Posts tonen met het label thrillerlezers vervolgverhaal. Alle posts tonen
Posts tonen met het label thrillerlezers vervolgverhaal. Alle posts tonen

zaterdag 11 maart 2017

Bloed op zand - deel 10 (door Marcella Kleine)

Pisnijdig was ze omdat ze er met open ogen was ingetrapt. Ze leek zelf wel stekeblind. Al voordat ze naar Aiden gingen, voelde ze dat Charles gespannen was. Die twee mannen hadden een lange staat van dienst en hadden samen voor hete vuren gestaan. Zij als nieuwkomer – ‘groentje’ noemde Charles haar vaak plagerig, maar de kritische ondertoon ontging haar nooit – had vergeleken bij hen nog veel te leren. Echter, één ding had ze op Charles voor. Haar onderbuikgevoel. Charles voerde iets in zijn schild. Aanvankelijk dacht ze nog dat hij nerveus was omdat het zijn eerste weerzien met Aiden zou zijn na die onfortuinlijke gebeurtenis, waarbij Aiden zwaargewond was geraakt. Maar toen ze de blauwe Volvo niet meer in haar achteruitkijkspiegel zag, wist ze zeker dat ze het bij het rechte eind had. Charles trok zijn eigen plan. Ze had hem al een paar berichtjes gestuurd, maar hij reageerde niet.
Ze was ook boos op zichzelf. Waarom had ze er zo gemakkelijk mee ingestemd om op eigen gelegenheid naar Aiden te gaan? Het lag toch veel meer voor de hand om samen te gaan, zoals ze altijd deden? Het was duidelijk dat hij gewoon geen zin had om haar – groentje – mee op sleeptouw te nemen nu hij zijn oude maat weer aan zijn zijde had. Liever een blind paard dan een domme koe blijkbaar.
Ze besloot terug te gaan naar kantoor, maar eerst moest ze gehoor geven aan haar nicotineverslaving. Ogenschijnlijk rustig draaide ze haar auto het parkeerterrein bij het tankstation op. Nog één keer belde ze Charles. Weer nam hij niet op. Even kwam de gedachte bij haar op dat er iets aan de hand zou kunnen zijn, maar haar eerdere veronderstelling lag meer voor de hand. De maatjes werkten liever als vanouds samen, al vroeg ze zich af of Aiden daartoe wel in staat zou zijn.

Ze wierp een blik in de spiegel, herschikte haar haren, stapte uit en schrok. Naast haar auto stond een man, wiens staalblauwe ogen haar strak aankeken. Alle weerbaarheidstrainingen ten spijt verstarde ze onder zijn indringende blik, terwijl haar hart als een bezetene tekeer ging. Pas bij zijn eerste woorden durfde ze weer adem te halen. Ze dwong zichzelf naar de smalle lippen boven het rossige baardje te kijken, alsof ze zo elk woord beter in zich op kon nemen. Hij gaf haar instructies.
Even vroeg ze zich af waarom de man, die niet vertelde wie hij was, dacht dat zij de bevelen zou opvolgen. Maar bij zijn volgende woorden wist ze dat ze geen keuze had.
‘Ik weet wat je gedaan hebt, Ivette den Brucke. Jij en ik weten wat er schuil gaat onder dat onschuldig uitziende koppie.’
De grond leek onder haar voeten weg te zakken. Ze sloot haar ogen en zocht steun tegen de auto. Wie was deze man, wat wist hij precies? Alsof hij haar gedachten hoorde, gaf hij antwoord.
‘Ik weet alles.’

