Posts tonen met het label jack schlimazlnik. Alle posts tonen
Posts tonen met het label jack schlimazlnik. Alle posts tonen

zaterdag 22 september 2018

Hardware en het raadsel van de verdwenen column door Jack Schlimazlnik


Wie mij hier en daar op internet volgt, weet dat voor mij het afgelopen jaar nogal hectisch was. In augustus 2017 vierde ik nog het twaalf-en-een-halfjarig jubileum bij de zaak, begin december nog gevolgd door een etentje met de directie, en de week voor kerst kreeg ik te horen dat mijn functie werd opgeheven wat effectief betekende dat ik per direct op straat stond - gelukkig wel met een flinke zak geld en met salaris tot april.

Jammer, want het was goed werk, lekker schrijven, en ondertussen inspiratie voor minstens twee thrillers die er misschien ooit nog komen. Dat schrijven deed ik uiteraard op een laptop van de zaak, die ik ook gebruikte om te controleren of de teksten die ik op mijn Macs schrijf wel goed geconverteerd werden naar Word voor Windows. Plus dat ik dan een woordentelling had die overeenkwam met die van degene naar wie het manuscript moest, want Word is tegenwoordig gewoon de standaard in schrijversland.

Nu had ik, dacht ik, op die zakelijke laptop ook een column voor Thrillerlezers geschreven. Sowieso had ik alle privé-bestanden van mijn zakelijke laptop gehaald, en daar uit de Cloud en van de servers gehaald. Een hele klus, 30 GB aan bestanden die ik niet zomaar even op een stickie kon zetten of op dvd kon branden, door de beveiliging (bitlocker, bah!) kon ik niets van de laptop op een externe opslag zetten. Dus alles in zip-bestanden gezet en dan via WeTransfer het internet op, en dan thuis alles ophalen met een privé-laptop. Ben er een paar avonden zoet mee geweest. Vlak voordat ik de laptop in moest leveren, heb ik alle bestanden die er nog op stonden weer via WeTransfer verplaatst. Daaronder dus die column, waarschijnlijk.

Ik heb hier een half hardware museum staan. Ik begon te schrijven, ooit, jaren ’70, op de schrijfmachine van mijn ouders en later op de elektrische schrijfmachine van mijn ouders. Toen ik op kamers ging, kocht ik een eigen elektrische schrijfmachine, die heb ik nog steeds, maar ik gebruik hem niet meer.

Op de universiteit moesten we een stuk schrijven over stadsvernieuwing in Amsterdam. Dat moest op de computer van de docent, in WordPerfect. Het duurde even voor de schrijvers van de groep doorhadden dat het bij opslaan de bedoeling was dat je het oude bestand overschreef - de standaardvraag bij opslaan in WordPerfect is immers: wilt u het bestand xxxxxxxx.xxx overschrijven? Dat wilden ze niet, bang als ze waren daarmee hun werk teniet te doen. Dus zaten we aan het einde van de week met tientallen stukken over stadsvernieuwing, in variërende stadia van gereedheid. Dat is ook ongeveer de manier waarop je verzuipt in teksten als je steeds een back-up maakt en daar niet verder aan werkt. Kees van Kooten heeft daar ooit nog een stuk over geschreven in een van zijn Modermismen-boeken, alleen werkte hij toen niet digitaal waardoor hij een hele iglo aan hard-copy had.

Afijn, ik was wat huiverig voor WordPerfect geworden. Gelukkig zat ik op een kunstzinnige faculteit, dus kwam er een Macintosh Classic voor de studenten. Dat was werkelijk geweldig, daar kon je veel intuïtiever mee uit de voeten dan met WordPerfect. Alleen jammer dat je er verder niet zo heel veel mee kon, en dat op mijn bul staat dat ik dingen heb gedaan als stedebouwkundige informatica of zoiets, alleen kwam daar geen computer bij kijken, zoiets als kunnen zwemmen op het droge en toch je zwemdiploma halen. Voor het zware rekenwerk (digitaal tekenen) moesten we zelfs naar het rekencentrum van de TU.

Tijdens mijn tijd in Duitsland had ik mijn elektrische schrijfmachine meegenomen. Die printte met inktlinten, een soort plasticfolie. Helaas waren die linten moeilijk te krijgen. Ik kocht ze van het merk Pelikan, en nu wil het toeval dat ik in Hannover studeerde en dat de Pelikan-fabriek in Hannover is gevestigd. Daar ben ik dus eens een kijkje gaan nemen. Er was daar geen outlet of iets dergelijks. Voor de fabriekspoort was wel een vijver met pelikanen. Dat met die leeslinten was wel een drama, naast dat ze moeilijk waren te krijgen waren ze peperduur (naar studentenmaatstaven: 5 gulden of zo) en ik kon er maar een pagina op 20 mee schrijven. Vandaar dus dat die schrijfmachine hier nu stof staat te happen.

Daarna moest ik aan mijn afstudeerscriptie beginnen. Hiervoor kreeg ik een computer te leen met het gevreesde WordPerfect. Het schrijven daarin ging echter boven verwachting goed. Naast mijn scriptie schreef ik er ook korte verhalen op en het begin van een roman, plus een achttal korte delen van een thrillerserie. Die computer moest na mijn afstuderen helaas weer terug, ik had echter alle teksten op een diskette gezet.

Tijdens mijn eerste baan kocht ik mijn eerste (tweedehands) computer, een Tulip. Hierop werkte ik verder aan mijn roman, in WordPerfect. Ik begon hem wel te knijpen want die tekst groeide en groeide en paste al niet meer op een 720 kB diskette, en maar net op de 1,4 MB-diskette. Gelukkig kwam er toen de pc-privé-regeling, waarin het bedrijf waar je werkte een computer voor je kon kopen op kosten van de belastingdienst of zo. Dat werd mijn eerste echte nieuwe computer, en ik koos een iMac, die toen hartstikke nieuw was (een rev. B. in Bondi Blue, voor de liefhebbers). Ik moest er een externe diskettedrive bij kopen (een Superdisk-drive), want de iMac had geen eigen diskettedrive, alleen een cd-lezer. Het omzetten van de Word Perfect-bestanden lukte wel, maar de diskettes met Mac-bestanden die ik nog had van de universiteit, die waren niet compatible. Gelukkig had ik een vriend met een oudere Mac die de bestanden naar min of meer leesbaar formaat kon omzetten. Helaas niet alles, ik ben toen wel wat teksten kwijtgeraakt (twee scripties).

Die iMac was fijn en ik schreef in ClarisWorks. Ik kocht niet veel later een iBook, een laptop, zodat ik ook op reis kon schrijven. Daarna een MacMini, waar ik nog steeds op schrijf, nog steeds in ClarisWorks dat in de loop der jaren AppleWorks ging heten. Een nieuwe MacBook volgde. Toch bleef het steeds lastig om de bestanden van de ene naar de andere computer over te hevelen. Om nog maar te zwijgen van de ordners met verhalen die ik heb staan en die nooit zijn gedigitaliseerd. Slechts één langer verhaal heb ik een keer helemaal overgetypt, geen idee waar ik de tijd vandaan haalde. Ook ben ik een keer een verhaal kwijtgeraakt, dat ik toen uit mijn hoofd nog maar een keer schreef. Ben je net klaar, vind je het terug, zul je altijd zien.

Terug naar begin 2018. Ik had dus een MacBook, die ik vooral op vakantie gebruik, ik had een MacMini, en een laptop van de zaak. Van de oprotpremie kocht ik behalve mijn scooter ook een nieuwe laptop, dit keer een HP met Windows en ik kocht er gelijk een professionele “on premise” versie van Office bij. Het doel was om daarmee professionele service te kunnen verlenen als redacteur of zo, mocht ik op korte termijn geen werk vinden. Min of meer helaas vond ik wel nieuw werk, en ik wil er niet over klagen, maar het is geen schrijfwerk en het slokt veel tijd en energie op. Vandaar dat ik geen tijd had om op zoek te gaan naar de column die ik voor Thrillerlezers had geschreven en die mogelijk op een stickie stond, of nog ergens op de MacMini, of had ik hem in de Cloud gezet, met OneDrive, of zat het verstopt in een zip-bestand? Geen idee!

Nu ben ik niet zo handig met de Verkenner van Windows (die moet je gebruiken om bestanden te zoeken, niet de zoekfunctie - ik snap er niks van, noem het dan niet zoekfunctie). Ik ben natuurlijk die Macs gewend. De zoekfuncties van de Mac waren aanvankelijk ook niet je-dat, daar is pas met Spotlight verandering in gekomen. Het gevolg was dat mensen aparte zoekprogrammaatjes gingen programmeren en die kreeg ik dan weer via het tijdschrift MacFan op cd. Zo heb ik ooit eens het zoekprogramma Sherlock geïnstalleerd. Zoiets heb ik nodig voor Windows, want die vindt bestanden niet als je gaat zoeken op een deel van een woord dat in de tekst staat, en details van bestanden die wel gevonden worden kun je niet zien.

