Posts tonen met het label Columns. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Columns. Alle posts tonen

woensdag 3 augustus 2022

Column Sophie Wester

 


Writing apart together

De eerste Nicci French-boeken kwamen uit in de jaren negentig. Wat een heerlijke thrillers waren dat. En wat een verrassing was het toen bleek dat ze geschreven werden door een duo! Hoe ging dat in ‘s hemelsnaam in zijn werk, vroeg iedereen zich af. Schreven ze soms om de beurt een hoofdstuk? En hoe kon het dat je daar als lezer helemaal niets van merkte? Ook toen wij, Sophie en Ester — samen Sophie Wester — een thriller hadden geschreven, was dat de vraag die ons keer op keer werd gesteld: hoe doen jullie dat dan?
            Laten we bij het begin beginnen. In 2020 begonnen wij samen aan een tweejarige schrijfopleiding. Als docenten Nederlands met een liefde voor lezen en ontluikende schrijfambities leek ons dat leuk en leerzaam om te doen. Voordat we onze opdrachten inleverden, gaven we elkaar feedback. Zo ontdekten we al snel dat onze schrijfstijlen niet ver uit elkaar lagen en dat we beiden een voorliefde hadden voor spannende stukjes, waarin iets te raden of te rillen viel.
            Op een zonnige zaterdagochtend liepen we over de Oudegracht in Utrecht naar de locatie waar we die ochtend cursus hadden, toen Sophie zei: ‘Wij moeten eigenlijk samen een boek schrijven!’ En dat was het begin. Fragmenten werden hoofdstukken, plotlijnen werden uitgezet, personages kwamen tot leven en langzaam maar zeker kreeg ons eerste boek vorm. Het was een leerproces met ups en downs, waarbij de clichés maar al te waar bleken: personages die je creëert gaan inderdaad een eigen leven leiden en blijken soms een heel andere plotwending van je te vragen dan je had bedacht. En in dat proces moet je inderdaad af en toe je darlings killen, en dat kan best een beetje pijn doen… We konden elkaar door de lastige momenten heen slepen en als de een ergens onzeker over was, was de ander juist vol vertrouwen, waardoor we toch steeds weer verder wilden gaan.
            Wie wat schrijft, verloopt bij ons vrij organisch. En wat de een geschreven heeft, wordt door het nalezen en aanvullen sowieso overgoten met het sausje van de ander. Waar het in de praktijk vooral op neerkomt: we appen en bellen vréselijk vaak. Van ‘s morgens vroeg tot ‘s avonds laat. Want anders dan bijvoorbeeld Nicci French, wonen we niet in hetzelfde huis. We hebben allebei een partner en een gezin met jonge kinderen. En die worden weleens gek van ons oneindige gebel. We bellen elkaar terwijl de een in bad en de ander op bed ligt en we nemen zelfs de telefoon op als we op de wc zitten. Praten over de plot en de personages is leuk en inspirerend en geeft een verdieping die we in ons eentje niet zouden bereiken. Eén plus één is in dat opzicht echt meer dan twee.
            Voor ieder duo zal het samen schrijven anders in zijn werk gaan. Voor ons geldt: eerlijk tegen elkaar zijn, bereid zijn compromissen te sluiten en vooral ook veel plezier houden in het schrijven zelf. En dat plezier is er, elke dag. Want hoe bijzonder is het dat we samen een boek hebben geschreven, en dat De Crime Compagnie dit avontuur vervolgens met ons aan wilde gaan? En hoe fijn is het dat het schrijven van het tweede boek nog leuker was dan het schrijven van het eerste?
            Dus blijven wij voorlopig lekker samen schrijven! En natuurlijk hopen wij dat onze lezers op hun beurt genieten van de verhalen die we maken. Want dat is onze missie: spannende verhalen schrijven waarin je je even heerlijk kunt verliezen! 

Sophie Wester




zondag 15 mei 2022

De liegende schrijver. Guido Eekhaut.

 



Wat een prachtig beroep heb ik toch: ik mag volop liegen, en mensen keuren dat nog goed ook. Méér zelfs: ze geven me er sterren voor, vier of vijf, als het wat meezit. Ik ga dus verder met liegen, en met verzinnen, want dat lijkt mij goed mee te zitten.

            Ik lieg, omdat ik schrijver ben. Ik lieg in het bijzonder, omdat ik een schrijver ben die niet doet alsof hij de realiteit beschrijft, maar duidelijk verhalen verzint, soms zelfs verhalen die zich op plekken afspelen die niet bestaan, of gebeurtenissen beschrijven die (nog) niet kunnen. Ik lieg zelfs wanneer ik teksten schrijf die net echt lijken, die autobiografisch lijken, maar die uiteindelijk toch geheel of op z’n minst gedeeltelijk verzonnen zijn.

            Er zal wel iemand zeggen: dat is niet eerlijk. Die persoon meent dat schrijvers een soort van universele waarheid moeten verkondigen, vooral wanneer ze realistische boeken schrijven. Ik stel hen teleur: elk boek, zelfs een (auto)biografie vervormt de werkelijkheid. Schrijvers liegen altijd, meestal omdat voor de meesten onder ons de dagelijkse werkelijkheid saai is, en dus het vertellen niet waard.

            Hier en daar zijn er schrijvers die er geen behoefte aan hebben verhalen te verzinnen. Ze hebben buitengewone dingen gedaan, ze hebben echt wat beleefd, en daarover schrijven ze een boek. Ik had twee keer het voorrecht de Amerikaanse schrijver en reiziger Peter Matthiessen te interviewen. Zijn meest bekende boek is The Snow Leopard. Hierin beschrijft hij zijn tocht die hij in 1973 samen met bioloog George Schaller ondernam in een afgelegen deel van Nepal. Daar wilde hij het erg zeldzame witte sneeuwluipaard te zien krijgen. Maar Matthiessen, die pas zijn vrouw had verloren, was ook een leerling van Zen Boeddhisme en op zoek naar spirituele bevrijding. Zijn boek is dan ook zowel een tocht door de dodelijke schoonheid van Nepal als een innerlijke reis. Matthiessen zal misschien hier en daar wat details aangepast hebben, maar zijn boek is authentiek, net zoals de verschillende andere boeken die hij nadien schreef, onder andere over Amerikaanse Indianen.

            Ik had twee lange gesprekken met hem, telkens in Amsterdam, met enkele jaren er tussenin. Je zag dat hij een man was die de innerlijke vrijheid gevonden had, maar dat het hem jaren had gekost, en vele ervaringen. Hij hoefde niet te liegen wanneer hij schreef, behalve dan in zijn romans.

            De meesten onder ons kunnen echter niet op reis naar Nepal, tenzij naar een Nepal dat alleen maar in onze verbeelding leeft. Dat op zich is voor mij een van de aangename kanten van het schrijven: dat ik locaties, steden, wat dan ook mag verzinnen, ook al bestaan ze écht. Mijn meest recente boek, Spiegel, speelt in New Orleans, een stad waar ik nooit geweest ben. Ik maak haar in mijn tekst zo écht mogelijk, omdat ik al jaren over de regio lees. Ik lees over South Louisiana in de boeken van James Lee Burke, over het geweld en het racisme, en over de corruptie. Maar ook over de overweldigende maar bijwijlen dodelijke natuur. Over de moerassen, waarin lijken binnen enkele dagen verdwijnen. Over de Interbellum huizen, of de voormalige plantages van voor de burgeroorlog.

            Ik lieg dus, wanneer ik mijn personage, de private detective Wolff, in die stad laat rondlopen. Méér nog lieg ik wanneer ik de Strigoi verzin, een van de mensheid afgescheiden soort die berucht staan als vampieren, maar dan een beschaafde soort. Er komen wel meer fantastische elementen voor in de volgende boeken van deze serie, omdat ze allemaal gebaseerd zijn op de premisses van bekende sprookjes.