Hij kon het niet weten, dat kon gewoonweg niet. Het…. Ze kneep haar ogen nog steviger dicht om de beelden die zich aan haar netvlies opdrongen, te verdrijven. Verwoed schudde ze haar hoofd. Haar geheim mocht nooit uitkomen, ze moest doen wat deze man haar opgedragen had.
Verslagen opende ze haar ogen. De man was weg. Angstig keek ze rond, maar hij was nergens te bekennen. Om haar heen stopten auto’s, terwijl andere weer vertrokken. Alsof de wereld niet had stilgestaan. Alsof haar leven niet voor de tweede keer werd bedreigd.
Met trillende vingers sloot ze het autoportier af om naar de Shell shop te gaan. Net als toen snakte ze naar de kalmerende werking van een sigaret.

zaterdag 4 maart 2017

Bloed op zand - deel 9 (door Karin Hazendonk)

Kai, die zijn gedachten nog amper op een rijtje had, schrok op van haar stem. Zacht, nog natrillend van de vergoten tranen, maar met een vleugje vastberadenheid. De prinses probeerde zelfs onder deze omstandigheden haar waardigheid te bewaren. Net als hij zat ze op de smerige vloer. Hoewel het aardedonker was in de laadruimte van de bus voelde hij hoe ze haar badjas strakker om zich heen trok en rechterop ging zitten.
‘De prins verdient een eervolle begrafenis en ik zal daarbij aanwezig zijn.’
Kai wist niet wat hij moest antwoorden. Beelden van het bloedbad dat hij zojuist had moeten aanschouwen flitste in slow motion voor zijn ogen heen en weer. Zij waren nog in leven, de prinses naar alle waarschijnlijkheid met een bedoeling, maar hij…?
Hij zocht naar woorden. Hij wilde de prinses geruststellen en haar ervan overtuigen dat hij alles zou doen wat in zijn vermogen lag om haar te beschermen. Met zijn leven als dat nodig was. De woorden zouden zijn mond nooit verlaten. De portieren van de bus werden geopend, het voertuig schudde toen twee mannen instapten en de portieren vlak na elkaar met een klap werden gesloten. Kai hoorde hun stemmen, rauwe keelklanken waarvan de betekenis volstrekt onduidelijk was. De motor brulde en met een ruk kwam de bus in beweging.
Door de schok verloor de prinses haar evenwicht en met enige schroom hielp Kai haar overeind te gaan zitten. ‘Wie zijn deze monsters?’ fluisterde ze dicht bij zijn oor.
‘Ik weet het niet,’ moest Kai haar het antwoord schuldig blijven. Hij probeerde zich op de weg te concentreren. Het parkeerterrein zou uiteindelijk naar een doorgaande weg leiden. Zijn onwetendheid nekte hem. Waarom had hij verdomme niet beter opgelet toen hij de weg naar het paleis had afgelegd.
Observeer altijd de omgeving, drong de stem van zijn mentor zijn hoofd binnen. Het kan je leven redden.
Nee, hij had nergens op gelet. Op weg naar wat misschien de belangrijkste opdracht van zijn jonge carrière zou zijn, moest hij de populaire jongen uithangen. Het moment van onoplettendheid. Zijn oom Aiden was daar het levende bewijs van.
Kai merkte dat de snelheid van de bus werd verhoogd. Met het verstrijken van de tijd verloor die alle betekenis. De prinses leunde tegen zijn schouder. Elk verschil tussen hen was weggenomen door de duistere situatie.
Abrupt kwam de bus tot stilstand. De rust die hen overviel na het monotone brommen van de motor en het schudden van de bus was unheimisch. Kai strekte zijn benen. Nu pas merkte hij dat zijn spieren waren verkrampt door het subtiel vasthouden van de prinses.
Een portier werd geopend en stemmen doorbraken de stilte. Kai luisterde ingespannen. Een mengelmoes van talen bereikte zijn oren. Soms viel er een Nederlands woord. Een ander geluid liet zijn lichaam verstrakken. Wapens. Ze stonden buiten met wapens in hun handen. Zijn ademhaling stokte en met de weinige zelfkennis die hij bezat, constateerde hij dat hij bang was. Op dat moment doorboorde de eerste kogel de zijkant van de bus. Het salvo dat volgde was oorverdovend.
Met een kreet liet Kai zich op het fragiele lichaam van de prinses vallen. Zijn instinct nam het over. Voorzichtig schoof hij met de vrouw in de richting van de cabine. Het houten schot zou weinig bescherming bieden, maar zijn lichaam zou de kogel opvangen als die op haar werd afgevuurd.
Hij voelde haar beven en hoorde haar geprevelde gebed.
Daarna doodse stilte.
Sigarettenrook drong door de kogelgaten naar binnen. De inktzwarte duisternis was verdwenen nu het licht van een straatlantaarn tot de laadruimte van de bus kon doordringen. Buiten, naast de bus werd gepraat en gelachen. Er klonk een dof geluid alsof iemand complimenterend op zijn schouders werd geslagen. Een naam… Wolf. Of was het de benaming van iets anders?