En zo kon het dus gebeuren dat een column die ik schreef hiding in plain sight was. Net als in een verhaal van Edgar Allan Poe. Het stond gewoon tussen andere bestanden op nota bene de desktop. En geen enkele zoekopdracht met de Verkenner bracht het bestand boven water.
Ik heb grote bewondering voor de mensen die bij justitie, bij de politie of bij het forensisch instituut of iets dergelijks, bestanden op in beslag genomen computers naar boven kunnen halen. Ik wist tenminste dat ik die column had geschreven en dat die toch èrgens moest zijn, en die mensen gaan naar iets op zoek waarvan ze helemaal niet weten dat het er is. Benieuwd wat die voor zoekprogramma’s gebruiken bij hun werk, ik heb een vermoeden dat het niet de Windowsverkenner is!

zondag 15 april 2018

Ontsnapt! door Jack Schlimazlnik


Op de Facebookpagina van Thrillerlezers ging het recent over escape rooms. Dat zijn ruimtes waar je met een groep personen binnen een bepaalde tijd uit moet zien te ontsnappen door het oplossen van raadsels en puzzels. Het is populair als teambuildingsuitje, en tegenwoordig blijkbaar ook als prijs bij wedstrijden, al maakt het idee “opgesloten zitten met Nathalie Pagie” natuurlijk extra indruk. Als teambuilding had ik er ook aan mee moeten doen, maar ja, toen mijn team ging, was ik op vakantie, en dat kwam goed uit want mijn team is niet zo actief, die zitten liever te programmeren of anders op een terras te hangen met een goed glas schuimende cola. Ik inclusief.

Afijn. Heel gezellig natuurlijk als je wèl enthousiaste collega's hebt, maar dat heeft niet iedereen en dan is er nog een andere mogelijkheid: het virtueel in je eentje doen. Hoe je dat doet? Gamend op je computer.

Op mijn eerste pc, een DOS-computer, kon ik al soortgelijke spellen spelen. De namen ken ik niet meer allemaal, maar het type was "text-based game". Dat zag er dan ongeveer zo uit:

Ik typ: North

Het spel antwoord: You enter the dining room. There is a cupboard and a table. There is a door to the north.

Ik weer: North

Antwoord: The door is locked.

Examine cupboard.

There are cups in the cupboard.

Examine cups.

There is a key in one of the cups.

Take key.

You have a key.

North.

The door is locked.

Use key.

The door opens.

North.

You enter the kitchen.

Dit is een simpel voorbeeld om een idee te geven van hoe het werkt. In veel gevallen is het veel complexer en moet je goed nadenken over wat je kunt of wilt in het spel. Je vindt of krijgt voorwerpen die je op een bepaalde manier moet gebruiken, al dan niet in combinatie met elkaar, dat zijn de puzzels in het spel. Elke typefout kan een probleem zijn... De meeste keren liep ik vast en omdat ik toen nog geen internet had (het was 1995), kon ik niet spieken in een "walkthrough". Dus is zo'n escape room zonder walkthrough ook niks voor mij vrees ik...

De text-based-games zijn doorgaans ècht zo saai dat er alleen maar tekst is. Vandaar de naam. Het is ook ouderwets en wie het wel kent, heeft nu waarschijnlijk nostalgische gevoelens. Gelukkig is de ict verandert sinds 1995 en zijn er veel mooiere games verschenen die aan escape rooms doen denken... en aan thrillers.

Mijn favoriete site voor games is die van Big Fish Games. Je vindt daar spellen voor Microsoft Windows en Apple, je kunt spellen ook online spelen. Veel spellen zijn gewoon in het Nederlands. Ja, je moet de spellen kopen, maar voordat je ze koopt mag je ze één of anderhalf uur geheel gratis en zonder registratie uitproberen.

De escape-room-achtige spellen horen bij de categorie "Strategy". Veel spellen gaan als volgt: je speelt een detective die een vreemde opdracht krijgt. Je gaat in het spel ergens heen om de zaak te onderzoeken. In fraai vormgegeven decors moet je voorwerpen zoeken die je verder helpen in het spel. Soms kom je alleen aan een voorwerp door een puzzel op te lossen. Als je de dingen niet vindt, niet goed gebruikt of de puzzels niet (goed) oplost, kom je niet verder. Vandaar dat het me aan een escape room doet denken. De spellen kunnen erg verschillen in speelbaarheid, fraaiheid, gebruiksvriendelijkheid. Sommige spellen gebruiken opnamen van acteurs in plaats van getekende personen. Ook hierin zie je een duidelijke ontwikkeling, 10 jaar terug waren die games zo fraai nog niet.

Interessant zijn de games van Dark Tales, die hebben onder meer spellen die gebaseerd zijn op de verhalen van Edgar Allan Poe. Ze zijn niet zo heel erg moeilijk, bovendien is er voor de wanhopigen de hint-knop en de onvermijdelijke walkthrough. Ook hebben ze gemiddeld meer kraaiachtigen dan de beste boeken op de Thrillerlezers!-blog. Bevalt je dat niet, dan kun je een van de tientallen andere strategy-games zoeken (en anders kun je in de categorie Match3 Candy Crush-achtige spellen vinden). Voor elck wat wils dus.

Toch ben je wat beperkt in wat je kunt doen in zo'n game. Het is geen open wereld, zoals bij Grand Theft Auto voor de Playstation. Je moet, net als in een thriller, de plot volgen, de volgorde aanhouden die een ander heeft bedacht. Je komt pas in de volgende ruimte als je eerst de raadsels en puzzels van de vorige ruimte hebt opgelost.

Ik noem Grand Theft Auto, omdat ik dat weleens bij mijn broer heb gespeeld, ik heb zelf geen Playstation. In dat spel loop je vrij rond in een redelijk grote ruimte (het is in de nieuwste game een hele stad met wat platteland en natuurgebied eromheen). Het is geen escape room-achtig iets, je kunt bijna overal naar binnen. Je moet vechten en auto's stelen en stunten met die auto's. Daar hou ik niet zo van, want ik ben niet zo goed met het gamen met een controler. Die eerdergenoemde games van Big Fish zijn heel simpel met de muis te bedienen, daar heb je geen extra motorieke vaardigheden voor nodig. Ongetwijfeld zitten er tussen de honderden spellen voor de Playstation ook thrillerachtige spellen.

Dat idee van een grote virtuele ruimte waarin je je gang kunt gaan, vind je uiteraard terug in Second Life. Second Life bestaat uit zogenaamde sims, waarop mensen iets hebben gebouwd. Soms zijn sims aan elkaar gekoppeld en heb je grote steden waar je doorheen kunt lopen, zoals New Babbage (een steampunk stad). Er zijn bedrijven die spellen organiseren in zo'n sim, waarin je dan een detective of zo speelt.

Ik speelde laatst in Second Life het spel The Ghost Town van MadPea. Je speelt er iemand die de geesten van vermoorde mensen moet fotograferen, zodat hun ziel wordt verlost. Hoe de mensen zijn vermoord, lees je in een boek (ja, Second Life heeft ook boeken!). Beetje horror dus, maar met een positieve insteek. Je kunt vrij over de sim lopen. Je kunt het alleen doen, maar ook met anderen met wie je kunt chatten. Je krijgt naast je gewone Second Life uitrusting een HUD (Head Up-Display), waarmee je de game bestuurt. Als je alles goed doet, vind je een sleutel en open je een deur om je beloning op te halen. Klinkt misschien vaag... dus heb ik een video gemaakt om een indruk van dit spel te geven:  klik voor filmpje



Er zijn nog meer mooie plaatsen in Second Life met soortgelijke spellen. Voor sommige moet je betalen, want het is niet goedkoop om een sim te beheren (ik dacht iets van $250 per maand).

Dus voor wie claustrofobie heeft of een echte escaperoom niet ziet zitten: mogelijkheden genoeg om al puzzelend uit virtuele ruimten te ontsnappen!

zondag 11 maart 2018

Column Jack Schlimazlnik


Misdaad in de machine

Het is laat. Het kantoor is vrijwel verlaten. Ik ben nog aanwezig om te wachten tot een computerprogramma klaar is met wat het moet doen. Het is eind jaren '90, eerder die dag heb ik nog enkele tientallen diskettes ombeurten in een pc geschoven om Windows95 en de Office Suite te installeren. Ik kijk hoe het er voorstaat met mijn printerwachtrij, waarin ik kan zien of het rekencentrum al is begonnen met het printen van facturen. Ineens zie ik een patroon. Mijn printerwachtrijen hebben de namen MB1 en MB2 (Mijn Bedrijf, ik fingeer de naam even), is het dan niet logisch dat onze concurrent (Concurrerend Bedrijf) minstens de wachtrijnaam CB1 gebruikt?