            De lezers van boeken zoals deze weten best wel dat de schrijver een verhaal verzint. Dat dit niet het echte New Orleans is, en dat de Strigoi niet bestaan. Maar soms verhoog ik de inzet en schrijf teksten die erg nauw aanleunen bij wat we de werkelijkheid noemen. Dat is wat grote schrijvers ook doen: niemand gelooft dat Vladimir Nabokov kan vereenzelvigd worden met het de abjecte pedofiel Humbert Humbert in Lolita. Anderzijds was Conan een soort van machtsfantasie van de trieste Robert E. Howard, een Amerikaanse pulpschrijver die op z’n dertigste zelfmoord pleegde.

            Wacht even… Wat dan met de raad die aan aspirant schrijvers wordt gegeven: schrijf alleen over wat je wéét. Waag je de dus niet op onbekend terrein, maar schrijf over dat wat je ervaren hebt. Het is mooi, maar het is onzin, zoals elke lezer van Tolkien of Lewis Carroll je kan vertellen. En elke andere lezer van die bibliotheken vol met fantastische en historische verhalen. Het leuke aan schrijven is net dat je kunt vertellen over allerlei dingen die je niet hebt ervaren, en waarover je dus zelf moet gaan lezen. Tenzij je alles gewoon verzint, zoals Tolkien en zijn leger aan minderwaardige adepten al sinds decennia doen.

            Ik ga dus lekker nog maar een tijdje verder met liegen. Het is het enige wat ik goed kan.

 

vrijdag 22 april 2022

Arjan Alberts

 

De echte beesten houden zich binnen de justitieorganisatie schuil.

 

 

Column Arjan Alberts

Auteur van Natan Z. en Alex B.

Op 14 april verscheen zijn derde boek: Anna V.

 

 

Regelmatig krijg ik de vraag of de tbs’ers in mijn boeken geïnspireerd zijn op echte tbs’ers. Om die vraag te beantwoorden neem ik jullie graag mee terug in de tijd naar het bestuursdepartement van justitie waar ik tweeëntwintig jaar geleden als jonge ambtenaar op een bijzondere afdeling begon. Complexe vraagstukken die nergens anders ondergebracht konden worden werden door deze afdeling opgepakt. Ingewikkelde juridische vraagstukken, maar ook sensitieve kwesties die om een sluwe oplossing vroegen werden daar door de departementsleiding neergelegd.

Het hoofd van de afdeling was een briljant strateeg die de buitenwereld als de vijand zag en de vijand altijd een stap voor was. Hij nam ons mee in zijn snode plannen en had er zichtbaar plezier in als hij iemand een hak kon zetten. Terugkijkend op die periode was er bij hem waarschijnlijk sprake van een persoonlijkheidsstoornis. Hij had binnen het Parket-Generaal niet voor niets de bijnaam ‘gevaarlijke gek’. Ik zie hem nog vol trots vertellen dat het wachtwoord van zijn computer verlopen was en hij na Stalin nu voor Hitler gekozen had. Tegelijkertijd was hij de vertrouweling van de absolute top binnen justitie en was zijn bureau een kweekvijver voor politieke en juridische talenten. Joost Eerdmans, Laetitia Griffith en enkele van de belangrijkste rechters in ons land begonnen hun loopbaan bij zijn afdeling. Binnen die afdeling was hij populair. Hij zorgde voor een sterk wij-gevoel en daarbuiten was alles de vijand, zelfs of vooral zijn eigen direct leidinggevende. Op een dag was hij ziedend. De directeur-generaal had alle leidinggevenden bewust beloond behalve hem. Hij noemde het zelf ‘Bewust niet beloond’ want het was al jaren een gebruik dat alle leidinggevenden standaard een bonus kregen. Hoezo klassenjustitie? Niet veel later moest de directeur-generaal het veld ruimen. Hij had blijkbaar met de verkeerde ambtenaar de degens gekruist.

 

Vanaf het moment dat ik de overstap maakte naar een andere afdeling behoorde ik ineens ook tot de vijand en ondervond ik zelf hoe manipulatief en intimiderend mijn voormalige hoofd kon zijn. Regelmatig belde hij me op omdat er iets belangrijks zou spelen en sommeerde me dan dat ik naar Den Haag moest komen om mijn afdeling te vertegenwoordigen. Zou ik dat niet doen dan zou hij de top van justitie daarover moeten informeren. Zonder uitzondering deed hij dit op vrijdag, op mijn vrije dag. Ronduit gestoord gedrag was het.

 

Toen ik enkele jaren later bij weer een andere afdeling werkte en regelmatig tbs-klinieken bezocht stelde ik mezelf voor het eerst de vraag hoe het kan dat bepaalde eigenschappen, noem het stoornissen, bij sommige mensen tot een delict en vervolgens een behandeling leiden en dat andere mensen met een vergelijkbare stoornis een organisatie kunnen besturen zonder dat die stoornis ze daarbij in de weg zit. Integendeel, juist de ziekelijke achterdocht, het manipulatieve gedrag of de zucht naar macht maakt ze zo goed in wat ze doen terwijl dat mogelijk juist (indirect) tot veel meer slachtoffers leidt dan bij die ene tbs’er. En het is precies dat thema wat in mijn boeken terugkomt. Natuurlijk zijn de tbs’ers daders en doen ze verschrikkelijk dingen, maar tegelijkertijd zijn ze slachtoffer en houden de echte beesten zich binnen de justitieorganisatie schuil. Een organisatie die ik als jonge ambtenaar heb leren kennen en waar ik dingen heb gehoord en heb meegemaakt die ik pas nu in Anna V. een plek heb kunnen geven. Ervaringen die ik heb verbonden aan andere waargebeurde schokkende gebeurtenissen in de tweede helft van de vorige eeuw.

En als ik denk aan alles wat ik weet dan zou wat zich in de fictieve wereld van Anna V. afspeelt maar zo de werkelijkheid kunnen zijn. Want de tbs’ers in mijn boeken zijn de verpersoonlijking van de (voormalige) machtscultuur binnen het ministerie van Justitie.




zondag 29 augustus 2021

Hoboken

  


Ik moest in Hoboken zijn, een stadsdeel van Antwerpen, en raakte pardoes verdwaald. Dat kan ook niet anders met zo’n naam. Er ligt namelijk ook een Hoboken in New Jersey, dus verwarring ligt in de kern al op de loer. In de Scheldestad wordt graag verteld dat de Amerikanen de naam van hen hebben gejat. Nu ja, Amerikanen; Het waren naar verluidt Europese landverhuizers die in Antwerpen-Hoboken de boot namen, in New Jersey aan land kwamen en die plek maar gingen noemen naar hun laatste verblijfplaats op het oude continent. Maar dat is allemaal flauwekul. ‘Zever in pakskes’, zoals de Antwerpenaren het in andere gevallen maar al te graag zeggen. De landverhuizers vertrokken niet in Hoboken en als ze de plek van aankomst ‘Hoboken’ zouden zijn gaan noemen, dan heette New York nu Hoboken. Waarvan akte.

 

Wat valt er verder nog te zeggen van deze wijk? Dat je hem best niet bezoekt zonder gps, bijvoorbeeld. Maar ook dat er een VIIe Olympiadestraat is, gewijd aan de zomerspelen van 1920 in Antwerpen. De Belgen haalden toen ‘toevallig’ de meeste medailles ooit. Veertien keer goud, waarvan acht met boogschieten. Veertien keer goud! Ik heb het nog nagekeken, maar foefelen staat er niet bij. Is ook meer een volkssport dan een olympische discipline.

 

Ondertussen rij ik binnensmonds vloekend rond. Volgens mij deed de straatnamencommissie haar ding met het oogmerk toevallige passanten psychisch te verminken. Tennisstraat, Golfstraat, Polostraat. Maar dan weer geen Boogschuttersstraat, vreemd genoeg. De Schijfwerpersstraat bestaat gelukkig wel en dat is ook een mooie naam om in te rijden, al heb ik geen idee waar ik ben. Helaas passeer ik het Olympisch Stadion via de stadionstraat. De fantasie van een vel carbonpapier, die ambtenaren.