Een snik bracht hem terug naar de realiteit. De stank was terug. De geur van angst die beiden uitwasemden. Dat en de stank van koninklijke urine die ongeremd over de vloer was gelopen.  

zaterdag 25 februari 2017

Bloed op zand - deel 8 (door Melissa Skaye)

Charles keek toe hoe Aiden uit de auto stapte en zijn hoofd diverse kanten op draaide, alsof hij ergens naar zocht. Zijn handen omsloten de bovenkant van het portier. Uiteraard kon de man niet langer zien, maar begreep Charles dat andere zintuigen het overnamen. Sterker werden. Aiden snoof diep in om te bepalen waar hij was. Charles had hem niet verteld waar hij naartoe reed. Ze zouden Ivette volgen, die met haar eigen auto naar het huis van Aiden was gekomen, maar dat had Charles niet gedaan. Hij kon zich voorstellen hoe Ivette in haar achteruitkijkspiegel keek, zoekend naar zijn blauwe Volvo, en die niet langer kon zien. Hij had zijn mobiel op stil gezet, maar hij had het apparaatje al een aantal keer in zijn zak voelen trillen.
Ongemerkt snoof Charles ook diep in. Hij rook vers gemaaid gras en zijn eigen zweet. Na de koelte van de airco in zijn Volvo, was de absurd hoge temperatuur buiten een klap in zijn gezicht.
‘Op dit moment is Kai mijn grootste zorg,’ zei Aiden. ‘Maar je hebt me naar de begraafplaats gebracht.’ Met een klap sloot hij de autodeur. ‘De grote vraag is wat daar je beweegreden van is.’
Charles begreep waarom Aiden het wist. Om Kai te vinden zouden ze zich door bergen herrie moeten worstelen. Het was de overweldigende stilte, die op de een of andere manier altijd op dit soort plaatsen heerste. Hij zag zelfs geen enkele andere bezoekers, wat voor nu heel gunstig was.
‘En je hebt dat niet met Ivette overlegd, zij weet van niets.’ Aiden draaide zijn mismaakte gezicht naar Charles. ‘Waarom? Wat weet zij nog meer niet?’
‘Dat leg ik je zo uit. Wil je mijn arm vasthouden terwijl we lopen?’
Aiden antwoordde niet. Dat was ook niet nodig, Charles kende de trots van deze man. Trots die hem in leven had gehouden en trots die uiteindelijk zijn ondergang zou betekenen.
Pas bij het graf van Matthias begon Aiden weer te praten. Charles had enige schade verwacht, maar schrok zo erg dat hij dankbaar was dat Aiden het niet kon zien.
‘Mijn zoon hield van rode heesters, wist je dat? Daarom ligt hij hier onder de roodgebladerde heester, in een hoek omdat hij ook iets met hoeken had. Altijd op het hoekje van de bank zitten, dat deed hij al toen hij nog klein was. Altijd het uiterste hoekje aan tafel kiezen, zelfs zijn bed moest precies in een hoek staan, ook al was dat niet economisch, gezien de verdere opstelling van meubels en de ruimte die hij had. ’
