het over de voordelen van papieren boeken en de nadelen van digitaal lezen, over het leestempo (Ik ben een trage lezer — tot groot jolijt van mijn vrouw die een Russische klassieker op twee dagen soldaat kan maken — en het deed dan ook deugd dat von Lovenberg mijn tempo verkiest boven dat van mijn vrouw.) over de beste plek om te lezen — hint: het bed komt volgens de statistieken pas op de tweede plaats — en over hoe belangrijk het is om het juiste boek te kiezen voor de juiste gelegenheid.

     Ik merk dat deze column een grote reclameboodschap is geworden voor Lezen in tijden van Netflix: een beminnelijk kleinood dat u eraan zal herinneren waarom wij het zo graag doen. Lezen, bedoel ik dan. Een aanradertje, dus, al is het maar omdat een boek dat geschreven werd door iemand met een naam als Felicitas von Lovenberg simpelweg niet slecht kan zijn.

K.R. Valgaeren


zondag 9 juni 2019

Column juni

copyright Koen Broos

Knooppunten 2

Ieder jaar, wanneer de zon de maartse buien en aprilse grillen heeft weten te temmen en het kwik richting twintig graden stijgt, krijgt onze boekhandel bezoek van wielertoeristen. Het grootste deel van die groep klanten bestaat uit dagtrappers die in de buurt wonen en met de trouwe tweewieler van hun spreekwoordelijke achtertuin willen genieten. Maar we krijgen soms ook visite van bruingebakken buitenlanders die er al een rit van meerdere dagen op hebben zitten en van geen ophouden weten. Vaak betreft het Duitsers die, al dan niet geruggesteund door een batterij op hun stalen ros, de Belgische kust als einddoel voor ogen hebben en een dagje in onze universteitsstad komen genieten van al die middeleeuwse en classicistische pracht die hier zo fier overeind is blijven staan. De fietsende Duitsers die ik in de boekhandel mag verwelkomen zijn doorgaans niet bijster goed voorbereid. Ze menen met een we-zullen-wel-zien-hoe-we-er-geraken-mentaliteit de Noordzee te kunnen bereiken en ik kan ze geen ongelijk geven, want wij helpen hen graag op weg naar de laatste etappes van hun traject. Helaas verloopt dat niet altijd even vlekkeloos.

Het probleem is niet zozeer het gebrek aan informatie, maar het schromelijk tekort schieten van de nodige taalkennis bij beide partijen. Ik kon de Duitser die ik vorige week verderhielp niet kwalijk nemen dat hij de Nederlandse taal niet onder knie had, maar het was wel jammer dat zijn Engels slechter was dan dat van mijn vijfjarig neefje. Dat zei ik natuurlijk niet luidop, temeer omdat mijn kennis van het Duits nagenoeg verwaarloosbaar is en dientengevolge  niet verder reikt dan de woordenschat die ik als puber in Duitse pornofilms heb geleerd; een woordenschat waar ik gezien de situatie bijzonder weinig aan had. Anders gezegd, het is erg moeilijk om in het Duits uit te leggen dat mijnheer en/of mevrouw naar de zee kunnen fietsen door ofwel gebruik te maken van langeafstandsfietsroutes ofwel van het knooppuntennetwerk. Hoe zeg je 'langafstandsfietsroute' in het Duits? Geen idee.

Lange tijd heb ik mezelf echter wijsgemaakt dat  'knooppuntennetwerk' vrij vertaald kon worden als een 'knaupfpuntenradweg'. Sinds kort weet ik dat dat geen correct Duits is. De fietstoerist die dubbel plooide toen ik hem het principe van de 'knaupfpuntenradweg' probeerde uit te leggen, heeft onze kust nooit bereikt, maar is ten onder gegaan aan de lachstuipen. En ik die dacht dat Duitsers geen gevoel voor humor hebben.

Kevin Valgaeren

zondag 3 februari 2019

Bekentenissen van een boekhandelaar februari 2019


Waarom ik schrijf?