 

De sporttempel wordt nu bespeeld door voetbalclub Beerschot-Wilrijk. Hier schiet een merkwaardig voetballiedje van hun erfvijand ‘den Antwerp’ door mijn hoofd: ‘Hoooooboken, waar dat de boeren strooooont koken’. Dat komt zo: Ik zat ooit op een terras toen ik die stichtelijke tekst door een brooddronken maatpak hoorde loeien, in de richting van een aantal Japanse toeristen. Veiligheidshalve namen zij toch maar een foto van hem en zijn gesteven overhemd, waarvan een punt dapper uit zijn broek wapperde. Opgetogen over zoveel aandacht verdween hij naar binnen om een dienblad pinten te halen, maar daar hebben de Japanners niet op gewacht. Ook veiligheidshalve, neem ik aan. Hij heeft ze toen maar allemaal zelf opgedronken en mij in mijn oor gelispeld dat hij notaris was ‘op den boerenbuiten’. Toen hij halverwege het dienblad moest pissen, checkte ik zijn boude bewering snel op Google. Het bleek warempel nog te kloppen ook. Bij hem wil ik wel mijn testament laten opstellen.

 

Als ik ooit weg kom uit Hoboken, heet dat.



copyright Koen Broos

Korte introductie:

Hugo Luijten (1969) woont in Antwerpen en is historicus en schrijver. Offer voor een verloren zaak (House of Books, 2017) was zijn romandebuut over een verre Duitse voorvader uit de Selfkant die sneuvelde in 1914. Daarnaast schreef hij aan een serie thrillers die zich afspelen in Antwerpen en Brussel: ‘Verast’ (Lannoo, 2018), ‘De Brexitmoorden’ (idem, 2019) en ‘Het jaar van de slang’ (idem, 2020). In oktober 2020 verscheen ook bij Lannoo ‘Undercover – Alles of niks’, als spin-off van de bekende Netflixserie.

Voor Thrillerlezersblog schrijft Hugo in 2021 elke maand een column met België en de Belgen als insteek. Zelf al twintig jaar ‘nederbelg’ zijnde, observeert hij met geoefend oog de aardigheden van beide buurlanden.

 

zondag 18 juli 2021

Yvonne Franssen

 

Boekpromotie!

 


Het was zo’n ochtend waarop vóór 8:00 uur al zo’n beetje alles was misgegaan. Allereerst liep om 7:00 uur de wekker af. Nu had ik die natuurlijk zelf de avond tevoren op dat tijdstip ingesteld maar toch, een erg feestelijk begin van de dag is het niet, zo’n veel te opgewekt elektronisch deuntje. Uiteraard regende het, want dat doet het op dat soort dagen. Vroeger kon me dat niet veel schelen. Of de zon nou scheen of het regende, ik stapte voor de 900 meter die ik moest afleggen in mijn auto en reed naar kantoor. Sinds ik in de stad woon fiets ik. Niet zozeer omdat ik ineens van fietsen hou, het is simpelweg de snelste manier om op kantoor te komen. Het is tevens de reden dat mijn humeur onmiddellijk een paar graden keldert als het regent als ik ‘s ochtends als ik wakker word.

Toen ik boterhammen voor de lunch wilde gaan smeren, constateerde ik dat mijn oude brood gedurende de nacht te blauw was geworden om te negeren en dat ik vergeten was de vorige dag nieuw te kopen. Dan maar noedels en een banaan voor de lunch. Ik stopte het eten in mijn tas en toen bleef er nog nét genoeg ruimte over voor een bescheiden stapeltje stickers. Stickers? Inderdaad, stickers! Niet zomaar stickers natuurlijk, maar prachtige glanzende Oscar-cover-stickers!

Na eerdere meer en minder succesvolle boekpromotie-posterplakactiviteiten had ik besloten dat ik toe was aan iets nieuws: geen posters meer maar stickers! Sowieso een slimme zet voor het geval ik nog een keer op plak-expeditie zou gaan met uitgever Marcel, die eerder blijk had gegeven van de gave om op cruciale momenten de plakband te zijn vergeten. Dat zou vanaf nu onmogelijk zijn, stickers zijn zelfklevend. Omgevingsvriendelijk zelfklevend zelfs, want indien wenselijk zouden ze zonder beschadigingen te veroorzaken of lijmresten achter te laten weer kunnen worden verwijderd. Uitstekend geschikt voor een beleefde vorm van vandalisme dus. Ik stopte een stapeltje stickers in de resterende ruimte van mijn tas en ging op weg naar mijn werk. Onderweg fleurde ik enkele lantarenpalen op met Oscar-stickers, die zelfs op een natte ondergrond keurig bleven plakken. Ik maakte een kleine omweg door een voetgangersgebied en was juist bezig een lelijke groene prullenbak een fijne make-over te gever toen ik achter me een kuchje en een ‘goedemorgen’ hoorde. Nee hè, er zou toch niet nu al iemand mijn plakplezier gaan bederven? Ik draaide me om in de veronderstelling politie-uniformen en afkeurende blikken te zien, maar voor me stond een vriendelijke mevrouw in een fladderige regencape met twee kleine hondjes aan de lijn. ‘Mooi,’ zei ze. Verwonderd keek ik haar aan. ‘Mooi,’ zei ze nog een keer, en ze knikte naar de prullenbak. Ik volgde haar blik. Een groene prullenbak met een paar onduidelijke graffiti symbolen en tweeënhalve glanzende Oscarsticker. Had ik het sarcasme in haar stem gemist? Om me een houding te geven trok ik de plakstrip van de derde sticker en streek hem glad. ‘Mijn vorige hondje heette Oscar,’ vertelde de mevrouw. Ze glimlachte bij de herinnering. ‘Deze heten Philippe en Victoria. Ze zijn heel lief hoor, maar Oscar was mijn lieveling.’ Ik keek naar het teckeltje en de chihuahua die geduldig in de regen stonden te wachten. ‘Oscar was ook een teckeltje. Veel mooier dan Philippe,’ lichtte de mevrouw toe. Philippe hoorde het zonder blikken of blozen aan. ‘Is uw Oscar een boek?’ Ik knikte. ‘Over een verdwenen baby die Oscar heet,’ lichtte ik toe. De mevrouw keek geschrokken. ‘Niet waargebeurd hoop ik? Nee, vast niet, dan zou u er niet zo stralend uitzien,’ corrigeerde ze zichzelf. ‘Maar ik ga gauw verder. Philippe en Victoria moeten hun poepje nog doen. Veel succes met uw boek.’ Ik bedankte haar. Nu was het mijn beurt om te glimlachen. Om zomaar een vluchtige ontmoeting op een regenachtige dinsdagochtend.

zaterdag 26 juni 2021

Column Benny Baudewyns

 

Dikke vrienden

 

Een tijdje geleden ging er op Thrillerlezers de vraag rond: houd je van dunne of dikke boeken? De vraag intrigeerde me omdat ik er vaak zelf mee geconfronteerd word. Als ik in een boekhandel in het aanbod snuister, gaat mijn aandacht en interesse bijna altijd uit naar dikke boeken. (Zoals we met een leuk woord in Vlaanderen zeggen: een dikke “klepper”). Ik houd van omvangrijke verhaallijnen, die vaak aanzienlijke periodes overspannen en waar je dus als lezer een tijdje mee bezig bent. “Dunnertjes” zijn dus aan mij niet besteed. Ik heb het bijvoorbeeld heel moeilijk met Simenon of Baantjer. Je hoort me hier niet verklaren dat die verhalen slecht zijn geschreven, wel integendeel. Maar ze trekken mijn aandacht niet, het is alsof iets in me zegt dat ze de moeite niet zijn om aan te beginnen. Als ik ze dan toch lees, krijg ik de indruk dat ik een korte samenvatting van het verhaal doorneem.

