donderdag 16 augustus 2018

Het offerveen van Susanne Jansson


 
Susanne Jansson (1972) werkte in Göteborg en New York als journaliste en fotografe. Het offerveen is haar eerste roman en werd in Zweden met veel lof ontvangen; de rechten zijn inmiddels aan meer dan twintig landen verkocht.

Na vijftien jaar keert biologe Nathalie Ström terug vanuit Göteborg naar Fengerskog om in de omgeving van haar jeugd metingen te doen over klimaatverandering. Zij huurt een eenvoudig huisje op het landgoed Mossmarken om gedurende de herfst en winter haar werk te doen in de moerassen rondom Fengerskog. Als ze er een paar dagen zit, ontmoet ze Johannes Ayebs, die vrijwel elke dag jogt op het pad dat door de moerassen leidt. Als er op een avond een vreemde storm opsteekt, krijgt Nathalie een vreemde ingeving. Ze gaat het moeras in en vindt een bewusteloze, gehavende John, met niet ver bij hem vandaan een vers gegraven gat – lichaamsformaat. De politie tast in het duister wie Johannes heeft aangevallen, en wat de bedoeling van het gegraven ‘graf’ is.
Politiefotografe Maya Linde, die naast haar werk voor de politie ook een bekende kunstenares is, gaat samen met inspecteur Leif Berggren op onderzoek uit en ontdekt een paar schokkende feiten.

De eenzame, onherbergzame moerassen wordt door Jansson erg goed neergezet. Oude legenden, mensenoffers en het verhaal van het Vossenbessenmeisje dragen bij aan de donkere, grimmige sfeer die door het hele boek heen voelbaar zijn. Met gedetailleerde beschrijvingen brengt Jansson de geschiedenis van veenlijken en de biotoop van het moeras buitengewoon dichtbij.
Nathalies traumatische ervaringen uit haar kindertijd – toen zij zelf als twaalfjarige aan de rand van het moeras woonde – blijven lang verborgen en worden slechts hier en daar aangehaald, wat een sluimerend, ongemakkelijk gevoel geeft. Het middenstuk is wat taaier, maar er zijn genoeg vragen die spelen en die aanzetten tot doorlezen.

Kortweg: Het offerveen is een heerlijk mystiek, licht griezelig boek – vooral de epiloog doet huiveren – met een uitzonderlijke sfeer. Zeer zeker het lezen waard.

Linda Jansma

De favoriete boeken van Saskia


Wat las je vroeger graag en welk boek is je daar speciaal van bijgebleven
Mijn favoriete kinderboek was altijd Hummeltje, een kabouter met een pratend belletje. Als kind had ik al een grote fantasie en dit in combinatie met zijn dierenvriendjes uit het bos, was voor mij een feestje.

Het waren korte kabouterverhaaltjes: Hummeltje, de grappige boskabouter met het sprekende belletje aan zijn puntmuts, beleeft samen met Hansje Bosmuis, de broertjes Konijn, Snebbeltje Eend en alle andere vriendjes uit het Sprookjesbos elke dag weer nieuwe avonturen.



Wanneer greep het leesvirus jou?
Hoewel lezen nu 1 van mijn favoriete hobby’s is, is dit zeker niet altijd zo geweest. Vroeger had ik zelfs een hekel aan lezen. Echter, toen ik in mijn tienerjaren zat ging ik het steeds meer waarderen. Nu lees ik regelmatig dikke pillen en verslind boeken bij de vleet. Heerlijk om even ontspannen, je verstand op 0 te zetten en je te begeven in een andere wereld.





Welke boeken zijn nu als volwassene jouw favoriete boeken?
Ik heb een aantal favoriete schrijvers waar ik alles van heb: Dit zijn o.a. Karin Slaughter, Camilla Läckberg, Simon Beckett, Sebastian Fitzek en Nora Roberts.

