Posts tonen met het label verhaal. Alle posts tonen
Posts tonen met het label verhaal. Alle posts tonen

zaterdag 20 januari 2018

Het klagende lijk , aflevering 1

Haar bloed had het kookpunt bereikt.
Ze smeet haar stofdoek op de glazen salontafel en keek hem onbegrijpend aan, alsof ze in zijn ogen wilde lezen of hij het daadwerkelijk meende. Ongelofelijk hoe hij haar zonder blikken of blozen had beschuldigd.
Gefrustreerd knoopte ze haar schort open en hield het verfrommeld in haar handen tot haar knokkels wit zagen. Zwijgzaam en vol ongeloof bleef ze met wijd opengesperde mond tegenover hem staan.
Hij hield zijn handen strak in zijn broekzak en het was haar overduidelijk dat hij er stellig van overtuigd was dat ze schuldig was.
‘Je meent het echt hè?’ vroeg ze hem toen hij statig en met gestrekte rug tegenover haar bleef staan, wippend op zijn tenen.
‘Je denkt echt dat ik het heb gejat?’
Hij knikte bevestigend, wachtend op haar bekentenis.
Haar ogen waren rood doorlopen en woedend gooide ze haar schort in zijn gezicht. Ze verdiende het niet dat ze zich onterecht liet beschuldigen en ze was niet van plan te antwoorden. Hij moest beter weten. Hoelang werkte ze al niet voor hem? Hoe vaak had ze hem niet bijgestaan?
Ze draaide zich om en snelde de gang in, greep haar jas en tas en verliet de villa met snelle tred. Met een harde knal viel de voordeur achter haar dicht en stevende ze af naar haar auto. Vol gas stuurde ze haar blauwe kever over het grindpad linksaf de straat in. Weg van hem en weg van zijn woning om vervolgens nooit meer terug te keren. Dat wist ze zeker. Geen één voet, geen dikke teen die nog de drempel van zijn woning zou aanraken. Hij zoekt het maar uit! Ze was tot op haar bot geraakt. Elk haar op haar hoofd had hij gekrenkt.
Haar gezicht moet boekdelen hebben gesproken toen ze haar schoenen in een hoek trapte en de autosleutels op de keukentafel smeet.
‘Wat is er aan de hand?’
Peter vouwde de krant op.
‘Waar is Sjoerd?’ snauwde ze in plaats van antwoord te geven.
‘Boven, huiswerk maken. Wat is er gebeurd?’
Lyla bekoelde zichtbaar, zakte plomp in de rode versleten sofa en gooide haar vermoeide benen op de eiken salontafel. Haar handen klemde ze strak om de met stof bekleedde brede leuning en ze haalde een keer diep adem. Ze was blij dat Sjoerd op zijn kamer zat. Zijn opvliegende temperament zou haar nu niet helpen. Het rood van haar woede was nog te zien tot achter haar oren.
Ze vertelde wat er zojuist was voorgevallen en dat ze daarom zo vroeg thuis was gekomen. Opgelucht dat het eruit was keek ze hem afwachtend aan, maar het bleef bedenkelijk stil.
Hij wist doorgaans elke situatie te relativeren en haar van adviezen te voorzien, maar had daarvoor kennelijk bedenktijd nodig. Misschien was haar normaal gesproken rustige karakter ook wel de reden waarom ze na veertien jaar nog steeds werkzaam was voor Hennie. Al had Hennie niet altijd evenveel tact en kon hij behoorlijk arrogant overkomen, ergens mocht ze zijn houding wel.
Peter had haar er dikwijls op gewezen dat Hennies zaken niet de hare waren en ze zich er niet mee diende te bemoeien. Distantiëren en focussen op je taak, zei Peter altijd. Dat was na vandaag dan wel even wat anders. Immers ging het haar dit keer wel aan.
Wat haar eigen persoontje betrof had Hennie haar nog nooit een strobreed in de weg gelegd. Hij was altijd tevreden over haar werk, betaalde haar op tijd en zelfs goed. Dat ze soms informatie opving dat haar niet aanging, wist ze meestal feilloos te negeren.
Hij had haar nu beschuldigd van iets wat ze niet had gedaan. Dat ging haar te ver en ze kon het niet over haar kant laten gaan. Het had kwaad bloed gezet.
‘Waarop is zijn verdenking gebaseerd?’ vroeg Peter opeens.
Lyla haalde haar schouders op.
‘Je moet het vanuit zijn positie bekijken.’
Nu fronste ze haar wenkbrauwen. ‘Hoe bedoel je’, snauwde ze niet begrijpend.
‘Zoals ik het zeg’, zei Peter. ‘Hij is kennelijk geld kwijt en vraagt zich af wie in de gelegenheid is geweest het weg te nemen.’
Leuk vond ze zijn antwoord niet, maar er zat een kern van waarheid in. Hennie kreeg niet veel mensen over de vloer terwijl zij er dagelijks was. Dat hij haar als eerste zou verdenken was daarom misschien niet eens zo onlogisch. Er was maar één probleem, ze had het niet gedaan! Dat hij haar vrijwel direct beschuldigd had, in plaats van te vragen, deed haar adrenaline opnieuw stijgen. Hij had het met haar kunnen bespreken in plaats van haar direct te beschuldigen.
‘Misschien moet je er een nachtje over slapen en morgen terug keren.’
‘Voor wat?’ schoot Lyla in de verdediging. Ze wilde die akelige egoïstische zelfingenomen man nooit meer zien.
Peter knikte een keer met zijn hoofd en glimlachte geruststellend.
Toen de stilte bleef, bedacht ze dat hij weleens gelijk kon hebben. Zoals altijd. Uitpraten was nog altijd het beste. Ze zou erover denken, alhoewel haar gevoel nog steeds wat anders zei.
Een stevige borrel, dat was wat ze nu nodig had. Peter schonk haar een glas whisky in. Ze nam een grote slok en hoorde niet dat de voordeur in het slot viel.