Even terzijde, voor ik verder ga. Hoe dik is een dik boek? Misschien moeten we dit eerst even uitklaren. Ik hoor soms dat een roman van vijfhonderd pagina’s als een serieuze brok wordt bestempeld. Dat is het ook, maar soms speel ik als lezer toch in een hogere klasse. Ik kan het niet helpen: een vuistdik exemplaar van pakweg achthonderd of meer pagina’s zal automatisch mijn aandacht trekken, ongeacht het genre of de auteur. Absolute top voor mij zijn de romans van Ken Follet. Pilaren van de Aarde, of Brug naar de Hemel, of nog zijn Century trilogie (Val der Titanen, Nacht van het Kwaad en Kou uit het Oosten). Allemaal kleppers van rond de duizend pagina’s en allemaal verslonden als zat er een woeste wolf achter me aan. De Zwerm van Frank Schätzing, of Limiet, ecologische thrillers van elfhonderd pagina’s (wie doet beter?). Meesterlijk vond ik deze boeken.

Nu we toch even op een zijspoor staan, dient een volgende vraag zich aan: zijn alle dikke boeken goed? Natuurlijk niet, maar dat heeft niks met het volume te maken. Er zijn goede en minder goede boeken in alle diktes en lengtes. Kleppers hebben wel een bijkomende handicap: juist door hun lengte sluipt het spook van de langdradigheid veel sneller naar binnen. Auteurs nemen de tijd (en de plaats) om een en ander uitvoerig uit de doeken te doen. Als dat het verhaal ten goede komt, mij niet gelaten. Maar als ik voel dat de informatie er wordt bij gesleurd, omdat ze nu eenmaal voor handen was, durf ik wel eens een zucht te produceren. Ik moet er eerlijkheidshalve bijvoegen dat dit voor elk model roman geldt, ook dunne kunnen op dit gebied wel eens uit de bocht gaan.

Terug naar het hoofdspoor nu. Waar wil ik heen met deze lange inleiding? Gewoon om te zeggen dat ik mijn voorliefde voor kleppers ook probeer door te duwen in mijn eigen thrillers. Ik heb altijd geprobeerd om heerlijk omvangrijke verhaallijnen in mijn boeken te stoppen. Ik maakte vaak sprongen in de tijd van vele tientallen jaren (De Emerson Locomotief, drie generaties over bijna een eeuw). Mijn Walpurgis-duo (Het Walpurgis Nachtmerrie en Walpurgis Archief), toch beiden vlotjes over de vijfhonderd pagina’s. Steeds waakzaam natuurlijk dat mijn verhaal een behoorlijke vaart had. Waar ik, denk ik, vrij goed in geslaagd ben aangezien ik veel positieve reacties kreeg.

Opgepast, nu komt het. Twee jaar geleden had ik het idee opgevat om mijn ultieme dikke klepper te schrijven. Er kwam me een verhaal aanvaren waar ik wel wat mee kon. Een mysterieus voorval in het Pruisen van 1935 en de geschiedenis van vier personages, helemaal tot in 1970, die allemaal iets met dat voorval hadden te maken. Een titel zweefde mijn hoofd binnen: Het Buchinsky-incident. Ik trok mijn stoute schoenen aan en mikte op duizend pagina’s. Bijna meteen had ik een leuk uitgangspunt: al in de eerste alinea wordt de titel van het boek helemaal duidelijk. De rest vlotte echter minder. De levens van de vier personages, die zich afspeelden op verschillende plekken op aarde, vergden een boel opzoekingen. Te meer daar ik een spielerei had bedacht: in de loop van het verhaal kruisen historische figuren het pad van mijn personages. Halfweg het script kreeg ik een dip. Dat maak ik wel meer mee, ik schrijf namelijk zonder vooropgesteld plan en soms raak ik mijn eigen draad kwijt. Er kwam een lange pauze, waarin ik Moordgriet schreef, een thriller die nu in oktober op de markt komt. Toch nam ik Buchinsky daarna weer ter hand en opeens had ik de oplossing voor de impasse. Volgden nog maanden van hard labeur, maar ik haalde de eindstreep. Eentje waar ik heel fier op ben. Het manuscript telt tweehonderdduizend woorden, wat ik boekvorm neerkomt op negenhonderd pagina’s.

Ik dus fier als een gieter naar de uitgever. Nu komt de ontnuchterende clou van dit betoog. Bij het uitgeven van een boek moet de uitgever natuurlijk met een boel economische factoren rekening houden. De allerbelangrijkste is wel: een boek moet winstgevend zijn, anders kunnen ze beter de deuren sluiten. Hebben jullie al gemerkt dat de prijs van een boek van pakweg tweehonderd pagina’s niet zo gek veel verschilt van eentje van vijfhonderd of meer? Dit terwijl een boek van vijfhonderd meer kosten met zich meebrengt, met name de redactie en het verbeterwerk.  Met andere woorden: een uitgever maakt per stuk meer winst op een dun dan op een dik boek. Dat maakt in principe voor een uitgever niet uit, hij gaat voor kwaliteit ongeacht de omvang. Maar… er is een grote maar. Een zeer belangrijke factor in dit verhaal: hoeveel verkoopt een auteur? Bestsellerauteurs hoeven zich hierom geen zorgen te maken: of ze nu een dun velletje of een klepper afleveren, de uitgever brengt het op de markt en is zeker van winst.

Bij mij ligt dit enigszins anders. Ik moet er niet flauw over doen, ik ben nooit een goedverkopende auteur geweest. Jullie mogen dit gerust weten: tien, vijftien jaar geleden verkocht ik van elke titel ergens rond de tweeduizend exemplaren (waar Aspe in die tijd vijfenzeventigduizend haalde). In de loop der jaren is dat aantal steeds gezakt. Schrijf ik slechtere boeken? Neen, het is een algemeen voorkomend fenomeen. Er worden blijkbaar minder boeken gekocht, elke auteur ziet zijn cijfers dalen (uitzonderingen zijn er altijd, gelukkig zijn er nog collega’s die goed in de markt liggen). Op dit moment zit ik aan een verkoop van nauwelijks zeshonderd exemplaren. Ik zit dus in de gevarenzone. Dit betekent dat de kosten van de productie van een boek gevaarlijk dicht in de buurt van de geschatte verkoopcijfers komen. Geen enkele uitgever met zakelijk instinct neemt het risico om een verlieslatend product op de markt te brengen. Ik heb zelf lang genoeg in de zakenwereld gestaan om dit ten volle te begrijpen.

Waar het dus op aankomt is: de kosten voor de productie van Het Buchinsky-incident lopen te hoog op ten opzichte van de verkoopprognose. Een harde realiteit, maar zo is de realiteit nu eenmaal. Het ziet er dus niet naar uit dat mijn klepper op de markt komt. Heel spijtig, maar ik begrijp de beslissing van de uitgever. Ik zal in de toekomst mijn voorliefde voor kleppers opzij moeten schuiven en dunnere verhalen pennen. Moordgriet zal in die lijn liggen. Een keitof verhaal, al zeg ik het zelf, samengebald in een manuscript van zeventigduizend woorden, wat zo’n tweehonderdvijftig bladzijden plezier zal opleveren.

Hihi, een knotsgekke gedachte speelt opeens door mijn hoofd! Misschien is er een mogelijke oplossing. Geen crowdfunding, maar wat als iemand nu eens een crowdbuying organiseerde? Als duizend mensen de belofte doen mijn Buchinsky te kopen en dat geld op een veilige rekening zetten, dan komt het boek er!

Alle gekheid op een stokje: laat maar. Ik keerde de zakenwereld jaren geleden de rug toe en ben niet van plan me in zo’n avontuur te storten. Ik blijf met veel plezier (dunnere) thrillers verzinnen en ik weet dat jullie ze, ongeacht het volume, met evenveel plezier zullen lezen. Zo blijven we allemaal dikke vrienden!