Als schrijver in een boekhandel werken, brengt natuurlijk een heleboel interessante voordelen met zich mee, al is het maar dat je op die manier verplicht wordt om een grondige kennis van de boekenmarkt te kweken. Die opgelopen kennis steekt al gauw te kachel aan met het romantische beeld dat je jezelf hebt opgelegd als liefhebber van boeken. De waarheid is dat er, tussen het woeste proces van de creatie en het wonderbaarlijke gebeuren dat lezen heet, een zakenwereld gekneld zit die in de eerste plaats commercieel denkt. Op zich is daar niets mis mee. Er moeten nu eenmaal broden op de planken komen van uitgevers, verdelers, ontwerpers, zetters, boekhandelaars, en auteurs, ofschoon die laatsten vaak tevreden moeten zijn met de overgebleven broodkorstjes.

Zoals ik reeds meermaals heb benadrukt, werk ik in een winkel waar gemiddeld 20.000 verschillende titels staan te pronken. Dat kolossale getal is echter een fractie van het totaalaanbod dat uitgevers in hun fondsen hebben. Elke dag worden er nieuwe boeken aangeleverd die voor het grootste deel een zichtbare plaats in de winkel verdienen en vervolgens hopen op aandacht in de grote media: de enige kans op een potentieel bestsellersucces. En dan vraag ik mij soms wel eens het volgende af: waarom doe ik het? Waarom verplicht ik mijzelf om elke avond, na een zware dag, achter mijn bureau te kruipen en opnieuw aan de slag te gaan met pen en papier? Waarom spendeer ik mijn vrije tijd niet aan lezen, afspreken met vrienden, gezellig met mijn vrouw naar een film kijken, wandelen in de velden en de bossen waar ik middenin woon, Red Dead Redemption 2 spelen op de Playstation, en wat nog allemaal? Elke maand verschijnen er zoveel boeken dat er werkelijk niemand in huilen zal uitbarsten als er in de toekomst geen nieuwe Valgaeren meer op de nimmer eindigende stroom van vers leesvoer dobbert.

Er is natuurlijk een reden waarom er in ons taalgebied — en elders; het maandelijkse aanbod op de Engelse markt is een veelvoudig van wat er bij ons verschijnt, en dan heb ik het nog niet over al die honderden boeken die in eigen beheer worden uitgegeven of printing on demand worden aangeboden door drukkerijen die zich voordoen als uitgevers — zoveel wordt gepubliceerd. En die reden is puur commercieel. Een uitgever schiet graag met hagel, want hoe meer boeken hij uitgeeft, des te groter de kans dat hij een bestsellerbeest kan raken. Op zich is daar ook niets op tegen, want op die manier zal er nooit een tekort aan goede boeken zijn, en bovendien zorgen de winsten van die bestsellers ervoor dat andere auteurs ook op rendabele wijze gepubliceerd kunnen worden. Auteurs die anders nooit een kans zouden krijgen. En misschien hoor ik daar ook wel bij. De keerzijde van die medaille is dat er op het podium waar alle aandacht naartoe gaat slechts een beperkt aantal boeken kunnen pronken, en dat de meeste boeken daar nooit op terecht zullen komen.

Ooit, toen ik nog in een ei zat en de dieren nog spraken, was dat enigszins anders. Toen was er nog geen sprake van een bestsellercultuur, en had een uitgever een financiële buffer in de gedaante van een uitgebreide backlist. Dat was tot veertig jaar geleden het geval. Vandaag moeten de magazijnen zo snel mogelijk geleegd worden.

Dus, dan vraag ik mij als schrijver/boekhandelaar wel eens af: waarom doe ik het? Ik zou het mezelf veel gemakkelijker kunnen maken. Maar 'gemakkelijk' is natuurlijk niet interessant. Alle auteurs zijn ooit ergens begonnen, en vaak in minder fraaie omstandigheden dan ik. Stephen King, bijvoorbeeld, schreef zijn debuut in een caravan met twee gillende baby’s op de achtergrond. Voor de eeuwige roem moet je het ook niet doen. Slechts heel weinig schrijvers doorstaan de tand des tijds, zelfs diegenen die bij leven op handen en voeten werden gedragen, met alle prijzen gingen lopen, en de grootste van hun generatie werden genoemd. Twijfelt u daaraan? Dan moet u mij maar eens vragen hoeveel boeken ik per jaar nog gemiddeld van Hugo Claus of Harry Mullisch verkoop.