Charles zei niets. De grafsteen was een glazen plaat waarop een foto van Matthias, zijn geboorte- en sterfdatum en tekst stonden. De hemel had een held nodig en koos jou. De plaat lag niet langer op zijn plek en was half op het graf van ene Benjamin Groothuis – geliefde vader en opa, gelegd. Charles keek om zich heen, had werkelijk niemand dit nog gezien? Toegegeven, dit was een vrij afgelegen stuk. Hij moest opschieten, want veel langer kon ontdekking niet duren.
Aiden sloot zijn ogen. Zijn handen had hij ineen geslagen, zijn schouders gespannen. Plotseling zakte hij op zijn hurken en bevoelde het graf van zijn zoon. Charles hield zijn adem in en keek, met een intensiteit die hem bijna verbaasde, naar de gezichtsuitdrukking van de blinde man. Een man die, voor hij voor altijd het zicht verloor, zijn laatste wanhopige blik op hem had geslagen. Charles had er nachtenlang nachtmerries door gehad. Die blik had niet alleen wanhoop, maar ook iets heel anders bevat. Of was dat niet waar gebeurd, alleen in zijn dromen? Had zijn onderbewustzijn hem wijsgemaakt dat Aiden naar hem keek alsof hij het woord verraad op zijn voorhoofd had staan?
Charles had nooit gedacht dat Aiden zou blijven leven. Aiden zelf waarschijnlijk ook niet.
Aiden had zijn ogen gesloten, maar zodra zijn vingers niet de koele glasplaat, maar losse aarde voelden, sperden ze wijd open. Hij nam even de tijd verder te voelen, mond open, zijn ademhaling gejaagd. Dit was het uur van de waarheid, nee, dacht Charles, het uur van de wolf. Lobatsky leverde geen half werk, iets dat Aiden onderhand moest weten.
Charles ademde diep in terwijl Aiden zich als een kikker naar voren werkte. Zijn handen graaiden wild rond, woest, op zoek naar iets dat hij nooit zou willen vinden. Tot hij op zijn knieën voorover bukte en het vond: Een kist die onder de grond hoorde te liggen, die na het sluiten nooit meer open had gemogen. Voor de nabestaanden dan. Lobatsky had zo zijn eigen ideeën en plannen. Maar die had hij van jongs af aan al gehad.
‘Wat heeft hij gedaan,’ fluisterde Aiden met een gebroken stem. ‘Wat heeft er al die tijd bij mijn zoon gelegen wat zo belangrijk voor Lobatsky was?’ Met hernieuwde kracht wist hij op te staan. ‘Wat heeft mijn dode zoon te maken met de aanslagen van nu? De dood van de prins? De ontvoering van de prinses? Jij wist hiervan. Jij hebt altijd geweten dat deze dag zou komen. Ik heb het in je gezicht gezien, in je ogen gelezen voor ik mijn zicht verloor.’
Charles sprak niet. In plaats daarvan greep hij zijn mobiel uit zijn zak, stuurde een bericht aan Ivette: Kom er zo aan, was even een spoedje tussendoor, en opende het zojuist binnengekomen bericht.
Het is de toon die de muziek maakt en ik houd wel van dansen. Voordat jij de kist opent, kijk je even links achter je, zwaait en doet wat is afgesproken. See you soon.