 

Benny Baudewyns.       

woensdag 9 juni 2021

Column Barbara De Smedt

 


Het verschil tussen expats en immigranten

 

Ik woon nu anderhalf jaar in Portugal. Op tweede kerstdag 2019 reed ik samen met man, dochter, hond en kat met hebben en houden voor de allerlaatste keer de oprit van ons huis in Schoten af.

Bye bye Belgium!

Van toen af begon voor ons het avontuur: hoe overleef ik in een ander land? We spraken enkele woorden Portugees en hadden grootse plannen om via privéles en het vanzelfsprekend grote sociale leven dat we ter plaatse zouden uitbouwen onze woordenschat bij te spijkeren.

Dat sociale leven bleef door Corona helaas tot een minimum beperkt, de privélessen onbestaande. Maar geen probleem: we sloegen ons doorheen de eerste lockdown en spijkerden ons Portugees bij in de supermarkt. We vochten met de plaatselijke bureaucratie (waar zelfs de Portugezen over klagen) en slaagden er na veel bloed en zweet te hebben gelaten in om aan een verblijfsvergunning te geraken, een bankrekening te openen en onze wagens te importeren. Ja, zelfs een bedrijf oprichten lukte.

Slechts één keer ervoeren we hoe het voelt om immigrant te zijn, toen iemand ons niet wilde helpen omdat we niet voldoende Portugees spraken. En zelfs die keer dacht ik nog: tja, we zijn te gast in dit land, dus is het maar normaal dat men dat van ons verwacht.

Maar die ingesteldheid heeft niet iedereen, zo blijkt. Op de verschillende Facebook groepen waarvan ik me lid had gemaakt om steun en tips van lotgenoten te krijgen, zie ik soms wel eens een klacht verschijnen. Over dat die ene persoon van die ene winkel geen Engels sprak en de schrijver van de klacht niet kon helpen bij het probleem met zijn wasmachine/auto/zwembadpomp. Wat een schande dat wel niet was. Daarop komt soms bijval van anderen, mensen die net als wij hier zijn komen wonen, maar die zichzelf niet als immigrant zien. ‘Expats’ noemen zij zichzelf.

Wat gek, dacht ik. Waarom noemen deze mensen, die uit landen als België, Nederland, het VK of Amerika komen zich expats, en waarom noemen diezelfde mensen lotgenoten die uit pakweg Indië of Marokko komen immigranten?

Het heeft met geld te maken, legde men mij uit. ‘Wij’ (zeiden de expats op Facebook) zijn geen immigranten want wij hebben geld, wij zijn niet om economische redenen verhuisd, dus zijn wij expats.

Huh? En het belastingvoordeel dat jullie hier hebben dan?

Ik ben het maar even zelf gaan opzoeken, en wat blijkt? Een expat is iemand die tijdelijk in het buitenland verblijft voor haar werk. Vooral dat woord ‘tijdelijk’ is van belang. Zodra je je definitief in een ander land vestigt, ben je dus geen expat meer maar een immigrant. Net zoals ik, net zoals mijn gezin. En dan pas je je aan en leer je de taal.

Natuurlijk klinkt expat een stuk chiquer dan immigrant. Dat snap ik. Maar door te ontkennen wat je bent, en dus niet te integreren en de taal te leren, verlies je meer dan alleen maar het respect van de Portugezen. Je verliest de kans je onder te dompelen in een prachtige cultuur.

Ik ga gauw de beheerders van de Facebook groep ‘Expats in Portugal’ (met 6800 leden) een berichtje sturen met de suggestie de naam te veranderen naar ‘Immigrants in Portugal’. Benieuwd naar hun reactie!

 

Barbara De Smedt

 

 

vrijdag 30 april 2021

Column Hugo Luijten

 


Piemel

 

In Vlaanderen is het woord ‘piemel’ een stuk minder beladen dan in Nederland. Het Nederlandse piemel is slang, een scheldwoord zelfs. Een Belg die verbaal met genitaliën smijt, zegt ‘lul’. Of het iets gemoedelijkere ‘fluit’, maar ook dat kun je op een sollicitatiegesprek beter achterwege laten. Piemel overigens net zo, maar verder is het een vriendelijke benaming die moeders bijvoorbeeld gebruiken bij hun zoontjes. Het Nederlandse equivalent ‘plasser’ is vrijwel onbekend, net zoals het werkwoord ‘plassen’ trouwens. Een klein venteke doet hier ‘pipi’.

 

Zo zat ik eens met mijn zoontje in de auto, toen het vroeg of laat onvermijdelijke ‘papa ik moet pípi doen’, klagelijk van de achterbank klonk. ‘pi’, met de klemtoon op de eerste lettergreep, zo zegt de urinator in kwestie het. Bij ouders is het juist andersom, ik had voor de reis moeten vragen: ‘Hebt ge al pi gedaan?’ Nu kwam de mededeling toen we nét een tankstation gepasseerd waren. Ik kan in het vervolg maar beter wat minder nadenken over klemtonen en lettergrepen.

 

Enfin, vluchtstrook opdraaien, kleine loswringen en pissen maar. ‘Zelf doen’, sprak mijn gebroed toen ik zijn garnaaltje in pincetgreep vastnam. Een windvlaag geselde ons en de regen dreef in mijn nek. ‘Pas op, seves gaat uwe piemel vliegen’, probeerde ik nog. In Vlaanderen waait nooit iets weg, daar gaan de dingen vliegen. Een mededeling die overigens weinig hielp. Kleuters die iets zelf willen doen, zijn eigenwijzer dan een kroeg vol wantrouwende boeren.

 

De onderbreking verliep voor het overige voorspoedig en er ging maar een beetje over zijn broek en iets meer over mijn schoenen. Terug in zijn stoeltje maakte hij aan het incident geen woorden meer vuil en hij begon aan te wijzen wat door toedoen van de wind was gaan vliegen. Minstens vier camions, een familie dino’s (papa én kindje-dino), een loslopende olifant en twee boshaaien. Al bij al viel de schade van deze najaarsstorm dus nog mee.

 

De plek van bestemming was zijn grootmoeder en geteisterd door slagregens zette ik hem voor de deur af. Toen ik met mijn kraag omhoog terug liep naar de auto om spullen te pakken, hoorde ik hem naar zijn oma roepen: ‘Bomma, bomma! Mijne piemel kan vliegen!’

 

‘Jij moet niet zo hard lachen’, beet hij mij even later toe.

woensdag 28 april 2021

Column Tine Bergen


 Wat doet mama?

 

‘De mama van Magnus schrijft boeken.’

Een aantal jaar geleden kwam mijn zoon thuis met deze gevleugelde woorden. De ‘mama van Magnus’ is Kim Crabeels. Zij schrijft onder andere prachtige prentenboeken. Over Magnus.

‘Wat denk je dat ik doe?’ vroeg ik mijn zoon terwijl ik gebaarde naar het rijtje in mijn boekenkast dat ik ondertussen bij elkaar heb gepend.

Ik kreeg een schouderophalen terug.

‘Wat denk je dat papa doet?’ probeerde ik vervolgens.

‘Iets met computers.’

Ik keek naar het grijnzende hoofd van mijn IT-echtgenoot in de deuropening.

Het was duidelijk: er moesten zaken veranderen.

Dus nam ik mijn kroost dat jaar mee naar de boekenbeurs op het moment dat ik er signeerde. Ze kwamen tot de vaststelling dat er alleen maar tekst in mijn boeken stond. En dan schreef ik er nog extra tekst bij als mensen dat vroegen! Ze mochten een boek uitkiezen. Ze hadden meer belangstelling voor de ballonnen die je bij aankoop van bepaalde boeken kreeg.

Een paar jaar later schreef ik de psychologische thriller ‘Vissen praten niet’. Om de lancering te vieren maakte Avalanche haaienvinpralines speciaal bij het boek. Mijn kinderen waren enthousiast: chocolade! Er moest geproefd worden. Uitgebreid. En verteld. ‘Mama heeft een boek geschreven over vissen.’