Zijn er titels die je iedereen aanraadt en waarom die?
Dat zijn verschillende: mijn favoriete series zijn toch wel die van Camilla Läckberg en Sebastian Fitzek, vooral omdat het psychologische thrillers zijn. Lekker doordenkers met gruwelijke moorden. Maar ook zeker de boekenreeks van Karin Slaughter of het boek Vleugels van Ruth Newman niet te vergeten. Een boek, die mij door het einde nog een dag erna bezig hield. Dat is voor mij dan ook de definitie van een goed boek .


woensdag 15 augustus 2018

Een dodelijk venijn van Fred Vargas

In Nimes bezwijken binnen een maand drie mannen van rond de tachtig aan de gevolgen van een spinnenbeet. Dat is curieus. Nog vreemder is dat de beet van deze spinnensoort, de bruine kluizenaar, doorgaans niet dodelijk is. Commissaris Adamsberg voelt dat er meer achter zit. Zijn onderzoek leidt hem naar de vroegere wanpraktijken in een weeshuis waar deze spin ook al gebruikt werd om angst te zaaien. Maar daar is het spoor nog niet ten einde.
Fred Vargas is weer goed op dreef in Een dodelijk venijn. Aanwezigheid gewenst staat op het briefje dat commissaris Adamsberg in IJsland krijgt van zijn team. Hij keert terug naar Parijs, voor een zaak waarin de vrouw van een advocaat tot tweemaal toe is overreden door een fourwheeldrive. En passant lost Adamsberg ook een verkrachtingszaak op, het is allemaal opmaat om via zijn onfeilbare intuïtie terecht te komen in een zaak waarin oude mannen overlijden aan de beet van een bruine kluizenaar spin.
Is de spin gemuteerd waardoor het gif van de bruine kluizenaar ineens dodelijk is? Is er sprake van een overpopulatie spinnen? Het blijkt allemaal niet het geval. En toch? Mensen overlijden meestal niet aan de beet van deze spin. Toeval vanwege verminderde weerstand bij de bejaarde mannen waardoor ze necrose ontwikkelden? Of toch niet? En wat heeft de laatste ingemetselde kluizenaarster uit Lourdes met deze zaak te maken? Iets, of toch niets? En hoe zit het met het weeshuis, waar een bende jongens verantwoordelijk was voor wanpraktijken die zijn weerga niet kennen?
Het is even wennen aan de denkwijze van Adamsberg. Hij denkt niet rechtlijnig, maar juist op zijn eigen ondoorgrondelijke manier van associëren. Gedachtebelletjes noemt hij het, gedachten die hij keurig in zijn notitieboekje noteert. Voor de lezer blijft het enigszins ondoorgrondelijk. Dat is ook de charme van Adamsberg. Ook de andere personages zijn goed uitgewerkt en dragen bij tot de bewondering die je als lezer, net als zijn team, alleen maar kunt hebben voor Adamsberg. Wat wel te merken is, is dat dit boek een deel uit een reeks is, waardoor de personages minder uitgebreid geïntroduceerd worden.
Een dodelijk venijn is een gelaagd en complex verhaal. Allerlei ogenschijnlijk los van elkaar staande gebeurtenissen blijken met elkaar verbonden op een manier die alleen Fred Vargas kan bedenken en Adamsberg kan ontcijferen. Het is mysterieus, afschuwelijke historische feiten worden gemixt met het heden, waardoor het verhaal onder je huid gaat zitten. Zeker als er dan tijdens het lezen van het verhaal ook nog ineens een grote spin, vlak voor je neus langs, aan zijn draad voorbij kruipt richting zijn holletje in een boom. Toepasselijker kon het niet. Een dodelijk venijn raad ik iedereen die houdt van serieus en mysterieus speurwerk aan.
Vijf kraaien voor Een dodelijk venijn!
~ Liane Baltus

Deze recensie is mits kleine aanpassingen conform de vormgeving ook te lezen op 

dinsdag 14 augustus 2018

Vlak voordat ik stierf van S.K. Tremayne


Titel: Vlak voordat ik stierf
Auteur: S.K. Tremayne
Uitgeverij: Prometheus
Aantal pagina`s: 352

Auteur:
S.K. Tremayne is het pseudoniem van een internationale bestsellerauteur die woont en werkt in Londen. Van zijn eerste boek, IJstweeling, werden alleen al in Nederland en Vlaanderen meer dan 60.000 exemplaren verkocht. Ook Vuurkind, dat in 2016 verscheen, werd enthousiast ontvangen.
Sean Thomas is al twintig jaar novellist en journalist in London. Naast zijn werk als journalist schrijft hij boeken onder de naam Tom Knox en S.K. Tremayne. Een druk baasje dus, met verschillende identiteiten, dat vind ik altijd een bijzonder gegeven. Waar houdt de ene persoon op en waar gaat de andere verder. En de grootste vraag die mij intrigeert; wie ben je echt?