 Charles slikte en voelde zweetdruppels langs zijn slapen glijden. Het uur van de wolf was nu echt aangebroken.

zaterdag 18 februari 2017

Bloed op zand - deel 7 (door Chantal van Mierlo)

‘Die klootzak was bij zijn graf?’ vroeg Aiden. Hij kneep in zijn neusbrug, om zo af te leiden van de intense pijn in zijn borst. Matthias. Lobatsky had zijn zoon vermoord en het licht in Aidens ogen gedoofd. Dat hij het lef had om naar Matthias graf te gaan gaf aan hoe zeer de rekening nog open was. Aiden probeerde de stemmen op de televisie buiten te sluiten, hij moest nadenken. Wat was er godverdomme aan de hand? En waar was Kai? Hij kon hem niet verliezen. Niet ook nog Kai.
Wat was Lobatsky van plan? Iets moest hem naar het graf hebben gedreven. Ging het om hun persoonlijke vete? Dat moest haast wel, want anders had hij het bij de Efteling gehouden en was hij niet naar het kerkhof gekomen.
‘Jezus, dat kan niet waar zijn.’ Het geluid in Ivette’s stem bracht hem terug naar het hier en nu. Het was niet zozeer wat ze zei, maar de klank van ontzetting die zijn aandacht trok.
‘Wat is er gebeurd?’ vroeg hij.
Hij hoorde Charles opstaan. ‘Dit moet ik verifiëren. Ik ga even bellen.’ Zes stappen, de deur van de hal die open en dicht ging.
‘De prins is dood aangetroffen,’ zei Ivette.
Aiden spitste zijn oren. De verslaggever was aan het woord. Stamelend, alsof hij zijn eigen woorden niet kon geloven. ‘Ik krijg zojuist door dat de prins is neergeschoten. Evenals zijn beveiligers.’
Aiden stond op in een impuls, liep naar de keuken en greep het aanrechtblad vast. Dood. De beveiligers waren dood. Kai. Hij moest meer weten. Met een paar grote stappen stond hij voor de televisie. Er klonk geroezemoes op de achtergrond. De verslaggeefster in de studio viel even stil, ze probeerde contact te maken met Peter den Ouden, haar man bij Het Loo.
De stem van Den Ouden kwam weer binnen, hakkelend. Aiden stelde zich voor hoe hij het microfoontje dicht tegen zijn oor drukte om te kunnen horen welke ontwikkelingen er waren achter het afsperband.
‘De prins is overleden. Twee van zijn bodyguards ook. Momentje.’ Wederom een moment van stilte. Aiden sloot zijn ogen. Concentreerde zich. Waar was Kai godverdomme?
‘Wat ik zojuist binnenkrijg, is dat de prinses is ontvoerd. Een auto met meerdere overvallers, terroristen, heeft zojuist het terrein verlaten. Het is op dit moment nog onduidelijk hoeveel personen er betrokken zijn bij die ontvoering, en of de prinses alleen is.’
‘Hoe kan dat nou?’ mompelde Ivette. ‘Hoe kunnen ze hen nou zomaar weg laten rijden.’
Aiden draaide zich om. Ivette-met-een-i moest nog veel leren.
De deur naar de hal ging open. Charles was er weer.
‘En?’ vroeg Aiden. Hij herkende zijn eigen stem nauwelijks.
‘Het is waar. De prins en twee marechaussees zijn ijskoud geëxecuteerd. Ze hebben de prinses en mogelijk ook een marechaussee in hun macht.’
‘Godverdomme,’ mompelde Aiden.
‘Dat neefje van jou? Kai?’
Aiden knikte.
‘Het ziet er naar uit dat hij dienst had vandaag.’
Hij hoorde hoe Ivette van schrik een teug lucht inzoog.
Aiden zei niets, maar liep naar de gang.
‘Waar ga je heen?’ hoorde hij Charles zeggen.
  ‘Tijd om te gaan, lijkt mij? Vertel jij mij maar waarheen. We hebben geen tijd te verliezen.


zaterdag 7 januari 2017

Bloed op zand: deel 1 (door Olga Hoekstra)