Een kleine stap. Maar een stap in de goede richting.

Vorige zomer besloot ik te doen wat ik al een poosje wilde doen: ik schreef een kinderboek. Een boek dat spannend én grappig zou zijn. Er zouden prenten inkomen! Mooie! En veel! En het hoofdpersonage zou Lode heten, zoals mijn zoon. Uiteraard.

De klas van Lode las proef. Ze dachten mee na over namen voor de personages. Ze gaven hun mening over illustratoren en illustraties. Ze bedachten quotes voor achter op de cover. Het was zo’n fijn traject! Dat het boek nu ook effectief in de winkel ligt, is de kers op een zalige taart – eentje met chocolade.

Een paar weken terug had mijn zoon huiswerk over beroepen.

Wat doet je mama? ‘Mama schrijft boeken.’

Wat doet je papa? ‘Euh?’

Over het hoofd van onze zoon keek ik breed grijnzend naar mijn echtgenoot





Tine Bergen houdt van verhalen. Als journalist vertelt ze de verhalen van anderen. Als auteur vertelt ze haar eigen verhalen. Wat haar betreft een ideale combinatie. Tine schrijft graag spannende verhalen en verhalen met een stevige psychologische ondergrond. Haar laatste spannende roman heet Zullen we het liefde noemen. 

woensdag 31 maart 2021

Column van Bettie Elias

 


Akkefietjes

 

De eerste thriller die ik schreef, Het tuinfeest, gaat over de moord op de zeventienjarige bloedmooie Laura, dochter van Tessa en Thomas. ‘Waar haal jij je inspiratie vandaan?’ is de meest voorkomende vraag die mensen stellen. ‘Hoe kom je erbij? Zit dat allemaal in jouw hoofd?’ vragen ze met een frons tussen hun wenkbrauwen. Een voor de hand liggende vraag, maar ook eentje die moeilijk te beantwoorden is. Dus best wel interessant. Hoe werkt inspiratie? Hoe werkt fantasie? Ik kan alleen maar vertellen hoe het bij mij in zijn werk is gegaan.

Als moeder van drie dochters en een zoon heb ik mij heel vaak afgevraagd hoe ik zou reageren op de moord van een van mijn kinderen. Gelukkig is dat nooit gebeurd, maar ik wilde dat mijn eerste thriller daarover ging. Dus het eerste zaadje was geplant: een moord op een meisje dat nog haar hele leven voor zich had liggen. Vanuit dit gegeven ben ik beginnen te fantaseren. Wanneer heeft die moord plaatsgevonden? Tijdens een avondje uit met vrienden? Na school onderweg naar huis? Toen ze van de bib kwam? Tijdens een vakantie? Na een dagje shoppen met haar beste vriendin? Eenmaal aan het fantaseren, bleken er ontzettend veel mogelijkheden te zijn. Dus ik moest een keuze maken. Omdat het boek uiteindelijk gaat over de volwassenen die na de moord achterblijven, heb ik gekozen voor een situatie waarin die volwassenen een rol spelen: een tuinfeest met een groep vrienden. En zo heb ik elk aspect van het boek ontrafeld. Deels fantaserend, deels rationeel. Wie heeft Laura vermoord? Waarom? Hoe? Uit wie bestond de vriendengroep? Hoe gingen zij om met de moord? Kun je je vrienden ooit echt kennen? Enz.

De ‘wat als’ vraag is voor dit boek een belangrijke vraag geweest om mijn fantasie aan het werk te zetten. Voor het grootste gedeelte heb ik dat al fietsend gedaan. Door bossen en velden, stug tegen de wind in trappend, soms loom fietsend in het zonnetje. Heerlijk. Ik kan het iedereen aanraden. Maak je geest vrij van dagelijkse zorgen en akkefietjes. En fantaseer erop los!

 

Bettie Elias

 


Het tuinfeest ontving de Schaduwprijs voor het beste thrillerdebuut in Nederland.

 

zondag 28 maart 2021

Frietkot door Hugo Luijten

 

Frietkot 1930 Antwerpen

Frietkot

In Nederland zeggen we friettent (of patatkraam, fort hat matter) tegen iets wat de Belgen hardnekkig een frietkot noemen. De twee woorden roepen bij mij een wereld van verschil op. Niet eens taalkundig, eerder culinair. In een friettent zie ik een dikke uitbater voor me, met een versleten joggingbroek, plakkerig haar en gouden kettingen. Naast het frietkot zit een mevrouw in een bloemetjesjurk en krulspelden een enorme berg aardappelen te schillen. Dat verschil.

In België heeft het kot in zijn algemeniteit een cultstatus. Alle aanbouwsels heten ‘kot’, meervoud ‘koten’, verzamelnaam ‘koterij’. Ik keek er ook van op toen ik het de eerste keer hoorde, geneer u vooral niet. Werkkot, fietsenkot, duivenkot, de Belg breidt gestaag zijn territorium uit met hulp van friends, fools and family én de lokale doe-het-zelver. Denk daar maar eens aan als u langs de eindeloze lintbebouwing rijdt en heb medelijden.

Maar bon, frietkot en -tent dus. Laatst reed ik langs een Nederlandse friettent. Ik kende de zaak uit een grijs stapverleden en ik kreeg de lucht van verschraald bier en oud vet in mijn neus. Heel even speelde ik met de gedachte in die uitspanning nog snel wat te eten.

Wat anderen ‘for old times sake’ misschien wel gedaan zouden hebben, deed ik niet. Ik reed door en liet de friettent letterlijk links liggen. Het wijf dat het ding indertijd uitbaatte, nestelde zich meteen voor een paar uur op mijn netvlies als de kwak mayonaise die voor eeuwig op haar koeltoog leek te plakken.

Ik zei ‘wijf’, want dat was het ook. Een molenpaard op Birkenstoks. Nooit ontmoette ik iemand die grotere handen heeft dan ik. Zij ook niet trouwens. Maar die van mij pasten met geen mogelijkheid rond haar bovenarmen. Niet dat ik dat overigens ooit probeerde, want al bij binnenkomst keek ze elke klant aan alsof die haar de gegevens van het kasregister kwam ontfutselen, in plaats van dat het iemand was die haar geld kwam brengen in ruil voor twee slapgebakken frikandellen. Of gecremeerde, dat kan ook nog.

‘Ja?!’, snauwde ze als een doodbrave huisvader voor een klein frietje-nee-mayonaise-hebben-we-thuis-nog binnenkwam.

Een vriend van me stond ooit halverwege een zuippartij in de naastgelegen dancing, vrolijk neuriënd zijn beurt af te wachten. Ze keek hem een tijdje nijdig aan, met een oog dichtgeknepen tegen de rooksliert van een mentolsigaret. ‘Ach man, hou je bek’, gromde ze tenslotte.

Zijn verdiende loon.  

 

zondag 28 februari 2021

Hugo Luijten 2

 

Copyr Geertr2012

Rekenen

 

Mijn kleine zit op de derde kleuterklas, maar verjaart ‘ongunstig’. Dat is typisch iets voor deze moderne tijd; ongunstig verjaren. Tot de ratrace losbarstte, maakte het geen jota uit wanneer je verjaarde. Het is hetzelfde als de nadelige effecten van de klok verzetten, iets dat we ons zelf aandoen. Maar enfin, hij hoort bij de oudsten van de klas en je merkt dat hij het niveau stilaan beu is. Uitdaging, dat is het parool. Achter in de auto startte hij zijn vragenvuur.

‘Twintig en dertien’.

‘Wat bedoel je jongen?’ Ik ben zelf niet zo’n rekenaar - to put it mildly – en ging er zelfs even vanuit dat ik hem niet goed verstaan had.