Sjoerd greep een fiets uit het tuinpad en slingerde zijn been over het zadel. Zonder het zitvlak aan te raken trapte hij stevig door. Linea recta op zijn doel af. Wat dacht die idioot wel niet! Met zijn vingers strak om de handvaten geklemd probeerde hij zich te bedwingen. Hij had die man nooit gemogen, maar nu had die vent zijn moeder gekrenkt. Haar goede naam aangetast, besmeurd, door het slijk gehaald en haar verdriet bezorgd. Zijn weergaloze moeder.
Wie aan zijn familie kwam, kwam aan hem!
Met zijn gezicht op onweer sprong hij van zijn fiets en denderde deze tegen de beukenhaag bij de villa. Met zijn vuisten gebald en met grote passen stevende hij af op de voordeur. Hij was allerminst van plan om te praten. Opknopen moesten ze die kerel. Iemand moest hem een keer de waarheid zeggen. Wat? Laten voelen, bedoelde hij!


Hennie had zijn colbert aan de stoel gehangen en zijn boordknoopje geopend. Hij kroop achter zijn bureau en had de computer opgestart. Lyla zou wel bekoelen en hij besloot het maar even te laten rusten. Na zoveel dienstjaren had hij er wel vertrouwen in dat ze eruit zouden komen. Hij moest haar gewoon even de tijd geven. Er was nog nooit een probleem geweest dat ze niet te boven waren gekomen. Hij hield veel van haar toch moest ze toegeven dat ze fout zat. Anders was hij genoodzaakt deze week nog aangifte te doen bij de politie.
Hij nam zijn paperassen en begon te tikken aan het zoveelste bezwaarschrift dat hij nog van plan was in te dienen tegen de gemeente. Het complete dossier bevatte reeds aardig wat pagina’s. Toen hij toentertijd de vrijstaande villa had gekocht was hem verzekerd dat er nooit aan de achterkant zou worden gebouwd. Nu had de gemeente bekend gemaakt dat ze de braakliggende grond gingen gebruiken om er een nieuw sportcomplex op te zetten met bijbehorende sportvelden. Het vrije uitzicht van de ongerepte natuur en de rust was hem heilig. Hij was niet van plan dat te laten verstoren door lelijke gebouwen, schreeuwende mensen en diverse tennisballen in zijn tuin. De voetballen van het jeugdige tuig uit de straat waren hem al een doorn in het oog.
Hij had nog maar één woord getikt, toen de deurbel ging. Het liefst negeerde hij het. Eigenlijk verwachtte hij dat Lyla was teruggekeerd om haar excuses aan te bieden. Hij vond het niet prettig dat hij uitgerekend haar op die toon had moeten aanspreken, maar het was voor hem onvermijdelijk geweest. De ontdekking van de diefstal was een grote schok, want zij was de enige die wist waar hij zijn spaargeld bewaarde. Het was geen groot bedrag, maar een principekwestie voor hem. Als ze had gevraagd om geld te mogen lenen dan had hij haar dat met liefde voorgeschoten. Weliswaar met enige rente, maar desalniettemin was wegnemen en toe-eigenen het domste wat ze had kunnen doen. Hij was bereid, wanneer ze zou bekennen, de politie erbuiten te houden en een regeling onderling te treffen. Daar waren ze immers te lang vrienden voor.
Toen hij de voordeur met een krachtige zwaai opende, zag hij tot zijn verbazing echter niemand. Hij keek nog een keer langs de beukenhaag van zijn oprit en zag niets anders dan een leeg eierdoosje bungelen tussen de takken. Hij was wederom slachtoffer geworden van baldadige jeugd. Bij het sluiten van de deur droop het eigeel naar beneden over het gietijzeren beslag. Hij besloot dit keer niet te reageren en zich een keer niet van zijn arbeid te laten afleiden door onbenullig kattenkwaad.
Zowel de klok in de keuken als zijn rammelende maag gaven aan dat het etenstijd was. Hij dekte de tafel voor zichzelf en besloot de rest van de avond te besteden aan zaken die hij nog diende af te ronden. Net op het moment dat hij zijn bestek in zijn handen had genomen ging opnieuw de deurbel. Hij schoof zijn stoel achteruit en liep snel naar de voordeur. Dit keer zou hij de rotjongens niet de gelegenheid geven weg te rennen.
Met een enorme zwaai gooide hij de voordeur open.
‘Sjoerd!’ riep hij verbaasd.
Meer kon hij niet zeggen. Twee handen omklemden zijn hals en hij werd achteruit de gang ingeduwd. De ogen van Sjoerd spuwden vuur. De greep om zijn keel werd pijnlijk en happen naar lucht bemoeilijkt. Hij probeerde zich uit zijn benarde positie te bevrijden. Hij greep de handen van Sjoerd, maar ze waren te sterk. Krachtig belandde hij tegen de muur. Geen enkele kant kon hij nog op. Langzaam gleed hij met zijn rug tegen de muur naar beneden. Eenmaal liggend op de grond had Sjoerd hem eindelijk losgelaten.
Hennie schraapte zijn keel.
‘We kunnen er toch over praten?’ smeekte hij bijna, toen hij zag dat Sjoerd hem wilde stompen. Hij was niet opgewassen tegen het lichamelijke geweld dat hem overmeesterde.
‘Je vermoordt mij nog’, stammelde hij terwijl hij langzaam een krachtige vuistslag incasseerde.
‘Nou, daar missen we dan niets aan!’ schreeuwde Sjoerd vol in zijn gezicht.