Waarom doe ik het dan, als ik het niet voor het geld doe, noch voor de eeuwige roem, wetende dat ik het mezelf nodeloos moeilijk maak? Ik zou kunnen zeggen dat ik het doe omdat het een van de weinige dingen is waarvan ik weet dat ik er goed in ben. Ik zou ook kunnen zeggen dat schrijven zich bij mij manifesteert als een vorm van compulsief gedrag. Als ik het een dag niet heb gedaan, dan word ik vervelend en ben ik gefrustreerd. Vraag dat maar aan mijn vrouw. Ik zou ook kunnen zeggen dat ik het graag doe... meestal. (Is het een hobby? Natuurlijk niet, want dan zou ik alleen maar schrijven wanneer ik er zin in had, en op die manier ontstaat er geen boeiende literatuur.) Ten slotte zou ik ook nog kunnen zeggen dat ik mijn verhalen graag wil delen met andere mensen. Ik schrijf, dus ik ben.

Al deze dingen zijn een waarheid als een koe, behalve dan die paarse van de Milkareclame. Maar waarom heb ik dan de indruk dat deze antwoorden niet geheel de lading dekken? Waarom doe ik het eigenlijk? Waarom spendeer ik zo enorm veel energie en tijd om dat hele kleine en tijdelijke plaatsje te veroveren op de boekenplank van een boekhandel en een lezer? Waarom doe ik mezelf continue een beetje pijn? Ongetwijfeld doe ik het om alle bovenstaande redenen. Maar er nog iets. En daar kan niet de vinger op leggen. Misschien is het daar, op die plek, waar de magie van het schrijversambacht ligt.

zondag 4 november 2018

Bekentenissen van een boekhandelaar in november

C: Koen Broos

Toeval bestaat


Een weekdag ergens in april. Het is rustig in de boekhandel, want buiten schijnt de eerste lentezon van het jaar, en als geen ander is die zon in staat om de consument uit de winkels te jagen en naar de terrasjes te drijven. Dat geldt echter niet voor een man van ongeveer vijftig jaar die, met dank aan het goede weer, de hele literaire afdeling van de winkel voor zich alleen heeft. Hij buigt zich over de tafel met nieuwigheden, maar zijn rusteloosheid verraadt dat hij zijn gading niet vinden kan. Ik volg hem vanuit mijn ooghoeken tot ik het niet langer kan aanzien en spreek hem aan.

'Kan ik u ergens mee helpen, meneer?'

'Ik hoop het,' zegt hij, opgelucht dat hij er in zijn queeste niet langer alleen voorstaat. 'Ik heb een nogal moeilijke vraag.'

De ervaring heeft mij geleerd dat moeilijke vragen meestal redelijk gemakkelijk zijn, en dat 'kleine vraagjes' doorgaans ernstig denkwerk vereisen. Dit is een moeilijke vraag, dus ik maak mij geen zorgen. Maar wat volgt brengt me desalniettemin danig in de war.

'Ik heb op dit moment ongeveer drievierde van Blackwell van Kevin Valgaeren gelezen, en nu vroeg ik mij af of u nog andere, gelijkaardige titels kan aanbevelen.'

Voor een fractie van een seconde schiet het door mijn hoofd dat deze man geen idee heeft wie ik ben, maar ik berg die gedachte snel op omdat hij mij ongetwijfeld heeft herkend van de foto op het achterplat van Blackwell. Het klinkt ijdel, maar het is ook logisch. Als Stephen King morgen mijn boekhandel komt binnengewandeld, dan zou ik hem meteen herkennen, weliswaar gevolgd door een bloeddrukverzakking.

'Dat is toevallig!' zeg ik met een brede grijns. 'U bent in ieder geval aan het juiste adres. En wat vindt u dan zo goed aan Blackwell?' Als er een moment is om mijn niet bestaande ego te strelen, denk ik, dan is dit het wel.

'Het is niet alleen spannend; het is bovendien erg goed geschreven. Ik heb Bloedlijn en Seance ook gelezen, maar Blackwell is veruit het beste boek. Mijn vrouw en ik zijn gek op alles wat met het Verenigd Koninkrijk te maken heeft, en ik hou van de duistere sfeer, en die kleine historische details.'