‘Jij moet voor mij rekenen’, vervolgde hij streng. Alsof het een verhaaltje betrof, waarmee ik af en toe mijn stembanden afbeul om boven de bijpassende muziek van de Carmina Burana uit te loeien.

‘Moet het erbij of eraf’, vroeg ik gedwee. Mijn ontzag voor iedereen die zonder fysieke dwang aan het rekenen slaat is immens, dus ik smoorde zijn verzoek niet in de kiem.

‘Erbij’, zei hij, terwijl hij naar buiten keek om een hondje te bestuderen dat tegen een stapel vuilniszakken stond te pissen.

‘Drie-en-dertig’, antwoordde ik. Ik hoopte maar dat ik me niet vertelde, al zou het in zijn geval niet veel uitmaken als ik gemeld had dat dit twaalfduizendzevenhonderdachtendertig was.

‘Dat is goed’, oordeelde hij strenger dan de meester vroeger. ‘Nu eraf.’

‘Zeven’, meende ik.

‘Dat klopt niet,’ vond hij. ‘Net was het iets anders.’

Ik teisterde mijn linker hersenhelft hoe ik een kleuter van vijf-en-een-half rekenles zou moeten geven en stelde vooral vast dat ik te weinig vingers had voor deze oefening. Voor ik het begin van een uitleg had geformuleerd, ging hij alweer verder.

‘Als je hersenen kapot gaan, krijg je dan nieuwe?’

Verbluft staarde ik in de achteruitkijkspiegel.

‘De hersenen’, klonk het ongeduldig. ‘Die zitten hier in de schedel.’ Hij tikte driftig tegen zijn hoofd, de wanten nog aan zijn handjes.

Opgelucht dat het rekensprookje kennelijk te langdradig was, begon ik aan een exposé over de werking van het brein.

‘De hersenen zeggen tegen je neusje dat je moet ruiken, tegen je oogjes dat je moet kijken, tegen..’

‘Mijn hersenen zeggen dat ik naar die takken daar moet kijken’, onderbrak hij mijn vertoog. ‘Waarom is dat, er zitten niet eens blaadjes aan.’

‘Sommige mensen kijken naar de takken om er een schilderij van te maken, of een verhaal over te vertellen’, stuurde ik het gesprek behendig naar de Schone Kunsten.

‘Jij moet ook nieuwe hersenen’, antwoordde hij zonder zijn blik van de langszoevende bomen af te wenden.

Aan zijn logisch denkvermogen mankeert in elk geval niets.



Hugo Luijten (1969) woont in Antwerpen en is historicus en schrijver. Offer voor een verloren zaak

copyright Koen Broos

(House of Books, 2017) was zijn romandebuut over een verre Duitse voorvader uit de Selfkant die sneuvelde in 1914. Daarnaast schreef hij aan een serie thrillers die zich afspelen in Antwerpen en Brussel: ‘Verast’ (Lannoo, 2018), ‘De Brexitmoorden’ (idem, 2019) en ‘Het jaar van de slang’ (idem, 2020). In oktober 2020 verscheen ook bij Lannoo ‘Undercover – Alles of niks’, als spin-off van de bekende Netflixserie.


Voor Thrillerlezersblog schrijft Hugo in 2021 elke maand een column met België en de Belgen als insteek. Zelf al twintig jaar ‘nederbelg’ zijnde, observeert hij met geoefend oog de aardigheden van beide buurlanden.

 

 

zaterdag 27 februari 2021

Ilse Ruijters aan het woord

Copyright Mona Alikhah
 

De coronastoel

 

Je kent ze vast, van die heerlijke foto’s van de werkplek van schrijvers. Grote romanciers laten zich vereeuwigen achter antieke bureaus voor wanden vol met dikke boeken. Thrillerschrijfsters kijken vanaf hun hippe, cleane werkplek met een big smile de camera in. De single auteur zit aan een slordige keukentafel vol paperassen, de kippige schrijver achter een gigantisch computerscherm en de schrijver-in-wording achter zijn of haar bureau dat ergens tussen het wasrek en de trapkast in gefrut staat.

Tijdens het schrijven van Minnaar moest ik me behelpen met een stoel. Je leest het goed ja, alleen één stoel. Minimalistischer dan het kleinste kantoor, krapper dan het schamelste bureau. Want mijn man, een moderne architect, vond dat ons huis verbouwd moest worden.

Tijdens de lockdown.

Terwijl het kinderdagverblijf dicht was.

En we de opa’s en oma’s niet mochten zien (lees: om hulp vragen bij de zorg voor onze dochter.)

En terwijl ook nog het kantoor van mijn man moest sluiten en hij met het stoom uit zijn oren vanuit huis, via de computer, aan zijn werknemers moest uitleggen hoe ze iets wel of niet moesten tekenen. Te veel, te veel, te veel. Het moet strakker, cleaner, minder!

Het was een grote stoel, moet ik zeggen. En hij was heel erg roze. Zoek hem maar op, op de website van IKEA. De Vedbo. Hij omhulde me meteen, toen ik er voor de eerste keer in ging zitten en terwijl hij verre van minimalistisch, modern en strak-strak-strak was, was de stoel voor mij gemáákt!

Ik kocht hem op de laatste dag dat de winkels open waren voor de eerste lockdown en zette hem in de slaapkamer, die we op dat moment ook gebruikten om alle spullen van de bovenverdieping én twee pallets hout in op te slaan.

En zo werd de stoel mijn kantoor.

Zat ik in de stoel, dan zat ik in mijn zone. Laptop op schoot, Ludovico Einaudi op mijn oren en tikken maar. Ik sloot me af voor de puinzooi om me heen, voor de hondenharen die met al die spullen niet goed weg te stofzuigen waren, voor het kinderspeelgoed dat overal tussendoor zwierf, voor het onopgemaakte bed – er was toch geen eer aan te behalen. Elke minuut was er één en moest ik grijpen.

Op de vraag ‘waar is mama?’ werd het antwoord: ‘in haar coronastoel’ en dat antwoord werd al heel snel heel gewoon.

In de week dat Minnaar uitkwam, elf maanden later, voltooide mijn architect de bovenverdieping. Ik heb nu een prachtige designwerkplek, waar je geen stofje ziet liggen, maar mijn coronastoel staat er ook. Ik zit er elke dag in en duik dan zo weg in mijn zone.

donderdag 25 februari 2021

Column van Sandra J. Paul

 


Hoe een zekere pandemie mijn creativiteit een boost gaf

 

Het enge woord dat met een C begint ga ik absoluut niet gebruiken in deze column, maar eigenlijk wilde ik het wel als topic gebruiken om te vertellen hoe mijn leven als auteur toch een enorme vaart heeft gekregen door deze hele pandemie.

Sinds 18 maart 2020 leven mijn gezin en ik een soort van bubbel die veroorzaakt werd door wat ons allemaal al zo lang bezig houdt. Wat jullie Nederlanders op dit moment meemaken met lockdowns, hebben wij Belgen vorig jaar meegemaakt. Als auteur, maar ook als uitgever, was mijn leven behoorlijk druk. In de week werken, in het weekend was er altijd wel een boekvoorstelling of een evenement of een gebeurtenis, waardoor ik vaak op de baan was, zowel in eigen land als in Nederland.

Ik vond dit erg leuk, maar ook erg druk. Soms kwam ik ’s avonds moe thuis, en moest ik de dag nadien om zes uur er al weer uit om de trein naar Antwerpen te nemen, waar ik werkte (ja, ik heb ook nog een ‘gewone’ baan). Omdat ik dit leven al enige jaren leid, was ik er ook aan gewoon, en stond ik daar niet bij stil. Het enige spijtige was dat ik te weinig schrijftijd had, en dat knaagde wel eens aan me.