                                    *****

Marco liep te ijsberen in zijn woning tot moeder er bijna een zenuwinzinking van kreeg. Stom, stom, stom riep hij aldoor tegen zichzelf. Hij sloeg daarbij met zijn handpalm kleine korte tikjes op zijn voorhoofd. Hoe kon hij zo stom zijn.
Hij was de bladhark vergeten. Die, die hij deze morgen nog had gebruikt. Hoe kon hij zo stom zijn om dat te vergeten? Hij vergat nooit iets. Nooit!
Moeder probeerde hem vergeefs te kalmeren.
‘Je kunt morgen toch langs de villa rijden en de hark ophalen?’
Structuur en regelmaat. Alles moest gewoon kloppen. Morgen was te laat. Hij nam de hark altijd mee als hij de volgende dag naar Keemers moest. Niet morgen, vandaag.
Vandaag, vandaag, vandaag.
Krachtig schudde hij zijn hoofd.
‘Ga nu maar eerst rustig slapen...’
Marco sloeg zijn handen op zijn oren. Dat was niet de oplossing! Hij wilde het niet horen.
Met zijn grote sterke handen duwde hij zijn moeder opzij en stoof de achterdeur uit. Onmogelijk dat zo’n klein iel vrouwtje een boom van een kerel kon tegenhouden, ze moest hem laten gaan.
Hij trapte zijn fiets door de sterke wind. Herfstbladeren waaiden op.
Bladhark, bladhark, bladhark.
Op de openbare weg kon hij het blad nog wel zien liggen, dat was immers niet zijn taak. Maar op het erf van Hennie zou je geen blad tegenkomen als het aan hem lag. Al kreeg hij niet betaald, hij nam zijn werk als tuinman erg serieus. Er was geen betere tuinman te vinden dan hij.
Hij plaatste zijn gammele fiets op de oprit en liep naar de voordeur. De moderne buitenlamp met voeler sprong aan toen hij in het vizier van het oog kwam en het felle licht verblindde hem. In een reflex hield hij zijn arm voor zijn ogen en drukte op de deurbel. Niets. Het leek wel alsof de deurbel het niet deed. Hij drukte nog een keer, en nog een keer en nog een keer. Hij legde zijn oor te luister. Absolute stilte. Toch wist Marco zeker dat Hennie thuis was. Nog vijf minuten bleef hij roerloos voor de deur staan klappertanden. Hij trok de kraag van zijn jas omhoog en stopte zijn ijskoude handen in zijn jaszakken.
Hij moest toch echt de bladhark hebben.
Er werd niet opengedaan.
Marco besloot naar het schuurtje aan de achterzijde te lopen. Langs het stenen pad met smalle border liep hij naar achteren, waar hij de schuurdeur opende en door het licht, komende vanuit de woning, zijn bladhark zag staan. Of Hennie kon waarderen dat hij ongevraagd de schuur in was gelopen wist hij niet, maar het was zijn bladhark. Zijn bladhark en hij had die morgen nodig.
Toen hij het schuurtje wilde verlaten hoorde hij een hoop kabaal. Angstvallig bleef hij met samengeknepen billen staan. Muisstil. Hij hield zelfs zijn adem in. Zijn handen stevig geklemd om de steel van de hark en met strak dichtgeknepen ogen verroerde hij geen vin.
Zijn tanden drukte hij bijna pijnlijk op elkaar toen hij zijn ogen, na enige tijd voorzichtig durfde te openen. Door een kiertje zag hij een schim. In het licht van de woning zag hij een duidelijk postuur. Heel duidelijk zelfs.
Hij zag hoe de terrasdeuren zachtjes dichtgetrokken werden en hoe de persoon verdween over het pad waar hij even daarvoor had gelopen. Hij wist niet hoelang hij nog in het schuurtje had gestaan. Totaal verdoofd. Angstig. Bang dat Hennie naar buiten zou komen en hem zou betrappen. Hij wilde naar huis, naar mama.
Toen de kust veilig leek verliet hij met bonkend hart de schuur. Hij plaatste zijn linkerhand boven zijn oog tegen het glas en tuurde naar binnen. Grote snotter! Hij schrok zo hevig dat hij de hark liet vallen en struikelend naar zijn fiets rende. Dit was niet goed.
Alsof zijn leven ervan afhing fietste hij naar huis. Bang maar ook kwaad. Woede, allerlei emoties waar hij niet mee om kon gaan. Huilend en met een pijnlijk hart sloot hij zich op in zijn slaapkamer. Hij wilde alleen zijn en kon geen woord meer uitbrengen. Hier was hij veilig. Veilig bij mama. Hij kroop onder de lakens en trok de dekens zo ver over zijn oren dat de buitenwereld er niet meer toe deed.