Ik typ het in. Ik verwacht dat ik om een wachtwoord word gevraagd, maar nee... ik zie ineens de facturen van de concurrent voor me staan, naam- adres- en rekeninggegevens van hun klanten, plus nog wat gegevens over waar zij op een bepaalde tijd waren met welke auto. Het is natuurlijk niet de bedoeling dat ik dit zie. Ik besef ook dat wanneer de concurrent op hetzelfde idee komt, zij bij de facturen voor onze klanten kunnen komen. Dat is al helemaal niet de bedoeling, dat gaat in tegen de Wet Persoonsgegevens.

Ik tril ervan. Ik krijg een soort high. Ik weet dat ik die nacht niet kan slapen, euforisch fiets ik naar huis. Ik heb iets gedaan waarvan ik niet dacht dat ik het kon. Ik heb iets gedaan dat feitelijk niet mag.
Hierop besluit ik zo spoedig mogelijk mijn leidinggevenden in te lichten, de volgende dag. Het kost nogal wat moeite hen ervan te overtuigen dat ze het rekencentrum moeten inlichten, dat die de printerwachtrij beter beschermden, of autoriseerden zoals dat heet.

Het is een simpel voorbeeld van hoe iemand zonder al te veel technische kennis kan "hacken" en "veiligheidslekken" in de software van anderen kan aantonen. Ik weet niet wat ik allemaal met die facturen had kunnen doen als ik kwaad had gewild, iets als adressen gebruiken en een aanmaning sturen met het verzoek het bedrag op mijn rekening te storten ligt voor de hand. Sowieso horen de adres- en rekeninggegevens van derden niet inzichtelijk te zijn voor zomaar mensen van zomaar een ander bedrijf.

Mocht je hierover bezorgd zijn, lezer, sinds die tijd zijn de wetten aangepast en als klant/burger heb je nu veel meer rechten om jouw gegevens te beschermen. Als je er meer over wilt weten, lees dan over GDPR (General Data Protection Regulation) of in goed Nederlands AVG (Algemene Verordening Gegevensbescherming).

Het hacken of andere cybercrime is een aparte tak van sport binnen de thrillers. Aanvankelijk leunde dat genre dicht tegen sciencefiction aan. Ik heb talloze zogenaamde "cyberthrillers" gelezen waarin de grootste onzin stond. Zoals misdadigers die data vernietigden door een beeldscherm kapot te schieten (het computergeheugen zit doorgaans niet in het beeldscherm, en schieten vernietigt zelden genoeg). Dat is niet eens sciencefiction. Veel schrijvers houden zich op de achtergrond en gebruiken de computer als een toverdoos: er gebeurt "iets" in de computer en dat heeft dan het gewenste resultaat voor de loop van het verhaal.

Nu is "technisch" hacken tegenwoordig niet zo moeilijk. Er zijn allemaal programmaatjes die je van schimmige sites kunt downloaden en ervoor kunt gebruiken. Dat is ook minder spannend om over te lezen. Als je een ècht cybercrime verhaal wilt lezen, raad ik The Cuckoo's Egg van Cliff Stoll aan (Nederlandse titel: Het koekoeksei: over krakers en computerspionage), een waargebeurd verhaal over cyberspionage. In het kort komt het erop neer dat Duitse hackers via de computers van de Berkeley Universiteit bij de Amerikaanse defensie inbreken en hun gestolen spullen in Berlijn aan de Russen verkopen. Er is een (geromantiseerde) Duitse film van gemaakt: 23 - Nichts ist so wie es scheint.

Indertijd waren er meer boeken die insprongen op dergelijke echte verhalen. Zo ging Tom Clancy de technothrillers schrijven waarbij de Net Force-serie sterk op cybercrime leunt. Daarbij pikte het genre veel op van het cyberpunk-genre, wat inmiddels ook tot een levensstijl was uitgegroeid. Voor de jeugd was er Huub Hovens met de CyberZone-serie, een aanrader voor wie denkt dat het genre voor volwassenen allemaal te ingewikkeld is - het wordt hierin allemaal goed uitgelegd. Het grappige is dat die thrillers die toen heel futuristisch waren inmiddels volkomen achterhaald zijn, want het gaat allemaal heel erg snel met de ontwikkeling van de informatica. De boeken zijn vooral met nostalgie te lezen, de cyberpunk is "de jaren '80 zoals ze nooit zijn geweest".
***
Een andere avond, hetzelfde kantoor. Ik verveel me weer een beetje terwijl ik ergens op wacht, en ga eens kijken wat onze software allemaal kan. Veel mensen gebruiken software voor zover ze die nodig hebben en interesseren zich niet voor functies waarvan ze het bestaan niet kennen of denken die functies niet nodig te hebben. Ik werk anders... ik wil weten hoe software mij nog beter van dienst kan zijn, zodat ik sneller kan werken en meer tijd heb voor leuke dingen.

Mijn ondergeschikten klagen dat de verbinding met het rekencentrum traag is. Wij zitten immers hier op afstand te werken terwijl het grote computerprogramma elders in het land staat (op wat een mainframe wordt genoemd), en daar worden ook alle gegevens opgeslagen die wij hier intypen. Alle gegevens moeten eerst naar ons, waar we het bewerken, en dan weer terug. Bij de systeembeheerder heb ik al gemeld dat het probleem deels is opgelost doordat ik het verbindingsprogramma dubbel heb opgestart, zoals je in een browser twee tabbladen naast elkaar kunt hebben en in de ene kunt werken terwijl de andere iets anders doet (alleen hadden browsers toen nog geen tabbladen). Volgens de systeembeheerder kàn dat helemaal niet, maar de praktijk wijst anders uit. Kan ik nog iets vinden waarmee de "performance" van het programma en dus mijn medewerkers kan worden verbeterd? Ik kijk in wat menu's met opties. Dan zie ik iets staan waarvan ik vermoed dat ik weet wat het is, maar eigenlijk niet kan geloven wat het is: een keyboard logger.

Een keyboard logger houdt alles bij wat je intypt. Ik probeer het uit en ik zie dat het zelfs het wachtwoord dat we gebruiken opslaat, en wel in leesbare letters. Ik val bijna van mijn stoel. Ik vermoed dat niemand op kantoor weet dat die functie in die software aanwezig is. En dat is goed zo... denk ik. Ik vergeet het, tot ik ziek word en bij mijn re-integratie blijkt dat ik geen toegang meer heb tot bepaalde functies in de software die we met dat verbindingsprogramma kunnen bereiken. Zo kan ik mijn werk niet doen! Ik herinner me de keyboard logger. Zodra de collega die wèl bij de functies kan even weg is, schuif ik achter zijn computer. Natuurlijk is hij te lui om een schermbeveiliging met wachtwoord aan te zetten, dus het is een fluitje van een cent om de keyboard logger aan te zetten en ongemerkt weer naar mijn eigen werkplek te sluipen.

De keyboard logger maakt een bestandje aan. Ik zorg ervoor dat ik daarbij kan, door het op de server te plaatsen. Dat is me niet genoeg: ik schrijf een eenvoudig programmaatje dat het bestandje met daarin het wachtwoord van de server naar mijn eigen pc kan kopiëren en dan verwijdert van de server. Nee, ik ben geen programmeur van beroep, maar dit was simpel genoeg voor een leek.
Dat is natuurlijk niet zoals het hoort. Ik heb het aan mijn systeembeheerder verteld, maar die wilde niet luisteren, wat weet zo'n snotneus als ik nou van computers? Dus zo heb ik nog een tijdje doorgewerkt door met een "gestolen" wachtwoord mijn eigen inloggegevens weer voldoende te autoriseren om mijn werk te kunnen doen.

Breek me de bek niet open, het ging er van kwaad tot erger met technisch onbenul, dus ben ik bij dat bedrijf weggegaan. Maar was in mijn eerste voorbeeld het probleem nog veroorzaakt door een slordigheid van de systeembeheerder, ergens in een deel van het netwerk dat niet superbelangrijk lijkt, in het tweede voorbeeld is het een gebruikersfout van mijn collega: laat nooit je computer onbeheerd openstaan zonder het beeldscherm te blokkeren met een schermbeveiliger en daarop een wachtwoord. Dat komt heel veel voor, zodat ik na een tijdje geen zin meer had om mijn collega's te waarschuwen door hun instellingen te wijzigen als ze 's avonds naar huis waren en toch hun pc aan hadden gelaten. Malle fratsen, knalroze achtergrond, beeldscherm op zijn kop, rare plaatjes als wallpaper... Ik kon makkelijk bij hun privémail of hun salarisgegevens, ik had als hun allerlei narigheid uit kunnen halen... ik heb het niet gedaan.