Plots stond echter de wereld stil. Weg waren de afspraken in het weekend, de ontmoetingen, de gesprekken. En daar zaten we dan, in onze eigen bubbel. Aanvankelijk in shock, want zo kwam het wel over, maar stilaan kwam ook ergens wel de gewenning, en ook het aangename dat aan het onaangename gekoppeld werd: meer quality time met het gezin, elke dag 3 x samen eten, in plaats van haastig een boterham naar binnen werken in de ochtend. Op vrijdagavond beseffen dat het weekend eigenlijk – op dat werken na – ongeveer hetzelfde was dan in de week, maar zonder al die afspraken.

Ik heb er enorm van moeten afkicken, en de eerste zes weken kreeg ik te kampen met heuse writer’s block en nog veel meer stressfactoren zoals: wat nu? En hoe gaat het verder? En ga ik mijn baan blijven behouden? Maar op een of andere manier liep alles door en begon ik ook te wennen aan die vrije tijd in het weekend. En begon het schrijven terug. Ik vond plezier in de rust, schepte ook veel fun in het brainstormen met mijn kinderen en partner, en begon ook te beseffen dat af en toe eens wat extra tijd ook creatief en als een boost kan werken.

Plots had ik het te pakken: de nieuwe routine, de rust en ook de gezelligheid in huis. De eerste zomervakantie zonder dat we ergens naartoe gingen, bleek superleuk te worden. We bleven doorwerken, maar er was nog steeds rust in huis, en we schepten plezier in bingewatching sessies, het zoeken van leuke series en films, spelletjes spelen, op stap gaan op een warme avond om een ijsje te gaan zoeken (ja, nog altijd niet zo evident).

Toen ook in het najaar alles weer wegviel, met de nodige pijn en verdriet – want ja, die boekenbeurs en die signeersessies, die ontmoetingen en al die leuke dingen die nog steeds weggevallen waren – bleef alles verder lopen. Een vroegere kerstboom, reorganisatie in huis, dingen doen die je al zo lang uitstelt. En blijven schrijven en genieten van die extra tijd.

Plots was het jaar voorbij en had ik twee boeken geschreven in volle crisis, en was ik aan een derde bezig. En begon ik aan een nieuwe jeugdreeks, een aantal spannende maar leuke dingen zoals een feelgood tussendoortje, een aangepast sprookje, en had ik nog meer brainstorming sessies met de kinderen.

Binnen een kleine maand zijn we een jaar thuis, en hoewel het erg vaak frustrerend is geweest, en nog steeds is, met de wetenschap dat alles nog steeds zo beklemmend en benauwd is, moet ik toch ook wel zeggen dat het terugkeren naar rust en een kalmer leven, ons als gezin goed heeft gedaan. En mij als auteur de kans heeft gegeven om zoveel andere leuke dingen te doen. Het is niet altijd kommer en kwel geweest, maar het mag nu wel stilaan naar een einde toegaan.

Want rust in huis is leuk, maar mensen ontmoeten evenzeer.

 

Sandra J. Paul

zaterdag 30 januari 2021

Column Hugo Luijten januari 2021

 


De Belg en zijn bier

 

Van de – toegegeven: spaarzame – elementen die de Belgen bindt, is bier een van de belangrijkste. Van Wallonië via Brussel tot Vlaanderen: het zijn bierdrinkers. En bierkenners. En bierbrouwers. De Waal drinkt Westmalle, de Vlaming Chimay. En pils, sloten pils. Al is de consumptie van een ‘frisse pint’ de laatste jaren wat aan het verdampen.

Tot een jaar of vijfentwintig jaar geleden was België, net als Nederland, een pilsland. De Belgische pint in het beroemde geribbelde glas. Ik heb horen zeggen dat de ribbels het bier koeler houden. De pint krijgt in de meeste gevallen niet veel kans om warm te worden, maar dit terzijde.

De uitvinder van het Nederlandse ‘pijpje’ of ‘fluitje’, moet mijns inziens om die reden achterstevoren gezeten op een ezel en met pek en veren bestreken het land uit gejaagd worden. In zo’n dun glas word pils pislauw en als je een flinke neus hebt, dan moet oppassen dat je geen stuk uit het glas breekt. En voor degenen die nu denken: ‘nou, ik vind het anders wel lekker, zo’n gedistingeerd dun glas’, die vragen het maar aan het horecapersoneel. En aan de ziekteverzekering van het horecapersoneel, want er schijnen nogal wat vingers in de spoelbak achter te blijven als gevolg van vlijmscherpe stukken gebroken pijpjes.

Dat soort problemen kent het robuuste pintglas niet. Maar de bierliefde gaat in België veel verder. Dezelfde vijfentwintig jaar geleden vielen mij in België de Pale-Ales al op, tegenwoordig vaak wat nuffig ‘amberbieren’ genoemd. De wat oudere Belgen spreken bij Pale Ale van een pellelleke. Een pale – ale- e-ke. Alles snel uitspreken in puntzak-Engels: pellelleke. Geweldig woord. Ik drink het alleen al om het woord te kunnen zeggen.

Maar ook in het bierland bij uitstek kwijnden de speciallekes weg, tot ze ergens in de jaren ’80 van de vorige eeuw opnieuw onder de aandacht werden gebracht door ene Michael Jackson. Ja, het staat er goed. Niet de popster, die kon volgens mij een pellelleke niet onderscheiden van een kop slappe thee. Iemand anders dus, een Brit en een echte bierkenner. En die begon boeken vol te pennen over de geweldige Belgische bieren. Bussen toeristen zakten af naar Westvleteren en Orval. Damned, those Belgians can there something from. Of zoiets.

De nog bestaande oude merken kregen nieuw elan. En als ze inmiddels niet meer bestonden, kregen ze nieuw leven ingeblazen. En die nooit bestaan hadden werden ter plekke verzonnen. Het thuisbrouwen verdreef de duivensport uit de bovenste regionen. Brouwen, deju-nog-aan-toe!

Zelfs jonge Belgen drinken ook op een avond stappen rustig wat speciallekes. En dan bedoelen ze hier geen Palm of een laffe Leffe. Dat is pils met een kleurtje. Goed als er écht niks anders is, maar veel speciaals is er niet aan. Duvel, De Koninck, Rodenbach, een trappist, dát zijn speciaalbieren. Hooguit wordt er wat later op de avond overgeschakeld op een gewone pint, ‘om te kunnen volgen’. De bruiloft van Kanäan, maar dan in een meter bier.

Bier maakt het creatiefste los in de Belgen, want hun biermerchandising kent enkele fantastische staaltjes. Een glas van de illustere Antwerpse brouwerij ‘De Koninck’  heet in stad en ommelanden bijvoorbeeld een bolleke keuning, vanwege het bolle kelkglas. Een exacte kopie, maar dan een paar maten kleiner, heet vervolgens een prinske. Geweldig.

Eén van de mooiste vind ik persoonlijk die van een Merchtemse brouwersfamilie met de kloeke achternaam Vanginderachter, die in de jaren ’50 de grootste brouwerij van België bestierden. Zij surften mee op het enorme succes van de pallellekes en alles wat uit Engeland kwam.

Ze doopten hun product derhalve ‘Ginder-Ale’. Zoiets verzin zelfs ik niet.


Foto door Koen Broos

Hugo Luijten (1969) woont in Antwerpen en is historicus en schrijver. Offer voor een verloren zaak (House of Books, 2017) was zijn romandebuut over een verre Duitse voorvader uit de Selfkant die sneuvelde in 1914. Daarnaast schreef hij aan een serie thrillers die zich afspelen in Antwerpen en Brussel: ‘Verast’ (Lannoo, 2018), ‘De Brexitmoorden’ (idem, 2019) en ‘Het jaar van de slang’ (idem, 2020). In oktober 2020 verscheen ook bij Lannoo ‘Undercover – Alles of niks’, als spin-off van de bekende Netflixserie.

Voor Thrillerlezersblog schrijft Hugo in 2021 elke maand een column met België en de Belgen als insteek. Zelf al twintig jaar ‘nederbelg’ zijnde, observeert hij met geoefend oog de aardigheden van beide buurlanden.