'Wel, die boeken zijn natuurlijk heel uniek voor de Lage Landen,' smaal ik, in de hoop dat hij mijn geveinsde fierheid zal doorprikken, maar dat doet hij wonderwel niet.

Ik ben zo aangenaam verrast door deze ontmoeting, waardoor ik mij van geen kwaad bewust ben. Ik besluit mijn beste beentje voor te zetten, en neem hem mee naar de Engelstalige afdeling, waar ik hem laat kennismaken met de klassiekers. Maar al snel blijkt dat de man in kwestie al die boeken al vanbinnen en vanbuiten kent. Ik ga een versnelling hoger en introduceer Sarah Waters, Andrew Michael Hurley en E.S. Thomson: hedendaagse schrijvers die niet per se gothic novels schrijven, maar vaak elementen van het genre in hun romans en detectives verwerken. Mijn aanpak schijnt te werken, wanneer hij Thomsons Beloved Poison uit de boekenkast neemt en het achterplat begint te lezen.

'Het is toch jammer dat er geen Nederlandstalige schrijvers zoals Valgaeren zijn die zich met dat genre bezighouden,' zegt hij, terwijl hij Beloved Poison in zijn handen weegt; een teken dat hij twijfelt aan mijn advies.

Ik wil zeggen dat er in de Lage Landen wel enkele auteurs actief zijn die — toegegeven, het is niet helemaal hetzelfde — horrorverhalen schrijven, zoals Johan Deseyn, Tom Thys en Thomas Olde Heuvelt, maar dan besef is dat hij 'schrijvers zoals Valgaeren' heeft gezegd, en niet 'schrijvers zoals u'. Met andere woorden, de man heeft geen flauw idee wie ik ben.

Ik realiseer me dat ik een vergissing heb gemaakt, en een dilemma dient zich aan. Ik kan doen alsof mijn neus bloedt, of ik kan eerlijk zijn en zeggen wie ik ben. In dat laatste schuilt echter het gevaar van een potentieel gênante situatie, want de man weet op dat moment nog niet dat hij al heel de tijd staat te praten met de auteur van het boek dat hij adoreert. Het is een beetje zoals die filmpjes op Youtube, waarin een bakvis een liedje van Justin Bieber zingt, zonder te weten dat zijne Canadese godheid achter haar staat mee te luisteren, met dat verschil dat ik niet Justin Bieber ben en de man geen bakvis is, met alle respect voor beide partijen.

'Excuseer, meneer,' zeg ik, omdat ik mij schuldig voel vanwege het feit dat ik hem ongewild zolang aan het lijntje heb gehouden, 'maar ik ben Kevin Valgaeren.'

En bij deze komt de waarheid aan het licht. Ik ben als een stripteasedanseres die al de hele avond in een holle taart verborgen zit, en eindelijk tevoorschijn mag komen, of als Mr Leclerc uit 'Allo 'Allo, wiens vermomming meer indruk maakt op hemzelf dan op de anderen.

De man kijkt me enkele tellen met grote ogen aan, en begint vervolgens te gloeien. Het is vreemd om een man te zien blozen die bijna oud genoeg is om mijn vader te kunnen zijn, temeer omdat ik doorgaans de meest introverte en verlegen kerel uit de hoop ben.

'Ik wist niet dat...' stamelt hij. 'Verdomme, ik dacht het nog... ik ken die ergens van.'

'En ik dacht dat u wist dat ik het was,' zeg ik, en nu is het mijn beurt om te blozen.

Tegenwoordig spreken wij elkaar met de voornaam aan. We zijn nu enkele maanden verder en de man komt minstens eens per week langs in de boekhandel. We praten over boeken en onze gemeenschappelijke passie voor het Verenigd Koninkrijk. Ik doe mijn best om zijn onverzadigbare honger naar gothic novels in toom te houden door voor hem op zoek te gaan naar de nieuwste titels, en uiteraard ook door na mijn werkuren naarstig verder te schrijven, want mijn klanten moeten op hun wenken worden bediend.

Kevin Valgaeren