Ik dacht hieraan toen ik Verbroken van Linda Jansma las. Dat gaat over een hacker die in allerlei systemen moet inbreken. Als je cybercrime interessant vindt, is het een leuk boek, hoewel de smakelijke details over hóe je inbreekt in computers er niet in staat. Jansma refereert wel aan een bepaalde techniek voor het hacken: social engineering. Dat gaat door op een bepaalde manier gegevens aan mensen te ontfutselen. De bekendste hacker die deze techniek gebruikte is Kevin Mitnick.

In The Hacker Crackdown van cyberpunkschrijver Bruce Sterling is (onder meer) beschreven hoe Kevin te werk ging en hoe hij uiteindelijk werd opgepakt. Mitnick is zo legendarisch dat er meer boeken over hem zijn geschreven, zoals Takedown van Tsutomu Shimomura en John Markoff. Uiteraard heeft Kevin er zelf ook boeken over geschreven. Hij is tegenwoordig beveiligingsadviseur. It takes a thief to catch a thief.

Jansma laat in Verbroken duidelijk zien hoe techniek het speelveld van de gemiddelde crimineel heeft veranderd. Niet alleen de politie gebruikt computers, de criminelen ook. Geavanceerde techniek maakt deel uit van elke realistische moderne thriller, al is het maar dat de meeste mensen een mobiele telefoon hebben. En die weten te gebruiken. In die wereld kan onvoldoende kennis van techniek tot je ondergang leiden. In Verbroken is het fictie, maar er is bekend geworden dat een Bulgaarse criminele bende gearresteerd kon worden doordat mensen hun gestolen iPhone gingen zoeken met Find my iPhone en al die telefoons op hetzelfde adres bleken te liggen.

Ik ben groot geworden met cyberpunk en technothrillers. Daar heb ik mijn ICT-vakkennis vandaan, hoe raar het ook klinkt. Ik vraag me af hoe slim thrillerlezers zijn geworden met moderne techniek door er simpelweg over te lezen. Kun je iets leren van thrillers, of is het te fictief of te ingewikkeld?
En wat doet nou dat plaatje van die brug bij deze column? Dat is de Hackerbrücke in München. Toen Mitnick nog gevangen was, is de brug vol "Free Kevin"-stickers geplakt. De brug is echter genoemd naar de Hacker-brouwerij en heeft van oorsprong niks met cybercrime te maken.

zondag 28 januari 2018

Nieuwe column Jack Schlimazlnik

Mr Hyde in de supermarkt
 
In de boekenkast van mijn ouders stond een klein, zwart boekje. Intrigerend. Een harde kaft, het zag er chic uit. Op de voorkant een man met een hogehoed, vrijwel geheel in een cape of mantel gewikkeld, alsof hij zichzelf wilde verbergen, zoals Dracula dat ook wel doet (en helemaal in de cultfilm Plan 9 from Outer Space van de regisseur Edward D. Wood jr.). Jaren na de eerste ontdekking las ik dat boekje: De vreemde geschiedenis van dokter Jekyll en meneer Hyde, door Robert Louis Stevenson, in het Engels bekend als The Strange Case of Dr Jekyll and Mr Hyde. Het is een klassieker die meestal onder de horror wordt geschaard, hoewel het boek begint als een whodunnit (wie is toch die hork die zich zo misdraagt in Londen?) en aan het einde blijkt dat sciencefiction verantwoordelijk is voor de vreemde geschiedenis. Voor wie het echt helemaal niets zegt, volgt hier de spoiler:
Dokter Jekyll heeft een manier gevonden om goed en kwaad in zichzelf te scheiden. Mr Hyde is de boosaardige kant van de dokter die hij soms wordt. Hyde wordt steeds kwaadaardiger en Jekyll kan hem niet meer beheersen. Er valt zelfs een dode. Om de wandaden van Hyde te kunnen stoppen, pleegt Jekyll zelfmoord. De naam Hyde spreek je uit als “hide”, als in “verbergen”, Hyde is wat in elk van ons verborgen is.
De Britse punkband The Damned beschouwde het als horror en schreef er een lied over, Dr Jekyll and Mr Hyde, op de LP The Black Album. En zo komt literatuur terecht in de muziek, en zo trok dat lied ineens mijn aandacht en dacht ik: hé, een blog!
 
Wie mij volgt op Facebook, heeft gezien dat ik een “open dossier” met de titel Writer’s Block aanprees van de stripreeks Cor Morelli (geschreven en getekend door rechtbanktekenaar Aloys Oosterwijk) dat in Eppo nummer 1, 2018 stond. Dat verhaal gaat over een schrijver die met iets te maken krijgt waar de meeste thrillerschrijvers waarschijnlijk weleens een gedachte over hebben gehad: wat gebeurt er als de autoriteiten je zoekgeschiedenis inzien en denken dat je een misdaad aan het voorbereiden bent? Vooral als inlichtingendiensten weer eens aankondigen nauwkeuriger naar terroristen te gaan zoeken via internet komt die zorgelijke gedachte weleens voorbij, ook via social media. Is het wel zo slim om te zoeken naar semtex, bom, aanslag, anarchist cookbook?
Omdat de meeste thrillerschrijvers zelf geen moordenaars zijn en het overgrote deel zelf niet met misdaden als moord, afpersing, vergiftiging, marteling, bomaanslagen, ontvoering in aanraking komt, moet er research worden gedaan. Deed je dat pakweg 30 jaar geleden nog redelijk anoniem in de bibliotheek, tegenwoordig doe je dat op je computer, via internet. En dat laat sporen na. De schrijver heeft in zijn zoekgeschiedenis en research aantekeningen een soort Mr Hyde van zichzelf geschapen als je er van buiten naar kijkt, zoals inlichtingendiensten dat doen.
Nu geloof ik dat de meeste thrillerschrijvers aardige mensen zijn. Dat blijkt tenminste uit de meet&greet-verslagen elders op deze site. Dat, of die schrijvers tonen hun Dr Jekyll-kant als ze met hun fans op de foto gaan, want het is afschrikwekkend als je met het bloed van de vorige meat&greed nog langs je kin druipend moet opkomen voor de signeersessie incluis fotoshoot met de fans. Dan is er een grote kans dat je verkopen kelderen bij een toenemend gebrek aan verse fans. Laat ik dat voorlopig uitsluiten, zodat er vannacht ook nog kan worden geslapen.
 
Toch kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat veel schrijvers, en met name thriller- en horrorschrijvers, hun asociale en sadistische kant, hun Mr Hyde, de vrije hand geven als het om schrijven gaat. Je kunt je als schrijver op een heel andere manier presenteren als je fictie schrijft, met name als het speculatieve literatuur is. De lezer weet toch wel dat het niet echt is.
De truc is natuurlijk om het verhaal zo te schrijven dat het net echt lijkt, en dat de lezer in het verhaal wordt meegesleept en op de juiste plekken hartkloppingen krijgt. Pas als het boek uit de trillende vingers valt, zal de lezer zichzelf geruststellen: het is niet echt, relax, het is maar fictie.
Over lezers gesproken: die hebben ook hun Mr Hyde-kant. Zeker in de moderne literatuur is het voor lezers belangrijk dat het verhaal herkenbaar is en dat ze met de hoofdpersoon kunnen meeleven. Nu zijn moordenaars als hoofdpersoon misschien niet erg geliefd, maar via de andere personages, de speurneuzen, de getuigen, de schouwarts, kunnen ze er toch met hun neus bovenop staan (en goddank is het maar een boek, want je wilt niet met je neus bovenop het werk van de schouwarts staan als ik mijn research mag geloven). Alle gruwel wordt voor je gepresenteerd, je kunt er in zwelgen zoveel je wilt. Natuurlijk kan een boek je ook over andere grenzen heen helpen: Vijftig tinten grijs zal beslist niet alleen door BDSM-liefhebbers zijn gelezen, stiekem zwijmelen en wellustig kwijlen bij een romanfiguur terwijl je keurig getrouwd bent is er ook een.
 
Er zijn schrijvers en andere artiesten die nog een stapje verder gaan. Die creëren werkelijk een soort “Mr Hyde”, hoewel die niet per se kwaadaardig is. Dat gaat veel verder dan een pseudoniem, want dat is slechts een schrijversnaam, de nom de plûme. Genoeg schrijvers die dat pseudoniem uitsluitend als marketing gebruiken, want dan lees je op de achterflap: Jill C. Harler (pseudoniem van Bep de Vries en Klaas Jansen). Anderen gebruiken een pseudoniem om min of meer anoniem te blijven, om hun dagelijkse werkzaamheden te scheiden van hun schrijverschap (of een andere schrijfcarrière te scheiden van een nieuw genre).
Nee, de echte scheiding ligt in het scheppen van een nieuw personage. De artiest neemt dan een geheel andere identiteit aan, niet alleen om ermee naar buiten te treden, maar ook om met die identiteit het scheppend werk te verrichten. Het personage onderscheid zich van een alter ego, het alter ego is slechts fictief. Bekende personages in (vermoedelijk) die zin zijn Ziggy Stardust en The Thin White Duke (beiden personages van David Bowie). Vanuit het personage, met een geheel andere mindset, werd die muziek gemaakt die Bowie een geheel nieuw geluid gaf.
 