Achterflap:
"Waarom heb je me dit aangedaan, mama, hou je niet van me?'
Het was maar een klein stukje ijs. Gewoon wat botte pech. Maar het was genoeg om Kath Redway, die met haar auto zo het meer van het prachtige Dartmoor National Park in draaide, bijna te doen verongelukken.
Als door een wonder komt ze met de schrik, en een paar blauwe plekken, vrij. Ondanks haar geheugenverlies en de shock waarin ze verkeert is Kath blij dat ze weer terug is in de afgelegen boerderij waar ze woont met haar knappe man Adam en haar verlegen, maar zeer intelligente dochter Lydia. Ze leeft!
Haar gezin is echter verre van opgelucht. Haar man gedraagt zich koeltjes tegen haar, of ronduit boos. Haar dagdromende dochter begint vreemde taal uit te slaan, en houdt niet op over een "man op de hei'. Wanneer ze steeds meer gefragmenteerde, maar ijzingwekkende herinneringen terugkrijgt, realiseert Kath zich dat haar "ongeluk' helemaal geen ongeluk was. Met dat besef stort ze in en vervalt haar leven tot een duistere wereld van angst en dreiging.

Mijn mening:
Het is altijd heerlijk om een boek te lezen over koud weer met ijs op bevroren paden, als de mussen dood van het dak vallen door de hitte. Het neemt je mee naar een koude plek en dat voelt nu extra goed aan.
Het is altijd even schakelen tussen boeken als de schrijfwijze van auteurs erg afwijken van elkaar. De ene schrijft redelijk helder, kort en bondig, terwijl de ander juist wolliger schrijft en meer aandacht besteed aan het omschrijven van de omgeving.
Aan de schrijfstijl van S.K. Tremayne moest ik daarom wel even wennen. Hij schrijft dan ook wolliger dan de meeste thrillerschrijvers, maar na een paar hoofdstukken was dat over en begon ik zijn schrijfwijze te waarderen.

Het verhaal speelt zich af in Dartmoor, een Nationaal park in Engeland. Het gebied word zo mooi omschreven, dat je plaatsen zou herkennen als je er terecht kwam. Dartmoor is een erg dun bevolkt gebied met veel heide waar veel wilde pony’s leven. Het is een plek vol legendes, mythen en volksverhalen.

Ik  ben  er.  Op  deze  prachtige  heldere  winteravond  op  Dartmoor. De maan staat als een zilveren sikkel boven de oude Black Tor; de sterren  lijken  uiteinden  van miljoenen gloeidraden die  blind door het donker hun weg zoeken naar de aarde. Ik hoor de roep van een grote sneeuwuil die ergens op jacht is.

Kath en Adam Redway leven en werken in het National park Dartmoor met hun dochter Lyla, die een vorm van Asperger heeft. Kath heeft ternauwernood een auto-ongeluk overleeft, ze raakte met haar auto in de slip en kwam zo in een meer terecht. Wonder boven wonder kon ze zichzelf redden, en kwam ze met de schrik vrij, ze lijdt sindsdien nog wel aan geheugenverlies. Geleidelijk aan keert haar geheugen terug en fragment voor fragment komt de waarheid over de toedracht boven water. Het geeft haar echter geen rust, maar juist meer onduidelijkheid over de ware toedracht van haar “ongeluk”. Ook haar man en dochter reageren sinds het gebeuren anders dan voorheen. Haar stille dochter keert zich nog meer in zichzelf en heeft het steeds over een groene man. Haar man Adam sluit haar buiten en is steeds vaker boos op haar.
Naast deze hoofdpersonen passeren niet zo veel personages de revue, zo blijft het voor de lezer een  overzichtelijk geheel.