Lyla sliep als een roos.
Ze was die nacht maar één keer wakker geworden, maar was vrijwel direct weer in slaap gevallen. Het gesprek met Peter had haar opgelucht waardoor een goede nachtrust haalbaar was. Geen gepieker en woede. Wel had ze samen met Peter enkele vragen op papier gezet en ze zou, voordat ze deze ochtend zou aanvangen met haar werkzaamheden, dit met Hennie bespreken.
Ze zou terugkeren naar de villa, ondanks dat ze plechtig besloten had nooit meer één teen over de drempel te steken.
Ze sloeg haar duster verder dicht, zuchtte en schudde haar hoofd vol ongeloof bij het zien van het aanrecht. Glimlachend zei ze tegen zichzelf dat die jongen het nooit zou leren. Ze veegde de broodkruimels met een vaatdoek in de wasbak en het gebruikte broodmes met klodders pindakaas plaatste ze in de vaatwasser. Sjoerd was al vroeg naar school vertrokken.
Peter kwam de keuken binnen en klopte zijn vrouw een keer speels tegen haar billen.
‘Moet ik je even brengen?’ vroeg hij bezorgd. ‘Ik wil ook wel mee naar het gesprek.’
Lyla schudde zachtjes haar hoofd. Ze had er alle vertrouwen in en kuste Peter dankbaar op zijn wang.
Sjoerd was weggefietst. Hij zat nog vol adrenaline en wilde de fietstocht benutten om zijn hoofd te legen. Gisteren had hij de villa woedend verlaten. Nu was hij er weer langs gefietst en was even blijven staan. Hij bleef naar de voordeur staren en zag geen beweging. Een serene rust kwam over hem.
Met een kleine glimlach en trots op zijn actie van gisteren, fietste Sjoerd uiteindelijk door.
Hij was vanochtend bewust vroeg weggegaan om zijn moeder te ontlopen. Hij wilde elke confrontatie momenteel vermijden. Al had hij niet het idee dat ze hem gisterenavond hadden gemist.
Natuurlijk had hij thuis niets gezegd. Ze wisten niet eens dat hij het gesprek had gehoord en zouden zijn daad nooit goedkeuren.
Soms moet het gewoon met de vuist. Hij was trots op zichzelf.
Even later reed Lyla met opgeheven hoofd naar de villa en parkeerde haar auto op de oprit.
Als kind vond ze de villa al adembenemend. Toen woonde de wethouder van de Kolm er nog met zijn vrouw. Pas toen Hennie er kwam te wonen en Lyla een vacature had gelezen dat hij iemand zocht voor het huishouden, had ze geen seconde getwijfeld. Het was voor haar de ultieme kans de woning eens vanbinnen te bekijken. Tot haar verbazing werd ze echter aangenomen. Ondanks al het commentaar vanuit haar omgeving had ze hier nooit spijt van gehad.
Toen ze vlakbij de voordeur was, kraakten de eierschillen onder haar schoenen. Een diepe zucht bij het zien van de extra werkzaamheden glipte over haar lippen. Ze draaide de sleutel in het slot en voelde haar hart bonken. Ze voelde zich enigszins opgelaten omdat ze niet kon inschatten hoe Hennie zou reageren na haar reactie van gisteren. Nog nooit eerder had ze zich zo laten gaan en haar emoties laten overheersen. Ze was duidelijk zenuwachtig.
Het was stil in de woning en ze riep zijn naam meerdere keren luid. Toen hij niet reageerde hing ze haar jas aan de kapstok en liep naar de keuken.
De vuile vaat stond op het aanrecht en Hennie was nergens te bekennen. Aan de ene kant was ze opgelucht, want het stelde het gesprek uit. Aan de andere kant bevreemde het haar.  Op dit tijdstip zou Hennie normaal gesproken al hebben ontbeten, maar een ontbijtbordje miste op de keukentafel. Ze schudde zachtjes haar hoofd toch besloot ze haar handtasje in de kelderkast te plaatsen en aan het werk te gaan. Door het kleine keukenraampje klopte ze haar stofdoek uit. Bovendien vond ze frisse lucht wel prettig als ze aan het werk was. Ventileren en de frisse buitenlucht naar binnen halen, heerlijk.
In de gang riep ze nog een keer naar boven, in de veronderstelling dat Hennie zich had verslapen. Ze kon zich niet heugen wanneer dat was gebeurd, maar kon ook geen andere reden bedenken voor Hennies afwezigheid. Zijn auto stond namelijk op de oprit en een fiets was niet het vervoersmiddel dat door hem werd gebruikt.
Pas toen ze de deur naar de woonkamer opende kreeg ze de schrik van haar leven. Het werd haar opeens pijnlijk duidelijk waarom ze geen antwoord had gekregen.
‘Hennie!’ sloeg ze haar handen voor haar mond.
Ze snelde naar hem toe en schudde nogal hardhandig aan zijn schouder.
‘Hennie, zeg eens wat!’
Enkele ferme tikken in zijn gezicht deden hem niet ontwaken. Dat hij koud aanvoelde en er grauw uitzag, drong pas tot haar door toen ze steevast geen reactie kreeg of beweging waarnam.
‘Hennie!’ deed ze nog een laatste wanhopige poging, maar ze wist dat ze te laat was. Alsof ze doden tot leven kon roepen knielde ze naast hem en wiegde hem. Met zijn hoofd op haar gehurkte knieën, liet ze haar tranen de vrije loop. Ze kon het niet helpen, maar de tranen vielen op Hennies verstijfde gezicht. Ze bleef zijn naam maar roepen, maar haar stem verloor kracht. Op het witte tapijt lag een enorme hoeveelheid opgedroogd bloed.
Ze snoot haar neus in een papieren zakdoek en streek met het vol gesnotterd papiertje over haar natte wangen. Een diepe zucht gleed hakkelend over haar lippen. Daarna nam ze de telefoon van de salontafel. Al snikkend en hyperventilerend lukte het haar om hulp te vragen. Het wachten duurde alleen zolang en de aanblik van zijn grote dode ogen werden ondragelijk. Misselijk werd ze ervan.
Ze zette de voordeur op een kier voor de hulpverlening om vervolgens kokhalzend naar de keuken te lopen in afwachting van hulp.
Ze kreeg het beeld van een lijkwitte Hennie maar niet van haar netvlies.


zaterdag 1 april 2017

Bloed op zand , deel 13

De stem van Peter den Ouden, die inmiddels had plaatsgenomen in de studio in Hilversum op het zwaarbewaakte Mediapark, klonk gedempt uit de televisie in het wegrestaurant naast de Shell-shop. Omdat iedereen muisstil luisterde naar de nieuwste berichten, was hij prima te verstaan.
Ivette roerde doelloos in haar koffie en knabbelde aan de restanten van haar broodje gezond, terwijl ze probeerde te begrijpen wat er gaande was. Ze keek naar het flakkerende beeld van de tv. Ze probeerde haar ogen niet af te wenden bij de gruwelijke beelden van de Efteling, hoewel ze het een en ander was gewend uit haar vorige leven. Ze probeerde er niet aan te denken dat het een boodschap was voor haar, en haar alleen.
'De aanslag in de Efteling, die zojuist heeft plaatsgevonden bij de lichtshow Aquanura, heeft vermoedelijk honderden slachtoffers gemaakt onder de tienduizenden bezoekers van het pretpark. Vanuit omringende steden zijn hulpverleners onderweg naar Kaatsheuvel. Nadere gegevens ontbreken nog.' Er waren beelden van de ambulances die af- en aanreden, gevolgd door een vaag filmpje dat iemand live met Periscope had gestreamd. De plotselinge flits in de lichtshow was zien, de knal die volgde was te horen. En dan... Ivette moest goed luisteren. Was dat het vuurwerk dat bij de lichtshow hoorde, of geweervuur?