In de literatuur ken ik niet direct voorbeelden van zo’n personage, maar Elena Ferrante zou er een kunnen zijn. Ferrante is de schrijfster van De geniale vriendin (2013) en de vervolgen daarop (de Napolitaanse romans). Degene die achter dit personage schuilging, hield haar identiteit goed verborgen en gebruikte de nodige trucs om onbekend te blijven. Zo volgde op een onthulling van “de echte naam” een bekentenis “ja, ik ben Elena” door iemand anders dan de schrijfster zelf - een bewust rookspoor. De werkelijke schrijver, die eerst halsstarrig ontkende Elena te zijn, is men uiteindelijk door tekstanalyse op het spoor gekomen. De vraag is of door die ontmaskering Ferrante nog wel kan schrijven, is dit personage niet kapot gemaakt? Kan de schrijver nog in haar huid kruipen om soortgelijke verhalen te schrijven? Durft die schrijver zijn Mr Hyde nog los te maken van zijn Dr Jekyll om dat te doen wat Jekyll niet kan, wil of durft nu die Jekyll bekend is gemaakt? Wat betekent het eigenlijk voor de lezer om te weten dat Elena niet Elena is, lees je het boek dan anders en in hoeverre doorkruist dat het artistieke idee van de schrijver?
 
Een personage geeft een schrijver de mogelijkheid om in een soort ritueel een Mr Hyde te worden, iemand die hij gewoonlijk niet is. Ik schrijf hier bewust “ritueel”, want het is iets dat je ziet in het sjamanisme. De sjamaan koppelt ritueel de geest los van het lichaam en kan het lichaam openstellen voor de geest van een ander, bijvoorbeeld een overledene. Ook heeft de geest van de sjamaan het nodig zich los te koppelen om elders wijsheid te halen. De psychiatrie heeft hier een fraai woord voor: psychose. Wat niet ongebruikelijk is als je van de vliegenzwam of de doornappel snoept (als je er niet dood aan gaat - don’t try this at home).
Gelukkig hoeven lezers en schrijvers geen gevaarlijke zaken te nuttigen om zich te kunnen verplaatsen in een ander.
 
Helemaal in het begin van dit blog noemde ik Plan 9 from Outer Space. Het was de bedoeling de aan lagerwal geraakte acteur Béla Lugosi in die film (alweer) te laten optreden als een vampier of ghoul. Helaas was Lugosi al overleden voordat de opnamen begonnen en anders dan in zijn bekendste rol, Dracula, volgde geen herrijzenis. Door het gebruik van oude opnamen werd hij alsnog in de film gemonteerd, maar er was onvoldoende beeldmateriaal. Daarom moest Tom Mason die rol spelen. Mason leek helemaal niet op Lugosi en loopt de hele film met zijn cape voor zijn gezicht. De film wordt niet voor niets een van de slechtste aller tijden genoemd.
De regisseur, Ed D. Wood (1924-1978) kreeg in 1994 zijn eigen film. Johnny Depp speelt Wood. Interessant in de film met Depp is hoe de travestie van (de heteroseksuele) Wood in beeld wordt gebracht: als Wood het allemaal niet meer ziet zitten, trekt hij vrouwenkleren aan (een iconisch pluizig roze vest met name) om vanuit dat personage tóch verder te gaan met zijn film. Dr Jekyll, Mr Hyde, of Mrs Hyde.
Over de thema’s travestie en transseksualiteit maakte Wood een van zijn eerste films: Glen or Glenda? (1953). De film maakt duidelijk dat de (al dan niet tijdelijke) verandering van “Jekyll” naar “Hyde” voor sommige mensen een noodzaak is - voor Wood betekende “Hyde” dat hij met vrouwelijke kleding en make-up veel extravaganter en comfortabeler kon zijn dan als de keurige en saaie Jekyll.
 
Terug naar de thrillers. De thriller wordt niet heel serieus geworden in boekenland, ondanks hoge verkoopcijfers. Toch geeft literatuur als thrillers (en fantasy, horror, sciencefiction en dergelijke) een schitterend doel om de Mr Hyde los te weken van de keurige Dr Jekyll-kant van de lezer, om hem te plaatsen in gruwelijke omstandigheden die hij in het echte leven niet tegenkomt. Escapisme noemt men dat. Het kan een noodzaak zijn om af en toe je Mr Hyde los te laten, om wat verborgen is aan het oppervlak te brengen. Zolang Dr Jekyll Hyde de baas is, is er niets aan de hand - en een boek kun je altijd dichtslaan, toch? Toch?! (door verschillende uitlatingen van leden van de Facebookgroep heb ik de indruk dat dat wegleggen van een thriller niet altijd zo makkelijk gaat en de Mr Hyde de overhand dreigt te nemen).
Maar in hoeverre neemt de Mr Hyde het over bij de schrijver? Ik kan dat niet invullen voor andere schrijvers, maar ik zie op social media wel schrijvers die zich helemaal vastgraven in research. Onderzoek en achtergronden bestuderen die volkomen uit de hand lopen. Hoeveel moet je echt weten om er overtuigend over te schrijven? Is dat doorgaan met dat onderzoek naar fascinerende zaken niet een trekje van je Hyde om te zwelgen in zaken die je keurige Jekyll nooit zou doen? Kun je nog wel tijdig terugkeren naar je Jekyll?
 
Natuurlijk zie ik het ook terug in boeken. Bij een thriller is het vrij logisch dat er gruwelijke dingen gebeuren, een of meer moorden is min of meer de standaard.
Waar je bij een simpele Baantjer nog het menselijke ziet, zijn moderne thrillers veel gruwelijker. Dat geldt misschien niet eens voor de slachtoffers, want die zijn gelukkig dood en lijden dus niet meer, maar je ziet steeds meer dat hoofdpersonen ook weinig bespaard wordt, en die moeten een hele serie overleven met gevaarlijke werkzaamheden en daarbij een vaak dramatisch privé-leven. De getroebleerde speurder met een voorliefde voor sterkedrank is ingeruild voor een speurder met een duister verleden dat hem blijft achtervolgen, met psychische problemen daardoor, en gevolgen als een slecht liefdesleven met mishandeling en onderdrukking als het even kan, kinderen die sterven of op zijn minst niet deugen, behoeftigen in de familie die aandacht nodig hebben en destructief zijn. De Cock raakt nooit (levensgevaarlijk) gewond, maar voor de moderne speurder is dat bijna routine. Het lijkt nooit op te houden voor sommigen.
Scheppen de schrijvers er genot in om hun hoofdpersonen zo te laten lijden? Is het hun Hyde die dan wellustig op het klavier roffelt? En keren ze wel terug in hun Jekyll als ze van hun werkplek opstaan en even wat boodschappen gaan doen? Is hun boodschappenkarretje een reflectie van hun verdachte lijst met zoekopdrachten en duwen ze je ermee opzij als de eerste de beste hork? Wie zal het zeggen?


zondag 31 december 2017

De jaarwisseling door Jack

De jaarwisseling, dat is terugkijken. Dus neem ik je mee naar 1992. In dat jaar verscheen Radio Heartbeat. Het boek gaat over een radiostation, Radio Heartbeat, en heeft veel verwijzingen naar de muziek en andere populaire cultuur. Ik zou het boek hier niet hebben genoemd, ware het niet dat het tevens een thriller is, geschreven door Bert Hiddema. Het is voor zover ik me kan herinneren de eerste thriller die ik zelf kocht.

Ik lees Radio Heartbeat graag terug, door de vele verwijzingen naar de populaire cultuur van toen heeft dat iets nostalgisch. Volgens mij zit er een verwijzing in naar Twin Peaks, al zal ik het nog eens moeten herlezen om dat te controleren. Maar goed, zo is het met veel thrillers: ze verwijzen vaak naar actuele zaken om het "herkenbaarder" te maken, maar als je ze dan jaren later gaat lezen, krijg je het gevoel van "Oh ja, toen was dat zo, dat klopt, ja, helemaal vergeten." Het maakt dat de boeken van voor je tijd ook wat oubollig zijn, zo "van horen zeggen", ja, opoe vertelde daar weleens over dat het zo was.

Maar waar ik heen wilde, is dat ik geen "beste thrillers van 2017"-lijst heb of zoiets, omdat ik zelden nieuw verschenen boeken koop. In 2017 heb ik wel thrillers gelezen, maar die zijn voor zover ik weet niet in 2017 verschenen. Dat maakt mij verder ook niet uit, de kwaliteit van het boek gaat er niet op achteruit als je ze wat later leest. Sterker nog, het is net goede wijn: door dat patina van nostalgie worden ze net iets lekkerder.