De personages komen goed uit de verf, ze zijn uitgewerkt tot volledige personages met hun eigenaardigheden, trekjes en karakter. De dochter is een bijzonder kind, ze heeft een stoornis in het autisme spectrum en daar weet Tremayne goed mee om te gaan. Lyla is een kind met pure gevoelens en heeft zo haar eigenaardigheden. De kinderen op school weten duidelijk geen raad met haar en ze is dan ook vaak alleen in de kantine of schoolplein te vinden. Als ze thuis is vindt ze dat niet erg, maar ze wil wel aardig gevonden worden door anderen.

Waarom waarom waarom?’ Ze duwt me van zich af en kijkt naar de tinkelende kettingen aan het dak van haar hut, de tranen stromen over haar wangen. Dan buigt ze zich voorover en zit ineengedoken te snikken.

Als lezer krijg je geen pageturner voorgeschoteld, inde zin van een super spannend verhaal met veel geweld en bloederige fragmenten. Tremayne houdt je juist in zijn greep door kleine details, hij vertelt het verhaal van Kath zo dat je wilt blijven lezen om te weten te komen wat er nu precies gebeurd is. Met name doordat Kath haar geheugen beetje bij beetje terug krijgt, zorgt voor de nodige spanning in haar directe omgeving en in het verhaal.
De omgeving, die mysterieus en donker is en door de vele volksverhalen, legendes en mythen,  geeft het verhaal een extra spannende dimensie mee.
Doordat je steeds op het verkeerde been gezet word en de verdachten zich afwisselen blijf je gekluisterd aan het verhaal. De ontknoping is verrassend en spannend, maar ook een tikje ongeloofwaardig.

Die  verwarring  was  als  een  vochtig  vuur  op  de  moors, dat meer rook veroorzaakte dan warmte en hem verstikte. Zijn hoop deed uitdoven, en alles voorgoed versmoorde.
Beoordeling:

Originaliteit: 4
Leesplezier: 4
Psychologie: 5
Spanning: 4
Plot: 4

Vier kraaien voor “Vlak voordat ik stierf” van S.K. Tremayne

Lilian



maandag 13 augustus 2018

Descartes in Amsterdam van Hans Dooremalen

Naast de Westerkerk in Amsterdam wordt een lijk gevonden. Het is oktober 1634. In de verse sneeuw is een vreemd symbool getekend en de hand van het naakte lijk omklemt een rapier. Wanneer meer doden onder vergelijkbare, mysterieuze omstandigheden worden aangetroffen, wordt de hulp ingeschakeld van René Descartes. De Franse filosoof zet zijn befaamde methode in om het mysterie te ontrafelen.

Met aandacht voor details weet Hans Dooremalen het Amsterdam in de 17e eeuw te schetsen. De lezer kruipt in het hoofd van Clement, de valet de chambre van René Descartes. Hij is degene die op pad gestuurd wordt als zijn meester wat wil weten. Descartes blijkt een ongebreidelde nieuwsgierigheid te hebben, zeker als er een mysterie ontstaat rondom de moorden die elkaar in een paar dagen opvolgen. Hij ziet het als dé kans om zijn methode te preciseren en te onderwijzen aan Clement en onderschout Held die de leiding over het moordonderzoek in zijn mik geschoven krijgt. De verhouding tussen Clement en Descartes doet denken aan een Nederlandse versie van Sherlock Holmes, hoewel beide heren afkomstig zijn uit Frankrijk.

De gedetailleerdheid waarmee Dooremalen het stadse leven schetst, inclusief een introductie van een hele reeks bekende namen, politiek, geloofskwesties en gewoonten uit de Amsterdamse geschiedenis, maakt dat het verhaal wat langzaam op gang komt, en eerder als een historische roman begint dan als de detective die het verhaal uiteindelijk toch is. Ben je eenmaal door de introductiepagina’s heen, dan komt ineens de spanning om de hoek kijken. Ondanks dat de gedetailleerdheid blijft, is het boek dan snel uitgelezen.