'Eerder deze dag vond een aanslag plaats in Scheveningen, bij de toegang tot de Pier. Het dodental loopt nog steeds op en nadert de driehonderd, waarvan bijna de helft kinderen. Alle gewonden zijn nu weggebracht naar ziekenhuizen in de regio. Het strand zal tot nader order gesloten zijn wegens sporenonderzoek.' Het beeld van Den Ouden werd vervangen door het beeld van een webcam op een van de strandtenten in de omgeving. Mensen van de technische recherche bewogen zich als strandjutters over het slagveld. Tussen alle achtergebleven spullen van de slachtoffers, het gebruikelijke zwerfafval en jutterswaar, waren duidelijk de donkere plekken te zien waar het zand het bloed had geabsorbeerd.
Het beeld werd vervangen door dat van de minister-president. Hij zweette, en het was duidelijk dat dit niet alleen vanwege de hitte was. Achter hem schitterde de zon op de Hofvijver, voor hem op het dak van zijn dienstauto. 'De situatie is uitzonderlijk,' hijgde hij. 'We hebben de noodtoestand uit moeten roepen en nemen die zeer serieus. Op enkele plaatsen is het leger ingezet. Reservisten dienen zich zo spoedig mogelijk te melden bij hun onderdeel.' Het lachen was hem vergaan. Hij keek naar een agent van de Mobiele Eenheid, die nog net voor het oog van de camera zenuwachtig gebaarde met zijn semi-automatische geweer. 'Het Binnenhof wordt ontruimt, zoals u ziet. Het kabinet zal samenkomen op een geheime locatie om de situatie het hoofd te kunnen bieden. Ik roep u allen op om kalm te blijven. Veilig te blijven. Houdt u aan de aanwijzingen van de politie, de legereenheden en crisis.nl.' Hij stapte in de auto en liet zich met gierende banden wegrijden. Achter hem werden dranghekken neergezet, voorzien van rollen prikkeldraad. Het regeringscentrum was afgesloten.
'De noodtoestand zoals die is uitgeroepen door de minister-president, is tot minimaal volgende week van kracht,' zei de presentator. 'Gaat u zo spoedig mogelijk naar huis. Blijft u binnen, ga niet naar toeristische attracties of plaatsen waar veel mensen samenkomen.' Met een ernstige blik staarde Den Ouden even in de camera om de ernst van zijn woorden te onderstrepen.

Ivette slikte zwaar. Zij zou voorlopig nog niet thuis zijn. Niet dat ze ook maar een oog dicht zou kunnen doen. De man die haar chanteerde, Omar Lobatsky had hij zichzelf genoemd, maakte zijn persoonlijke grieven wel erg openbaar. Verdorie, al die slachtoffers in de Efteling, alleen maar omdat hij haar moest laten zien dat hij het meende met zijn bedreigingen! Ze herkende zijn naam uit de dossiers: hij was hoofd van de terreurbeweging Al'Asl - "Het Origineel". Hij had binnen Europa een dekmantel als handelaar in Oost-Europese deegwaren. Zijn vader was ooit een hoge pief in een Kaukasus-republiek uit de Sovjettijd, zijn moeder een Syrische en verwant met het koninklijk huis van Perzië. Veel meer wisten ze niet van hem. Maar hij wist dus alles van haar. Zelfs alles wat ze had willen vergeten. Ze beet op haar lip.
Tijd. Ze had tijd nodig om zijn opdracht uit te voeren. In de tussentijd kon ze erachter zien te komen wat er nu echt aan de hand was. Kon ze hem uitschakelen? Kon ze zorgen dat zijn informatie, waarmee hij haar chanteerde, waardeloos werd?
Ze wierp weer een blik op de televisie. Zouden Scheveningen en Apeldoorn ook zo'n boodschap zijn geweest? Voor wie dan? Haar lichaam werd kil toen ze besefte dat zowel Charles als Aiden ook gechanteerd konden worden door Lobatsky. Misschien ook de andere leden van de unit, de staf. Wie kon zeggen hoe diep Al'Asl was geïnfiltreerd bij de nationale recherche? Het kon een reden zijn voor het vreemde gedrag van Charles. Ze kon niemand meer vertrouwen.