Het heeft voor mij ook een praktische kant: oudere boeken kun je veel goedkoper krijgen. Van gratis als e-boekaanbieding van de ANWB bij Bookchoice tot in de uitverkoop, bij de beschadigde winkeldochters, in de ramsj, tweedehands her en der, of via minibibliotheken, dan wel de Openbare Bibliotheek. Soms koop ik een serie nieuw in een omnibus-pocket-versie, dat is ook veel goedkoper dan losse softcovers.

Door oude boeken te lezen kan ik dus veel meer boeken lezen dan wanneer ik mijn budget alleen zou besteden aan boeken die kakelvers op de planken verschijnen. Dan loop ik achter als het gaat om nu actuele thrillers, maar dat is voor mij als lezer niet erg.

Dat is wel sneu voor de schrijvers, want hun volgende boek is ook afhankelijk van de verkoop van het vorige. Sommige series stoppen gewoon omdat een boek niet goed verkoopt. Een van de redenen waarom het niet goed verkoopt, kan piraterij zijn: illegale verspreiding van e-boeken. Maar misschien ook wel door mensen als ik die wachten tot de prijs meer in overeenstemming is met het budget. Wat dat betreft is de boekenmarkt heel agressief geworden: als een boek in de eerste drie maanden na publicatie niet goed verkoopt, is het geflopt. Zelfs als blijkt dat de verkopen in de maanden of zelfs jaren daarna gewoonlijk groter is dan in die eerste drie maanden (dat wordt de long tail genoemd). En dus doet iedereen keihard zijn best om in die eerste drie maanden vooraan te staan en overal te liggen zodat er verkocht wordt. Je volgende boek kan er immers vanaf hangen.

Voor de bibliotheek geldt iets anders: de bibliotheek koopt die boeken gewoon èn ze dragen leengeld af aan LIRA, die op zijn beurt het geld aan de betreffende auteurs geeft (in België werkt dit iets anders had ik begrepen). Vandaar mijn Facebook-oproep eerder: als je een bibliotheekabonnement hebt voor onbeperkt lenen (zonder leengeld per boek), neem dan altijd het maximumaantal boeken mee naar huis, bij voorkeur natuurlijk van Nederlandstalige auteurs. Van elk boek dat je leent gaat immers geld naar de auteur, of je dat boek nu leest of niet. En daar maakt het ook niet uit of het oude of nieuwe boeken zijn, maar de schrijver profiteert er het meeste van als hij of zij nog leeft.

Vanaf 12 augustus 2017 heb ik nog maar heel weinig gelezen. Dat komt omdat ik druk bezig was met een thriller, en inmiddels is de eerste versie (zo'n 130.000 woorden) af. Twee alfalezers zijn er inmiddels doorheen gegaan, en ze waren enthousiast, hoewel de tekst nog moet worden bijgevijld. Dat kan ik mooi in het komende jaar doen, want naast mooie dingen (eerste prijs bij Edge Zero, tweede bij Fantastels, derde bij Trek Sagae, allemaal wedstrijden in het genre van horror, sciencefiction en fantasy) waren er ook minder leuke dingen, zoals mijn ontslag vlak voor de kerstdagen, wegens reorganisatie. Maar door het sociaal plan kan ik me de komende maanden helemaal op het schrijven storten. En op lezen. En solliciteren, maar daar heb ik minder zin in.


Ik weet dat er veel Thrillerlezers! zijn die met smart wachten op nieuwe boeken en dat al bekend is welke schrijvers een nieuw boek zullen publiceren in 2018. Ik ben gewoonlijk niet zo'n lezer die vol verwachting uitkijkt naar bepaalde boeken, ik kijk wel wat er op mijn pad komt. Er worden immers meer dan genoeg thrillers gepubliceerd, om van het aanbod aan andere boeken maar te zwijgen. Er ligt nog zoveel van vroeger om te ontdekken! Bovendien lees ik bij voorkeur geen series, want dan krijg je dat effect dat je heel erg uitkijkt naar het volgende deel, en dat komt soms niet, of later dan aangekondigd, en daar baal ik dan van (een van de redenen om te besluiten dat mijn thriller geen deel in een reeks zal zijn, maar een standalone). Dat is helemaal vervelend als de auteur is overleden. Dus laten we hopen dat de auteurs van onze favoriete reeksen ook in 2018 in leven blijven en er slechts papieren slachtoffers vallen.

maandag 4 december 2017

Massamoord op het eiland


door Jack Schlimazlnik

Ik had mij voorgenomen een bijzondere bijdrage te leveren voor de decembercolumn. Dat was een verhaal, een thriller, waarin Sinterklaas een bijzondere rol zou spelen. Het was eerst de bedoeling dat verhaal te laten verschijnen in mijn bundel Horrorwinter, maar eigenlijk is het geen horror en meer een whodunnit. De (gecompliceerde) plot is al geschreven. Het wordt een vrij lang verhaal. Wordt, ja, want dat is niet deze column. De reden daarvoor is dat die plot met alles erop en eraan op mijn schijfcomputer staat en die staat thuis, terwijl ik dacht mijn schrijftijd te kunnen nemen tijdens mijn verblijf op Terschelling. De plot is zo gecompliceerd dat ik hem niet uit mijn hoofd ken, bovendien was ik al een eindje op weg. Dus kan ik daar niet aan schrijven. En dus wordt het niet de column die ik voor ogen had.

Terwijl ik dit schrijf ben ik op vakantie op Terschelling. Zelfs met het gure novemberweer (de wind giert om het chalet terwijl ik dit schrijf) ben ik zeker niet de enige die er op vakantie is. Er is echter één groep mensen die Terschelling nog beter weet te waarderen dan de toerist, en dat zijn de Eilanders zelf. Dat uit zich in boeken over het eiland. Daar zitten natuurlijk de nodige nostalgische boeken bij en gedichten die de lof zingen over Skylge, zoals het in het Fries heet, maar ook thrillers zijn goed vertegenwoordigd. Extreem goed zelfs, want gruwelijke moorden in schitterende oorden doen het goed.

Het is me niet helemaal duidelijk voor wie die eilandthrillers zijn bedoeld. Er zijn zelfs verschillende soorten, zoals de thriller die is geschreven door de vakantieganger die zich door het vakantieoord liet inspireren, de thriller die door een local is geschreven voor toeristen, de thrillers die door een local zijn geschreven voor andere locals, en de vreemdeling die de thriller min of meer toevallig in dat oord heeft geplaatst. Welke dat je in handen krijgt, is niet altijd duidelijk. Behalve de laatste soort vallen ze allemaal onder de "regiothriller". De boeken van locals voor de locals kunnen in de streektaal zijn geschreven. Dat zou op Terschelling het Fries moeten zijn, maar die boeken ben ik helaas nog niet tegengekomen. 

Het zijn van die thrillers waarbij bekende plaatsen als plaats delict worden voorgesteld. Dat delict is doorgaans een moord. Willy Wielek schreef immers al (ooit in Trouw) dat een thriller geen thriller is als er niet minstens één dode valt. Dat blijkt al uit de titels: Bloedwraak onder de Brandaris is zo'n thriller die zich alleen op Terschelling kan afspelen. Het is een titel van Ankie Schol, vermoedelijk Terschellings productiefste thrillerauteur. Zij is tevens verantwoordelijk voor titels als Misdrijf in Formerum en Moord op het wachthúsbankje. In die laatste titel zie je het Fries terug (hús = huis).
Nou leek het mij wel aardig om eens te kijken of ik Ankie Schol zou kunnen interviewen, maar helaas woont zij tegenwoordig in Enschede en ik zit op dat eiland. Ik zit nog niet vast, zoals de vorige keer dat ik er was, toen wegens storm de boten uit de vaart werden genomen.
Het bekendste boek over Terschelling is geen thriller, maar het drama Sil de strandjutter, van Cor Bruijn. De oudere jeugd kan zich misschien de tv-serie uit de jaren '70 nog herinneren. Bruijn was echter geen Eilander en het is mij niet bekend of hij vakanties op Terschelling doorbracht. Het geeft wel het mystieke weer van een eiland, als je ergens in Nederland een afgelegen stuk land voor wilt stellen, dan kom je uit op de Waddeneilanden. 