Training in cartesiaanse methode van twijfel
Filosofische detective staat op de cover. Dat is precies wat dit boek is. Dooremalen weet op consistente wijze de cartesiaanse methode toe te passen bij het oplossen van het raadsel rondom de moorden. Gevolgtrekkingen die je als lezer maakt, worden ontleed tot het kleinste detail in dat wat je zeker kunt weten, wat je denkwijze richting geeft. In die zin wordt de lezer tegelijk met Clement en Held getraind in het methodisch denken van Descartes, wat een schril contrast is met de denkwijze die de mensheid in het Amsterdam van de 17e eeuw laat zien.

Dooremalen heeft een interessant boek geschreven met filosofisch opgebouwde gedachtegangen, die hier en daar toch wat lastig te volgen zijn, zeker als je niet getraind bent in de filosofie van Descartes. Wat mij vooral bijblijft is het inzicht dat de cartesiaanse twijfel, wat voor ons in deze tijd een meer natuurlijke denkwijze is, een groot verschil maakt ten opzichte van de 17e eeuw, waarin gevolgtrekkingen vanuit bijvoorbeeld de heksenhamer voor mensen logisch zijn. Wat dat betreft heeft Descartes de wereld veel gebracht!

~ Liane Baltus

Deze recensie is eerder geplaatst op https://thespiritofwords.com

Discover me met Sluipwesp

Geen meisje in het water en geen vrouw die wij van de achterkant zien staan of lopen, zelfs geen eng huisje in het bos. Een omslag die anders is dan anders. Maar vind jij hem mooi? Pak je hem op als je hem ziet liggen om te weten wat er op de achterflap staat? Zet je reactie maar onder het bericht in de facebookgroep.

Op 15 augustus komt dit boek uit en hieronder lees je de achterflap:
Maud vreest de dood niet…
maar dat zou ze beter wel kunnen doen

Het leven buiten is onheilspellender dan binnen de muren van het mortuarium. Het onbegrensde verlangen haar kind terug te zien en het geheim van een verongelukte vriend lokken mortuariummedewerkster Maud de buitenwereld in. Is ze sterk genoeg om weer deel te nemen aan de samenleving? Durft ze de confrontatie met haar narcistische ex aan?

zondag 12 augustus 2018

Column Jack Schlimazlnik


Nordic Noir, de duistere kant van Scandinavië

Het is weer vakantietijd! Zijn we naar het zuiden geweest om aan de Middellandse Zee in het echt een vakantiethriller te beleven, of naar het noorden voor het duistere gevoel van de Nordic Noir?

In tegenstelling tot de vakantiethrillers, die doorgaans door Nederlandse auteurs worden geschreven, zijn de meeste Nordic Noirs geschreven door auteurs die in Scandinavië wonen: Noorwegen, Zweden, Denemarken, soms IJsland - Finse Nordic Noir is mij niet bekend. Eigenlijk best raar dat er in Nederland geen traditie bestaat van Polderthriller, ze zijn er natuurlijk wel, maar ze worden zo niet in de markt gezet, niet in Nederland en niet in het buitenland.

Van oudsher laat de Nordic Noir zien hoe het moet: je pakt wat stereotypen over het land (somber en eenzaam), beschrijft het landschap (somber en eenzaam) en authentieke inwoners (somber en eenzaam), en je laat er een moordenaar op los. Bij voorkeur een seriemoordenaar. Dat laatste hoeft niet realistisch te zijn, want het aantal echte moordzaken in Scandinavië blijft ver achter bij het aantal fictieve moorden in die landen. Het zou niet goed voor de bevolkingscijfers zijn als er echt zoveel moorden werden gepleegd.

Scandinavië, en dan met name Noorwegen en Zweden, hebben te kampen met leeglopende dorpen. Zo’n vijftien jaar terug was er in Nederland een campagne om werkzoekenden naar Noorwegen en Zweden te laten emigreren. Het was de bedoeling dat je daar dan werk zou vinden/scheppen in een kleine plaats, en dat je met de aanwezigheid van je gezin en bedrijf zou bijdragen aan de leefbaarheid, zoals het behoud van de basisschool en de dorpswinkel. In Nederland is dat verschijnsel ook bekend, onder meer in Noordoost-Groningen, de Noordoostpolder en de Hoekse Waard. Daar is veel leegstand en een laag niveau aan voorzieningen (scholen, gezondheidszorg, winkels, werk, openbaar vervoer). Dat levert een soort spooksteden op, maar in Nederland is men veel te keurig en sloopt men doorgaans wat vervallen dreigt te raken.