'De gijzeling in Apeldoorn is nog niet beëindigd,' zei Peter den Ouden. 'Het busje waarmee de prinses en een nog onbekende marechaussee van haar lijfwacht zijn ontvoerd, werd door verkeerscamera's gesignaleerd op de A12, in de richting van Den Haag. Inmiddels wordt in Den Haag gezocht naar het busje. De stad is hermetisch afgesloten.' Een shot van tanks op het Malieveld volgde. 'In Apeldoorn wordt de begrafenis van de prins voorbereid, echter in afwezigheid van de koninklijke familie, die onder de noodsituatie naar een veilige, geheime locatie is gebracht.'
Ivette keek om zich heen. Haar onderbuikgevoel was veranderd in een flinke buikpijn.
Ze zag in de hoek van de vrachtrijders de man met het sjaaltje zitten, spelend met de sleutels van zijn Iveco en kreeg een ingeving. Ze liep naar hem toe en wees op het sjaaltje. 'Sparta?'
De man grijnsde breed vanonder zijn borstelige snor.
'U komt uit Rotterdam?'
'Mathenesse, mevrouwtje. Mathenesse. Met uitzicht op het Kasteel.'
'Zou ik een lift kunnen krijgen naar Rotterdam? Mijn auto heeft het begeven, de Wegenwacht kan voorlopig niet komen door die toestanden. En iedereen moet naar huis, vanwege de noodsituatie.' Ze probeerde een smekende blik in haar ogen te leggen.
Peter den Ouden las het weerbericht voor. Zwaar onweer in de nacht, harde windstoten uit het zuidwesten, flinke afkoeling door een lagedrukgebied dat boven de Noordzee hing...
Even later zat Ivette als bijrijder naast de Sparta-supporter, die zich had voorgesteld als Moes. Ze reden de A59 op. Op de andere rijbaan reden met loeiende sirenes hulpverleners in de richting van de Efteling. Ivette keek een laatste maal achterom naar haar auto, die ze achterliet op de parkeerplaats. Ze liet zich zuchtend terugvallen in de stoel. Geen achtervolgers.
'Wat een dag, wat een dag,' zei Moes. Hij veegde het zweet van zijn voorhoofd. Hoewel de zon langzaam onderging, bleef de drukkende hitte hangen. In het westen waren al de eerste contouren van onweerswolken te zien, met hun kenmerkende donderkoppen. Moes had de raampjes van zijn cabine geopend, de rijwind blies nog enige koelte naar binnen. Verder was het windstil. Stilte voor de storm.
Ivette had van de gelegenheid gebruik gemaakt om stiekem haar telefoon naar buiten te werpen. Genoeglijk zag ze hoe het ding over het asfalt stuiterde en werd verpletterd onder de wielen van een dieplader. Niemand zou haar nog kunnen volgen via haar gsm-locatie. Het was een opluchting.
'Waar ga je heen?!' vroeg Ivette toen Moes zijn auto de uitvoegstrook naar de A27 opstuurde. Haar stem klonk te hoog. Panisch. Denk aan je hartslag. Ze moest rustig worden om haar opdracht in Rotterdam te kunnen uitvoeren, het zou al moeilijk genoeg zijn zònder trillende handen.
'Iedereen die over de Moerdijkbrug wil, wordt gecontroleerd. Er staat een file van heb-ik-jou-daar.' Hij knikte naar het scherm van zijn navigatiesysteem. Rond alle bruggen over de grote rivieren zag het rood van de filemeldingen. 'Maar Moes Koeriersdiensten kent de sluipwegen. We nemen de pontjesroute naar Rotterdam, mevrouwtje.'
Moes Koeriersdiensten was niet de enige die de sluipwegen kende. Het oponthoud bij de veerponten was behoorlijk, het was al tegen middernacht toen de Iveco New Daily-bestelauto Rotterdam binnenreed.
'Waar kan ik u afzetten?' vroeg Moes.
'Erasmus Medisch Centrum, 's-Gravendijkwal.'
'Het ouwe Dijkzigt,' zei Moes. 'Daar is m'n jongste geboren. Malik heet-ie.' Hij tikte op de oude polaroidfoto van een jochie met een donkere krullenkop, die op het dashboard prijkte.
'Leuk joch,' zei Ivette. 'Bijzondere naam.'
'Mijn vrouw is Egyptische. Het is Arabisch voor koning.'
Het Erasmus was uiteraard nog open, zo laat op de avond, zo vroeg in de nacht. Het was er zelfs druk. Natuurlijk waren slachtoffers van Scheveningen ook hierheen gebracht. Traumahelikopters, ambulances, taxi's, het was nog steeds een komen en gaan. Ivette stond voor de hoofdingang waar ze een sigaretje opstak, de laatste van die dag. Ze genoot er van de bries die kenmerkend was voor de wereldhavenstad. Het gaf haar enige verkoeling terwijl ze zich probeerde te herinneren hoe ze het beste haar alma mater binnen kon gaan. Er was veel veranderd sinds ze hier had gestudeerd. Dat haar misstap in haar afstudeeronderzoek zoveel mensen het leven zou kosten, had ze niet kunnen bevroeden. Ze had immers volledig gebroken met het onderzoeksteam, was naar de politieacademie gegaan en had uiteindelijk gekozen voor de nationale recherche en via hen het NCTV. Nu was ze terug. Drukte de peuk uit in de daarvoor bestemde asbak. Ze schreed binnen en volgde zonder aarzeling de borden naar de afdeling Klinische genetica.
Kai schrok op van de knal. Instinctief boog hij zich over de prinses. Weer een knal, gerommel. Hij zag het nu ook weerlichten door de gaten in de laadruimte. Onweer! besefte hij en ontspande. Hij luisterde goed naar wat er buiten het busje te horen was. Hij probeerde zich Aiden voor te stellen, zijn blinde oom. Wat zou die allemaal kunnen "zien" door slechts te luisteren? Hij spande zich extra in. Onweer buiten. Nog geen tien seconden tussen de bliksem en de donder. Regen, maar niet op de carrosserie van het busje. Ze stonden ergens binnen, overdekt, een carport misschien, of een garage met een open wand. Hij rook de typische ozongeur, vermengd met een sterke zoutlucht, die door de kogelgaten het busje binnenkwam. Het prikkelde op zijn lippen. Waren ze aan zee? Hij dacht aan wat hij over de aanslag in Scheveningen had gehoord, de gruwelijke beelden op Twitter voor het internet rond Het Loo uitviel. Honderden doden. Hij hoorde auto's rijden, buiten. Rubber op nat asfalt, een diepe plas vlakbij. Geen sirenes. Hoorde hij nou paarden hinniken in de verte? Hoe laat was het eigenlijk?
Toen Kai zijn ogen weer opendeed, zag hij hoe de prinses hem aanstaarde met haar reeënogen.
'Wat hoorde je?' vroeg ze hem fluisterend.
'Paarden, denk ik.'
'Ik hield van paardrijden. Vroeger. Galopperen over het strand, door de branding.' Het was duidelijk dat ze haar mémoires wilde vertellen voor het doek voorgoed zou vallen. Schoon schip maken, haar zonden opbiechten. Ze vertelde van haar jeugd op het paleis, nam daarna een jerrycan water aan van Kai en dronk een paar slokken.
Terwijl zij op een mueslireep kauwde, vertelde Kai zijn verhaal. Over zijn jeugd, de dood van zijn vader, zijn puberteit met zijn neef Matthijs. Over de aanslag op zijn oom Aiden en de dood van Matthijs. Over Eva. Vooral over Eva. Hij was in tranen toen hij aan hun laatste nacht dacht. Hoe had hij haar kunnen laten gaan? Niet klaar voor een relatie. 'Ik ben een sukkel,' besloot hij.
De prinses had haar arm weer troostend om zijn schouder. 'Iedereen maakt fouten,' zei ze. 'Je moet weten dat ik je oom Aiden-'
Ze zweeg prompt toen er zware voetstappen waren te horen, vlak bij het busje.



zondag 1 januari 2017

Wanwisa...een kort verhaal door Marja West


Met een opgerold vloerkleed onder haar arm staat Karin te liften bij de Amsterdam Arena. In dat kleed zit Wanwisa. 