Ik kom bijvoorbeeld Antoon Engelbertink in het Eilander-boekenaanbod tegen, de Twentse auteur die De tweede moord in Baaiduinen schreef. Dat komt heel dichtbij, want volgens mijn telefoon (de weerapp) zit ik in het gehucht Baaiduinen. Het is op het oog een typische vakantiethriller met een bekend beeld op de kaft (het Stryper Wyfke), die zich deels op het eiland afspeelt. Ik google Mariëtte Ciggaar, schrijfster van Zilte Deerne, een thriller die zich tijdens het bekende Terschellinger festival Oerol (Terschellings voor "overal") afspeelt, net als De Kabouterman van Jaap Kooistra. Of ene Aukje Schol (niet te verwarren met Ankie Schol), die dit jaar debuteerde met Nathalie, waarbij ik van de flaptekst de indruk krijg dat het de verdwijning van Natalee Holloway behelst, maar dat de plaats delict is verschoven van het tropische Aruba naar het rustieke Terschelling. Els Kerkhoven heeft met Weekend Terschelling een vakantiethriller geschreven, kijk hier (http://thrillerlezers.blogspot.nl/2015/04/wat-vindt-juul-van-weekend-terschelling.html) voor de recensie op Thrillerlezers!

Op die manier kun je heel wat tijd op Terschelling verblijven en thrillers lezen die zich daar afspelen. 's Zomers op het strand, op een bootje of op een terrasje, 's winters lekker naast de kachel terwijl buiten de storm raast en de regen je chalet geselt.

Alleen al die Ankie Schol is verantwoordelijk voor een handvol fictieve Terschellinger moorden. Dat zijn er veel meer dan echte moorden op het eiland. Ik kan slechts één moord vinden, die uit 1974 op de 8-jarige Basje, wat tevens een zedendelict was. In Baaiduinen. Mogelijk is dat waar Engelbertink zich door liet inspireren, die heeft het immers over de twééde moord in dit gehucht. Het moge bekend zijn dat het aantal moorden dat in thrillers plaatsvindt het aantal werkelijke moorden sterk overstijgt. Niet alleen op Terschelling, maar overal. Ik las ooit wat het verschil is tussen de Scandinavische thrillers en de realiteit, de cijfers weet ik helaas niet meer, maar ik dacht dat dat toch zeker in de duizenden procenten liep. De schrijvers zijn dus massamoordenaars.

Wat bezielt schrijvers om er zo lustig op los te moorden? Hoort het er gewoon bij, of is het iets anders? En hoewel in mijn verhalen ook veel doden vallen (en sommigen staan weer op), heb ik eigenlijk geen idee. Misschien is het voor thrillers zo aantrekkelijk omdat er behalve de dader geen andere getuige van de misdaad hoeft te zijn. Bovendien kun je flink graven in het verleden van het slachtoffer, want die heeft in de meeste gevallen de sympathie van de lezer, zeker in de thrillers met de mopperende oudere speurder, hoewel die tegenwoordig ingehaald worden door de minder mopperende en jongere speurster.

Er is meer te doen op Terschelling dan boekenlezen. Terwijl ik er ben en de wind over de Wadden beukt, vinden de Terschellinger Filmdagen plaats, de wintereditie. Dat houdt in dat op "vreemde" locaties (hoewel de Terschellinger bioscoop ook geen doorsnee is) een heleboel films worden vertoond. Thrillers zijn razend populair, die waren al snel uitverkocht. Daarom kwam ik terecht bij de Argentijnse film El Ciudadano Ilustre (De Ereburger). Deze film gaat over een Nobelprijswinnende schrijver, Daniel Mantovani, die na 40 jaar terugkeert naar zijn geboorteplaats Salas, ergens op de Argentijnse pampa. Hij heeft zich zijn hele leven lang laten inspireren door de mensen in Salas. Mensen in Salas denken echter dat zij werkelijk in zijn romans figureren en zijn boos over de manier waarop dat is gedaan. Dat leidt tot dramatische situaties en uiteindelijk schrijft Mantovani daar een roman over die wèl autobiografisch is.

De fictieve Mantovani is echter geen thrillerschrijver. Bij een thriller die zich op een bepaalde plaats afspeelt ontkom je er als schrijver niet aan om werkelijkheid en fictie te mengen. De kracht van de regiothriller is immers dat het zich op voor de lezer herkenbare plaatsen afspeelt. Maar horen daar ook herkenbare mensen bij? Het is veel handiger om buitenstaanders te nemen: vakantiegangers als daders en slachtoffers. Allerlei aanwijzingen, zoals "de vrouw van de bakker" leiden in een kleine gemeenschap al snel tot verdachtmakingen, zoals in die film. Vooral als er maar één bakker is - en het mysterie wordt al aangewakkerd als die géén vrouw heeft. Is het mens in de tuin van de bakkerij begraven? Opgestookt in de oven? Je weet het niet, het is fictie, maar het zou kunnen, want die bakkerij staat daar werkelijk op de hoek van de Dorpsstraat en de Kerkstraat.

Schrijven thrillerschrijvers over gruwelijke moorden alsof zij zelf van een bepaald persoon af zouden willen, maar te beschaafd zijn om dat in het echt te doen? Of gaat hun fantasie eerder uit naar een dader die zij kennen en die zij willen beschuldigen van onoorbare zaken? Het geeft wel een zekere opluchting om iemand in een verhaal op te voeren en op die manier met hem af te rekenen. Ik kan niet ontkennen dat ik dat ooit heb gedaan.

In november valt de avond al vroeg. Op en neer naar de filmvertoningslocaties rijd ik daarom door het schemerduister en het nachtelijk donker. Het is héél donker op Terschelling (als de bewolking verdwijnt, zijn er talloze sterren te zien), vooral als de snelste route een fietspad door de duinen is. Het noordelijke deel van het eiland, de Boschplaat, is zelfs het donkerste gebied van heel Nederland. Het is stil in de eilandnacht, en de eenzame fietser hangt niet kromgebogen over het stuur tegen de wind in, maar zit comfortabel op een muisstille elektrische bromscooter met windscherm om over het asfalt te scheuren. Ja, het is donker, het is eenzaam en verlaten. Overdag waren er nog wolharige oerrunderen te zien, en paarden, en zelfs wilde geiten, maar na het vallen van de avond: niets. Een perfecte locatie om een moord te plegen? Op wie dan? Er is immers niemand. Bang voor een overval ben ik hier evenmin. Waarom zouden overvallers 's avonds in het duister, in de kou, in storm en regen langs een verlaten fietspad wachten tot dat fietspad minder verlaten is? Ik heb niets van waarde bij me. En dit is een eiland: die bromscooter krijg je de boot naar Harlingen niet op zonder dat mensen argwaan krijgen. Wie die plotgaten vergeet, krijgt echter een mooi beeld van een mysterieus eiland, met donkere bossen en verlaten duinpannen, waarin van alles kan gebeuren.

Om de een of andere reden kom ik alleen in de winter op de Nederlandse Waddeneilanden. Texel en Ameland in november, Schiermonnikoog in december. Terschelling nu in november, maar ik was er ruim twintig jaar eerder in december. Ik had een studenten ov-kaart en was bij mijn vriendin in Groningen geweest. Twee dagen voor kerst ging ik vanuit Groningen nog "even" naar Terschelling, mijn eerste bezoek aan een Waddeneiland. Het was bar winterweer. Het water van de Waddenzee stond vol schuimkoppen, de veerboot golfde heftig mee. Het was al avond toen ik in de kerstelijke haven van West-Terschelling arriveerde. In een met kerstdecoratie versierde bus legde ik de paar honderd meter naar de jeugdherberg af. Op de kamer daar luisterde ik naar de radio, en hoorde dat de laatste veerboot naar Terschelling niet meer zou varen (het veer Kruiningen-Perkpolder uiteraard ook niet, maar dat was toen eerder regel dan uitzondering), wat dus ook wilde zeggen dat er geen boten terug naar Harlingen gingen. Ik was volledig afgesneden van de rest van de wereld. De vraag was of dat de volgende dag wel zou lukken. Als dat niet zo zou zijn, zou ik niet tijdig bij het Kerstdiner kunnen zijn. Spannend dus. Hoe erg de storm was, merkte ik toen ik in bed lag: de Noordzeewind beukte zo hard tegen de bakstenen gevel dat ik die voelde bewegen. Gelukkig was de wind de dag erna - de dag voor kerst- weer wat gaan liggen en waren de boten weer in de vaart.

Die vorige keer was ik naar Midsland gegaan om cranberrywijn te kopen. Veel meer dan dat stuk tussen West en Midsland heb ik toen niet van het eiland gezien. Dat moet beter deze keer. En: er is nu internet om me voor te bereiden. Internet vertelt me dat er relatief veel boekenwinkels op Terschelling zijn: drie stuks. Eén in West-Terschelling, een in Midsland en de derde is een bijzondere, in Formerum: De Boekenboer (niet te verwarren met de beruchte Texelse uitgeverij Boekenboet). Daarnaast zijn er maar liefst twee locaties die zich richten op schrijvers: de schrijfretraite in het Strandhotel en een schrijfweek bij Woorden Jutten aan Zee. Het loopt er geen storm als het stormt, de winkels zijn zo goed als verlaten als ik er kom. De toeristen hebben zich achter een lekker warm bakkie teruggetrokken in de Konditorei.