In Scandinavië laat men leegstaande huizen gewoon vervallen, zeker als ze wat afgelegen in het bos staan. Als je in de naaldwouden van Zweden een wandeling maakt, kun je zomaar ineens voor een “spookhuis” komen te staan: een verlaten houten “stuga” (in Noorwegen heten ze “hytte”), het huisraad er nog in, voor zover het niet naar buiten is gehaald door vandalen, vervallen en rottend, alsof je er elk moment een lijk kunt aantreffen.

Dat was tenminste wat ik jaren terug in Zweden aantrof, bij een avondwandeling. Eigenlijk ben je dan op zoek naar elanden of ander wild, en dan ineens staat er zo’n vervallen hut langs het bospad. Met schitterende authentieke, misschien antieke meubelen. In elk geval geen IKEA. Buiten vonden we de restanten van een arreslee. Je vraagt je af wat er is gebeurd met zo’n huis, dat in zijn gloriedagen zo mee had kunnen doen in het decor van Pippi Langkous of De kinderen van Bolderburen of hoe die idyllische kinderboeken ook heten.

Wat ik heb gezien in Scandinavië is niet het naargeestige dat je op tv ziet in de Nordic Noir series. Op IJsland was ik nog niet (staat op de bucketlist), Finland ook niet (ik ben bang dat de muggen, die er volop schijnen te zijn, een kampeervakantie verpesten), maar in de andere Scandinavische landen wel.
Noorwegen is een schitterend land, ruig, maar niet echt eng. Het enge is meer het autorijden, op de beruchte Trollstig (Trollstigen is het woord met -en als lidwoorduitgang), of op de vele onverharde wegen, of op wegen waar nog (of alweer) resten sneeuw liggen. Of waar je een kudde schapen of geiten voor de wielen krijgt. Mijn avonturen daar zijn niet zo heel spannend.

Het spannende begon er in Noorwegen mee dat de brandweer uitrukte, omdat ik de open haard in mijn appartement had aangestoken en de politie ook een kijkje kwam nemen. Ik zat rustig tv te kijken, drankje erbij. Omdat na verloop van tijd de blaas geleegd wilde worden, deed ik de deur naar de hal open om naar het toilet te gaan. In die hal hing de rookmelder, die prompt afging vanwege de rook die vanuit de kamer die (voor mij onopgemerkt) vol rook hing, omdat blijkbaar de schoorsteen niet goed trok - iets met een vogelnest of zo. Het appartementencomplex werd geëvacueerd voor we daar achter kwamen, en toen was het wachten op de brandweer.

Later in die vakantie landde een helikopter bij datzelfde complex, maar ik heb geen idee waarom. Wel stond iedereen buiten te kijken naar dat wentelwiekmatige geweld. Blijkbaar was men daar niet gewend dat er spannende dingen gebeuren. Wat me trouwens doet denken aan de Zweedse actie-komediefilm Kopps, waarin een politiebureau met sluiting wordt bedreigd, waarop de politieagenten, die merken dat hun baan op de tocht staat, zelf maar voor wat reuring zorgen.

Een hachelijk avontuur in Noorwegen was mijn bezoek aan Nygardsbreen (de Nygard-gletsjer). Ik had me wat verkeken op de afstand en de toegestane maximumsnelheid, waardoor ik pas laat in de middag bij de gletsjer arriveerde. Ik was te laat voor een tocht over de gletsjer met begeleiding van een gids. Wel kon ik meevaren met de schipper die de gletsjerwandelaars ging ophalen, maar dan moest ik zelf teruglopen. Hoewel de schipper best vriendelijk was (“Waar kom je vandaan?” “Nederland.” “Huh?” “Holland.” “Ah! Ajax!” “Nee, dat is Amsterdam.”) had hij me niet verteld dat er geen pad terug naar de parkeerplaats was of dat de bewegwijzering door het ruwe terrein te wensen over liet. Dus moest ik klauterend over rotsen en me door allerhande struiken worstelend terug, strategisch de oever van het gletsjermeer volgend, met de zonsondergang (Solnedgangen - “de zonsneergang”) op mijn hielen. Ik haalde het gelukkig wel, maar de tocht eindigde in een terugreis naar mijn appartement door het pikkedonker over een bergpas van 1172 meter hoog, vrijwel verlaten, op een enkele trucker na. Een landschap waaruit ik dankbaar inspiratie heb geput voor Stille wateren (in de Nordic Noir bundel van uitgeverij LetterRijn).