Gisteren werkte Wanwisa nog in de bediening bij restaurant Kinkao Thai, maar morgenavond gaat ze niet naar haar baas. Tegen zevenen zullen haar collega’s zeggen: 'Wanwisa is laat vandaag', waarna een zouteloze barmedewerkster mompelt dat dat niet de eerste keer is. Misschien vindt Wendy van de afwas het wel ‘typisch Thais’, zoals prawn spring rolls ook typisch Thais zijn. Na een uurtje of wat beginnen de eerste onrustige gevoelens op te borrelen bij de medewerkers van Kinkao Thai, van onder uit de maag. Daar kan geen Thais voedsel tegenop, tegen dat soort opborrelingen. Prawn spring rolls bezorgen de gemiddelde Nederlander misschien het zuur, maar van angst komt de complete maaginhoud omhoog, het wordt een vulkaan die op uitbarsten staat: etensresten, het laatste glas chardonnay waarmee de zaak is weggespoeld; alles wordt er uitgeperst. 'Wie belt haar even,' zegt Wendy van de afwas uiteindelijk terwijl ze een stukje halfverteerde spring roll wegslikt, want dit is niets voor Wanwisa. De zaak stroomt al vol gasten, ze kan niet gemist worden, Wanwisa is een harde werkster. Uiteraard heeft een van de collega’s haar onder de knop staan, niet allemaal, over Thaise meisjes wordt veel gezegd maar Wanwisa is serveerster, zij heeft een net beroep en wil niet geassocieerd worden met wat er doorgaans over Thaise meisjes wordt gezegd, dus heeft ze ook niet iedereen haar nummer gegeven. Misschien is het de kok die haar onder de W in zijn adresboek opzoekt en haar zal proberen te bellen. 'Let jij dan even op het frituurvet,' vraagt hij aan Wendy, 'Als het 180 graden is mogen de prawn spring rolls erin.' Hij zal naar achteren gaan om een stukje de steeg in te lopen waaraan het restaurant grenst. Zo’n steeg waarin overvolle afvalbakken staan met geopende deksels als gapende wonden waaronder plastic zakken liggen die eruit zijn gevallen, gescheurd terwijl ze neerploften op het natte wegdek en aangevreten door straathonden of de kat van de buren. De kok steekt een sigaret op terwijl hij luistert naar de voicemail van Wanwisa, een doodgewone voicemail van een doodgewoon vrolijk meisje. De eerste keer spreekt hij hem nog in, de tweede keer misschien ook, maar bij de derde keer beseft hij dat het onzinnig is om iemands voicemail drie keer in te spreken alleen maar omdat er niet wordt opgenomen. Dat suggereert namelijk een noodgeval, of erger, dat hij met haar uit wil en de kok ambieert geen meisje uit zijn thuisland, over dergelijke meisjes wordt zoveel gezegd, daarvoor is hij niet naar Nederland gekomen. Dus staakt hij zijn pogingen. Misschien tikt hij er nog een sms’je achteraan, maar uiteindelijk keert hij terug naar zijn frituurvet. 'Ze neemt niet op,' zal hij schouderophalend aan de rest van het personeel verklaren. Misschien staat ze wel onder de douche, of is ze opgehouden in het verkeer. Dat kan, denkt hij terwijl hij het frituurnet uitschudt. Alles kan. Maar Wanwisa is niet aan het douchen of opgehouden door het verkeer, nee, Wanwisa ligt in een opgerold vloerkleed en met dat kleed staat Karin, om negentien minuten over elf ’s avonds, te liften bij de Amsterdam Arena. 

Een half jaar daarvoor is Wanwisa vol dromen naar Nederland gevlogen, met Thai Airways. Natuurlijk wist ook Wanwisa wat er over meisjes als zij gezegd werd in Europa. Je hoefde maar door de straten van Bangkok te lopen om de gretige ogen te zien waarmee de blanke Europeaan rondkeek, alsof hij met zijn vakantiegeld door Walmart liep. Maar Wanwisa had een droom en die kon ze niet verwezenlijken in Thailand, Wanwisa wilde namelijk nagelstyliste worden in Santpoort-Noord. 
 In een beduimeld magazine, dat was achtergelaten in een hotelkamer door een toerist die het leven had gelaten na drie slapeloze nachten en een pot Viagra, had Wanwisa een artikel gelezen over het Noord-Hollandse dorp en de klank van de naam beviel haar: Santpoolt-Noold. In haar oren klonk het alsof het een lekker hapje was, een dumpling van oosterse groente en schaaldieren overgoten met zachte gembersaus. In Santpoort-Noord wonen alleen maar nette mensen. Zo oogde het althans op de foto’s, want uit de tekst werd ze niet wijs: al die rare letters daar was voor haar geen touw aan vast te knopen. Maar op die foto’s stond een lief straatje met winkels en een enkel restaurantje, en vooral zonder hoeren, kwam daar in Bangkok tegenwoordig nog maar eens om! Dus draaide ze maandenlang dubbele diensten in het Pathumwan Princess Hotel om een vliegticket naar Nederland te kunnen bekostigen. 
Wanwisa ging de avonden werken bij restaurant Kinkao Thai in Amsterdam, overdag volgde ze een cursus Nederlands tweede taal als voortraject voor haar opleiding tot nagelstyliste. Inmiddels stond ze in Santpoort-Noord ingeschreven voor een zit-keuken-slaapkamer-woning met optie op een garagebox achter de flat waarin Wanwisa haar eigen praktijk wilde vestigen. Zelf zou zij zich nooit van de straat laten oppikken, er waren betere manieren om een toekomstige echtgenoot te ontmoeten. 