De winter is het seizoen van het spookweer. Bij het strand staan waarschuwingsborden dat de Terschellingers in het stormseizoen (november-april) de onbedwingbare drang hebben om naar het strand te gaan, vroeger met paard en wagen, nu met de fourwheeldrive. Dan rijden ze over het zand en nemen allerhande jutterswaar mee die schepen op de ruwe Noordzee hebben verloren. Die cranberries zijn ooit ook jutterswaar geweest. In december spookt het in de dorpen. Hoewel er net als elders ook Sinterklaas wordt gevierd, kent Terschelling Sunderum op 6 december. Dat is een feest waarin mensen verkleed en met wild geraas door de dorpen trekken. Niet echt iets voor buitenstaanders. Dan ben ik weer terug op het vaste land. Hoe noodlottig het kan uitpakken lees ik in een kort thrillerverhaal (in de bundel Borkumer Geschichten) over een soortgelijk feest op het Duitse Waddeneiland Borkum.

Al met al levert zo'n korte vakantie toch weer inspiratie op voor nieuwe verhalen. Maar éérst dat Sinterklaasthrillerverhaal nog afronden (en de berg andere verhalen die nog liggen te wachten voor in mijn bundel Horrorwinter, en mijn avonturenroman/thriller die op een haar na af is, en... en... ik ben hard aan vakantie toe!).

zondag 5 november 2017

Spanning en angst

Door Jack Schlimazlnik

In de Facebookgroep van Thrillerlezers! heb ik een keer gevraagd hoe dat nu zat met horror en thrillers. De grens daartussen is slechts dun en vluchtig, zoals ook te zien is in het werk van bijvoorbeeld Edgar Allan Poe en Stephen King. Thrillers zijn eerder het milde broertje van horror, de spanning is er wel, maar slaat niet om naar onversneden angst.

Ook in de psychologie gaan spanning en angst hand in hand. Iemand die angstig is, is vaak zeer gespannen. Een onderdeel van angsttherapie is het leren ontspannen van je spieren, bijvoorbeeld door de lift te nemen in plaats van de trap, lekker relaxed! Tenzij je net de film De Lift van Dick Maas hebt gezien, natuurlijk. Daarom: zonder spanning geen angst. Dus gebruikt een horrorschrijver deels dezelfde methoden als de thrillerschrijver om die spanning op te bouwen. Anders dan in de horrorfilm beschikt de horrorschrijver niet over schrikeffecten (dat heeft te maken met de manier waarop wij lezen, we lezen niet letter voor letter, noch woord voor woord, waardoor nooit iets volkomen onverwachts kan gebeuren in een zin of alinea), dus zijn daar literaire methoden voor nodig. Sfeer opbouwen, zorgen dat de lezer zich helemaal in de situatie kan verplaatsen, dat die het zich voor kan stellen daar te zijn waar het gebeurt. Althans, zo werkt voor mij de beste spanning, in horror of thriller.

Nog iets dat je leert bij angsttherapie: niet iedereen is voor hetzelfde bang. Een schrijver kan er niet op vertrouwen dat een lezer een boek eng of zelfs maar spannend vindt, daarom is het belangrijk om dat spannende (of enge) verhaal op een goede manier te vertellen, waarbij de lezer niet alleen doorleest omdat het spannend is, maar omdat het boeiend is. Het werkt daarom niet altijd om je eigen angsten (of die van een personage) als horror uit te schrijven, beter is het terug te vallen op universele angsten als de angst voor de dood, de angst voor buitensluiting en eenzaamheid, de angst voor pijn en bovenal de angst voor het onbekende. Het onbekende achter de gesloten deur is altijd enger dan het monster dat zichtbaar door de open deur komt.

Misschien is het daarom dat ik zo twijfel aan mijn horror/thriller verhaal. Als het een thriller is, is het horroreffect volkomen onverwacht, het onbekende. En als het horror is, kan het verrassend zijn dat het grote onbekende is dat het angstaanjagende niet bovennatuurlijk is. Aan de andere kant, bij echte horror kun je als lezer al heerlijk huiveren om wat komen gaat - of niet komen gaat? Als schrijver heb je echter te maken met het inlossen van verwachtingen en dat staat op gespannen voet met ècht verrassen.

Er is iets ontegenzeggelijks psychologisch aan horror lezen, want het zit tussen je oren. Als je het je niet voor kunt stellen, wordt het nooit eng, hooguit walgelijk (in sommige subgenres), en anders dan bij film heb je niks anders dan je verbeelding om tekst om te zetten in iets dat je je voor kunt stellen. Dat is ongeveer hetzelfde bij erotische verhalen. De combinatie tussen erotiek en horror is misschien daarom niet ongebruikelijk. Seks in thrillers is dat evenmin, het breekt de spanning even, zonder je uit die wereld tussen je oren te halen.

Muziek maakt een groot deel uit van de effecten in een horrorfilm. Dave Vanian van The Damned zei ooit iets als dat de meeste horrorfilms helemaal niet eng zijn onder muziek. Zelfs een stomme film als Nosferatu - Eine Symphonie des Grauens (Walter Murnau, 1922) werd in bioscopen uitgevoerd met een (klein) live orkest of met een bioscoop-orgel voor de juiste sfeer en griezelige effecten. Maar als schrijver heb je dat niet ter beschikking. Of wel?

Een opmerkelijk horrorverhaal is Doodstil van Bies van Ede. Om te beginnen was het een opvallend boek omdat Bies van Ede vooral bekend is als kinderboekenschrijver, die samen met Paul van Loon heeft samengewerkt. In Doodstil richt hij zich op een volwassen publiek. Het verhaal begint als een thriller, zo'n verhaal dat zoemt van samenzweringen. Maar naarmate het verhaal vordert, blijkt dat er iets dusdanig is misgegaan in de wereld dat de uitkomt van het verhaal pure horror is, die zich in het gehucht Doodstil in Groningen afspeelt. Maar als doorgewinterde horrorschrijver weet Van Ede dat het steeds opdrijven van de spanning niet werkt: soms moet het onderbroken worden en humor is daarbij een goed instrument. Een instrument dat Van Ede goed beheerst. Paul van Loon maakte er zijn handelsmerk van: griezelen + humor = grumor.

Grappig van Doodstil is dat Van Ede ook muzikant is en daarom een rocknummer heeft geschreven dat bij het verhaal past. Het was toen het boek werd gepubliceerd als mp3 te downloaden. Het medium was relatief nieuw, maar de combinatie van gruwelen en muziek niet.
Het komt tegenwoordig niet vaak meer voor, maar in het verleden was moord een thema voor populaire liedjes. Van de eerder genoemde Vampier van Hannover is een lied gemaakt, de kale Franse seriemoordenaar Henri-Désiré Landru kreeg een spotdicht als lied "Landru is een vrouwenmoordenaar, pak hem bij zijn haar, schudt hem door elkaar". Van moderne moorden ken ik alleen het lied Mein Teil van Rammstein, gebaseerd op het gruwelijke vergrijp van kannibaal Armin Meiwes.

In de USA is het een speciaal muziekgenre: murder ballads. Vrij recent kwamen die in het nieuws omdat stripmaker Erik Kriek er een graphic novel van maakte met een verstripping van vijf van die murder ballads. De titel daarvan is In the pines, tevens de titel van een van de bekendste Amerikaanse murder ballads. Deze murder ballad is onder meer door Nirvana uitgevoerd, onder de titel "Where did you sleep last night". Mijn favoriete murder ballad is Where the Wild Roses Grow van Nick Cave and the Bad Seeds, samen met Kylie Minogue. Dat nummer staat dan weer op een album met meer murder ballads, waarvan er één, The Curse of Millhaven, is gebaseerd op het werk van horrorschrijver Peter Straub.  En zo kun je toch nog muziek luisteren die past bij wat je leest, al zal het nooit een echte soundtrack worden.

Het is interessant om te zien hoe sommige schrijivers de muziek die zij bij het schrijven als een soort soundtrack aan de lezers proberen door te geven. Beginnende schrijvers gaan er vaak vanuit dat de muziek die zij horen bij het schrijven een sfeer opwekt en dat die op een of andere magische manier via de tekst bij de lezer beland, in elk geval de sfeer van de muziek. Maar zo werkt het natuurlijk niet.
Sommige schrijvers geven een lijstje met muziek bij het boek, dat "moet" je dan luisteren tijdens het lezen, zodat je in de juiste sfeer komt. Dat is niet helemaal mijn ding, want vaak staat er muziek in zo'n lijst die ik niet graag luister.


Als lezer heb ik het liefst stilte om me heen. Maar ik vraag me af of er lezers zijn die zelf bij een boek een soundtrack samenstellen. Ik kan me er iets bij voorstellen dat je een bepaalde playlist luistert tijdens het lezen van een boek... maar welke nummers staan daarop? Soundtracks van spannende films? Moderne muziek als pop en rock? Pompeuze klassieke muziek als Wagner?