Minder hachelijk, maar wel spooky, was mijn verblijf in een ski-oord, in september. Er lag nog geen sneeuw, maar het leek op wat bij ons november kan zijn. Omdat ik langs de weg enorme borden zag met “Pas op, groot gevaar wegens elanden” (iets van “Stor elg fare” las ik), vroeg ik waar die beesten dan zaten. Nou, die komen dus niet boven de 800 meter of zo, waaruit blijkt dat elanden en rendieren intelligenter zijn dan mensen. En als ze er al zouden zijn, dan zou ik ze niet hebben gezien, want die bergtop met het ski-oord zat gewoon dagenlang in de wolken waarbij ik beslist niet in de wolken was, maar mijn toevlucht had gevonden in de sauna van de hytte. Ik kon vanuit het raam mijn auto niet eens zien, die voor de deur stond, laat staan Solnedgangen waarmee werd geadverteerd. En toen het wat optrok, bleef een spooky landschap achter, met bemoste dode bomen langs stille wateren, en op een verder verlaten hoogvlakte.

Zweden heeft een veel vriendelijker landschap dan het ruige Noorwegen. Het ligt aan de lijzijde van het gebergte dat ervoor zorgt dat het in Bergen, Noorwegen, zo’n 250 dagen per jaar regent. Dat is dus die stad waar de tv serie over speurder Varg Veum zich afspeelt en deels is opgenomen. In Zweden is het dus droger en vaker zonnig, met hoge temperaturen van een landklimaat in de zomer.
Dat naargeestige dat je ziet in de Zweedse krimi’s heb ik er niet gemerkt, misschien omdat ik er voornamelijk in de zomer was. Hoewel in je eentje in een stuga op een verder verlaten camping langs de snelweg kamperen ook niet echt een vrolijke bedoening is, al was het maar voor één nacht.
Toen ik voor de eerste keer in Zweden was, was er nog geen Øresundbrug. We gingen met de boot van Frederikshavn (Denemarken) naar Göteborg (Zweden) (een drama op zich omdat we een uur of drie moesten wachten voor we door de douane konden). Toen ik later de grens moest passeren, koos ik steeds voor het veer tussen Helsingborg (Zweden) en Helsingør (Denemarken), omdat je op de veerboot wel even wat kunt uitrusten met wat te eten en te drinken en op de brug niet (en de prijs van de overtocht en de tol voor de brug is hetzelfde). Dus heb ik de spectaculairste locatie van een Scandinavische tv-thriller gemist: Broen (Deens) of Bron (Zweeds), beter bekend als The Bridge.
Denemarken is op zijn eigen manier spectaculair. Het lijkt zo’n onschuldig land, met maar weinig echte Deense thrillers, en als het Deens is, dan vooral in en om Kopenhagen (København). Hoewel dat weinig zegt, want het van het rockfestival bekende Roskilde is gewoon met de “metro” vanuit Kopenhagen te bereiken. In dat Roskilde heb ik nog enkele benauwde ogenblikken meegemaakt in zo’n oude Vikingboot, want het leek de mensen die mij hadden uitgenodigd voor zo’n zeiltochtje geen probleem om met een windkracht van een Beaufort of 6, 7 het fjord op te gaan. Nou, dat hebben we geweten: pijlsnel vertrokken naar het noorden, maar terugkomen was een ander verhaal. Met zes man roeien had als enige effect dat we tenminste niet verder aan lagerwal raakten. Uiteindelijk zijn we door een motorsloep van het Vikingschipmuseum gered uit onze hachelijke situatie. Je zou er een thriller over kunnen schrijven.