September had nog nooit zo’n warme dag gekend. Daarom was het dodental waarschijnlijk ook zo hoog opgelopen. Tweehonderd. De eerste berichten gaven aan dat het ging om 120 doden, maar gaandeweg die zwoele septemberavond liep het dodental op. Hoger en hoger. Onder de ziellozen zouden 94 kinderen zijn. 94 kinderen die met hun ouders, broers, zussen, opa’s en oma’s genoten van een laatste warme dag aan het strand. Vis eten op de pier, misschien nog een extra kasteel bouwen op het gele strand van Scheveningen. Morgen… Morgen zou de temperatuur omslaan.
De nieuwsbulletins zonden onafgebroken uit. Er was geen ontkomen aan de werkelijkheid. Aan de waarheid. De eerste aanslag op Nederlands grondgebied. ‘We zaten er al tijden op te wachten,’ stelde de ene deskundige, terwijl de andere volhield ‘dat dit kwam als een volkomen verrassing’.
De deurbel onderbrak de donkere stem van de nieuwslezer, die melding maakte van een nieuw verdacht pakket, dit keer bij Paleis ’t Loo. Er was extra beveiliging ingezet, ook bij de andere nationale monumenten.
Met zijn hand volgde hij de muur. Het waren zes passen vanuit de keuken naar de deur van de gang. Een stevige stap van de gang naar de voordeur. Zijn vingers vonden het knopje van de speaker.
‘Hallo?’
Ruis aan de andere kant. Vervolgens een vrouwenstem. Licht. Jong. Eerlijk. ‘Meneer Malik?’ Een korte pauze waarop hij niet antwoordde. Het was duidelijk wie hij was, aangezien ze bij hem aanbelde. Het mysterie lag aan de andere kant, aan haar kant. ‘Bent u daar nog?’
‘Ja.’ Hij was er nog.
‘Mijn naam is Ivette den Brucke. Ik werk bij de nationale recherche. Kan ik even met u praten? Binnen?’
Een slimme toevoeging op het einde. Praten had ook prima buiten gekund. ‘Met een I of een Y?’
‘Sorry?’ De simpele vraag verwarde haar. Ze was hier met een doel gekomen en dat doel slokte haar gehele concentratie op.
‘Uw naam. Met een I of een Y aan het begin.’
‘O.’ Geschuifel. ‘Met een I. De simpele spelling.’
Zelfspot. Aan de manier waarop ze sprak, het feit dat ze refereerde aan simpele spelling... Middenklasse gezin, misschien een ondernemer als ouder. Waarschijnlijk was ze de oudste met zeker nog een broer of zus onder zich aangezien ze een verantwoordelijk beroep had gekozen.
‘Misschien kan ik even binnenkomen? Wat ik met u wil bespreken is van een dusdanig gevoelige aard dat ...’
‘Dat wat?’
Opnieuw geschuifel. Een wisseling. Ze was dus met nog iemand gekomen. Bij het horen van die stem, ging er een rilling door hem heen.
‘Kom op, Aiden, doe die godverse deur open. We staan hier niet voor Jan Lul.’
Een stem uit het verleden. Een stem die eens het belangrijkste was. Zijn levenslijn. De stem die toebehoorde aan het laatste gezicht dat hij ooit had gezien, de laatste gelaatstrekken voordat zijn wereld voor eeuwig duister werd. Hij had moeten weten dat hun wegen zich vandaag zouden kruisen. Na alles wat er was gebeurd op het strand van Scheveningen, hoe hun gezamenlijke vijand zich opnieuw had laten zien. Zij hadden de kop van de slang gehad, zo veel maanden geleden, wetende dat het beest der mensheid meerdere gezichten kende. Het was een kwestie van tijd geweest voor een nieuwe cel het zou overnemen.
Even overheerste de twijfel. Zijn vingers beroerden de knop waarmee de deur zich zou ontsluiten, waarmee hij ‘buiten’, binnen zou laten. De afgelopen tijd was hij selectief geweest met het indrukken van die knop. Niet wetende wat er aan de andere kant van de deur op hem wachtte. De dood, of simpelweg de bezorger van de Appie.
‘Aiden… Alsjeblieft.’
Charles was niet de man om te smeken. Zelfs niet toen de beulen in het kamp hem kootje voor kootje zijn vingers braken, had hij niet gesmeekt.

 De klik galmde na in zijn oren, het geluid overstemd door het openen van de deur, de voetstappen naar binnen. De scherpe inademing van Ivette den Brucke, die waarschijnlijk voor het eerst zijn gehavende gezicht in ogenschouw nam. Charles had haar erop moeten voorbereiden. De klootzak. Hij wendde zijn hoofd iets af, de linkerkant van zijn gezicht naar de muur, en draaide zich om. Zijn hand opnieuw langs het reliëf in het sierpleister, dat langzaam overging in het structuurbehang van de woonkamer. ‘Ik zou zeggen dat het goed was om je weer te zien, Charles, maar dat zou om meerdere redenen een leugen zijn.’