Die Denen zijn sowieso een beetje raar. Vroeger was Denemarken veel groter, heel Zuid-Zweden (Skåne) was Deens, waardoor het erg op elkaar lijkt qua cultuur, maar ook het noorden van Duitsland was Deens, tot Hamburg aan toe. De Duitsers noemen dat Bundesland Schleswig-Holstein, de Denen hebben het echter over Zuid-Jutland. En in dat Zuid-Jutland heb ik een gruwelijk avontuur beleefd.
Ik stond met mijn tent op de Vikingcamping van Schleswig en wilde een korte wandeling maken om enkele van de runenstenen (replica’s) van Hedeby (Haithabu, de archeologische site van een belangrijke handelsstad uit de Vikingtijd) te bekijken. Die archeologische vindplaats lag tegenover de camping, dus de weg over en gaan wandelen. Fraaie runenstenen, dat wel. Ze stonden op de plaats waar ooit de echte stenen waren aangetroffen. Een deel van de Vikingstad Haithabu is als archeologisch park gereconstrueerd, een soort Archeon. Het was al dicht, want het was al wat later op de dag. De schemering viel in. Toch wilde ik de voor mij laatste runensteen in het gebied, de meest zuidelijke, ook nog zien. Toen ik daar aankwam, hoorde ik een uiterst merkwaardig geluid. Een soort gejank, maar dan heel erg luid. Het was bijzonder angstaanjagend, omdat ik geen idee had waar dat geluid vandaan kwam. Tegelijkertijd zag ik dat het tijd was om terug naar de camping te gaan. Ik kon dezelfde weg teruggaan, of via de andere oever van de baai. Ik besloot de andere oever te nemen. Dat gejank -misschien was het een sirene? Maar voor welke ramp?- ging me wel op mijn zenuwen werken, dus het traject door het verlaten moeras legde ik best vlot af. Inmiddels werd het ècht donker. Voor mij lag het pad terug naar de camping, dwars door het bos. Waar in het moeras de vale lucht nog voldoende licht had gegeven, was daar in het bos geen sprake meer van: het bladerdak hield al het schemerlicht tegen en verzonk de omgeving in diepe schaduwen. Het was te laat om terug te keren. Ik moest verder door dat bos. Ik zag bijna geen hand voor ogen, letterlijk, als ik mijn hand voor mijn ogen hield, zag ik slechts een vage grijze schim van een hand. Dat janken ging ook maar door, en de stiltes ertussen waren onheilspellend. Ik was erg bang, vooral dat ik zou vallen op het voor mij onbekende pad en dan hulpeloos alleen gewond de nacht in moest gaan. Mobiele telefoon? Lag in de auto op te laden, dus ik kon niemand bellen (en wie zou ik hebben moeten bellen? Het was geen smartphone, dus geen idee wie ik in Zuid-Jutland kon bereiken voor hulp). Ik had alleen een fototoestel mee. Geen zaklamp. Gelukkig viel ik niet, hoewel de bosbodem er onregelmatig genoeg voor was. In het duister arriveerde ik gezond en wel op de camping en genoot van een welverdiende nachtrust.

Ik las laatst over Susanna Janssons boek Offermossen (Het offermoeras). Daarbij denk ik dan aan dat naargeestige moeras van het heidense Haithabu en dat gruwelijke gejank. Ik kan me zo goed voorstellen dat daar offers hebben plaatsgevonden.
Dat angstaanjagende gejank bleek achteraf afkomstig te zijn van de straaljagers op een vliegveld van de Duitse luchtmacht, dat ik niet zag door de bomen, maar dat heel dichtbij was.

Dus ondanks alle succesvolle Nordic Noir thrillers is Scandinavië in de zomer en het najaar lang niet zo gruwelijk als wat je vermoedt als je de thrillers op tv kijkt of de boeken leest. Zelfs de IKEA op tweede Paasdag steekt er qua horror bleekjes bij af. Geen wonder dat de schrijvers daar talloze seriemoordenaars aan de werkelijkheid toevoegen. Je moet wat als je woont in een omgeving waar nooit echt iets gebeurd.

Naar welk gruwelijk oord voerde jouw vakantie je dit jaar?

Eigenlijk wil ik ooit nog eens naar Engeland, maar gezien het aantal moorden dat alleen al in Causton, Midsomer wordt gepleegd, lijkt me dat levensgevaarlijk!