Het is onvoorstelbaar hoeveel privédetails mensen via een chatbox met vreemden delen. Geschreven woord heeft iets magisch, als het op schrift is vastgelegd moet het wel de waarheid zijn. Als het dan ook nog eens op internet staat is het een voldongen feit. Een man die op Tinder beweert de liefde van zijn leven te willen vinden wordt serieuzer genomen dan wanneer hij hetzelfde zou hebben gezegd in café Bolle Jan. Daar zou hij zijn uitgelachen, beschimpt, het had hem hooguit een vers getapte pils opgeleverd. 'Ja, ja,' zouden zijn vrienden daarna hebben gezegd, 'en daarom ga je aan de bar hangen boven een biertje, omdat je een vrouw zoekt. Welke cup moet ze hebben?' Maar op internet ligt alles digitaal vast. Peter wil een vrouw, c'est ça. Niemand stelt vragen, er zijn geen bedenkingen. 'Het staat er toch,' zal iedereen zeggen. Dat Peter al een vrouw had, was hij op Tinder vergeten te melden. Er wordt immers vaak genoeg gewaarschuwd niet te veel details van jezelf te geven, het internet is per slot van rekening een erg openbaar medium, dus Peter heeft hard nagedacht over wat hij beter nog maar even onder de pet kon houden. Karin is een van de details die hij liever in latere instantie noemt, een beetje tussen neus en lippen door na een hete nacht, net zoals zijn leeftijd en zijn haarinplant. Een kale kop mag dan getuigen van veel testosteron, op zo’n fotootje komt het niet over, dus heeft Peter een kiekje gescoord van zijn beste vriend, nog genomen in hun studententijd. Toen al keken vrouwen meer naar die beste vriend met zijn bos blonde krullen dan naar Peter wiens haarlijn op zijn 21ste al verder naar achteren was komen te liggen dan de Vinex-wijk van Utrecht. Die beste vriend woont tegenwoordig in Bangkok met een bloedmooie Thaise en twee zeer goed gelukte halfbloedjes van kinderen, jongens met donkere krullen. Van zijn eigen zoon controleert Peter dagelijks de haarlijn. Volgend jaar stroomt het joch door naar de brugklas en nu al staat voor zijn vader vast dat geen meisje zich over twintig jaar op een reünie nog zal herinneren wie Merlijn de Jong was. 

De avond waarop Karin eerst een oud Perzisch tapijt op de achterbank van haar Alfa had gelegd, dat ze de volgende dag naar de stort wilde rijden om vervolgens naar een workshop plantenhangers haken te gaan, had Peter Wanwisa op het internet voorbij zien komen, een prachtige Thaise met dromerige zwarte ogen en haar tot op haar kont en daar viel hij op. Sinds ze moeder was geworden had zijn Karin een pittig kort kapsel en soms was ze ook zijn moeder. Je kunt een kind alleen iets leren als je zelf het goede voorbeeld geeft, was haar devies, dus liep ze de godganselijke dag te zaniken over vuile onderbroeken in de hoek van de slaapkamer of een mes vol pindakaas op de linkerhelft van het aanrecht. Er waren tijden dat ze die onderbroeken sexy vond, nu bekeek Karin de zaak van een andere kant, een meer praktische kant. Vuil goed hoort in de wasmand, vuile messen in de vaatwasser. Alles heeft zo zijn plek. Maar Wanwisa zocht een echtgenoot, een man om een bestaan mee op te bouwen, om twee, misschien wel drie kinderen mee te krijgen en oud te worden in Santpoort-Noord. ’s Avonds zou Peter thuiskomen en haar prawn spring rolls op tafel zien uitdampen, haar praktijkje zou slechts bijzaak zijn, iets om de lege uren op te vullen waarin de kinderen op school zaten terwijl het huishouden al gedaan was. Peter had niets met Santpoort- Noord maar daar zouden ze wel uitkomen. Twee jaar in dat oord en Wanwisa wilde gillend terug naar Bangkok, samen met hem. Niemand wil in Santpoort-Noord wonen. 

Als Peter een doorgewinterde ICT’er was geweest dan had hij zijn internethistorie deugdelijk gewist, maar Peter was visverkoper op de boulevard van Zandvoort met een lichte voorkeur voor het Holiday Inn Express Hotel, een voorkeur waar Karin hem nog nooit over gehoord had, maar waarover ze las in het moeizame chatgesprek dat Peter met Wanwisa had gevoerd op Tinder. Hij bezat een eigen frituur met uitzicht op zee waarin hij dagelijks kilo’s kabeljauw het vet in liet glijden. De saus kneep hij uit een fles. In Thailand eet men niets anders dan gefrituurde vis, dus daar zou hij echt wel aan de bak komen, moet hij geredeneerd hebben terwijl hij de site van Bangkok real estate doorzocht. Er zat inmiddels een flinke overwaarde op de woning dankzij Karins inkomen, daarmee kon hij voor zichzelf en Wanwisa een vrijstaand optrekje kopen vlak buiten Bangkok, de huizen daar kosten geen drol. Karin is wel ICT’er, bovendien ze bezit een gezonde dosis argwaan als het om haar echtgenoot gaat. Wijkende haarlijn of niet, Peter voelde zich nog steeds achttien en keek te graag naar leeftijdsgenootjes. De avond na de haakworkshop, waarin Karin vier plantendragers had vervaardigd om Kaapse viooltjes in op te hangen, omzeilde ze Peters beveiliging. Zijn bureaublad werd gevuld met Wanwisa’s ogen. 

Nu had ze twee keuzes, dacht Karin. Eigenlijk heeft ieder mens een ontelbaar aantal keuzes met een al even ontelbaar aantal uitkomsten, maar Karin dacht op dat moment binair, in eentjes en nulletjes, in twee keuzes. Dat ze al die eentjes en nulletjes ook samen had kunnen voegen om tot een andere uitkomst te komen kwam na het zien van Wanwisa’s zwoele blik op Peters scherm niet in haar op. Wat Karin betreft werd het 1 of 0 oftewel, echtgenoot kwijt of niet. Vòòr de eerste slok zoete witte wijn, met ijs, want zo dronk ze het graag, had Karin vage visioenen gehad die uiteenliepen van een goed gesprek tot hooglopende ruzie. Maar hoe houd je in godsnaam een goed gesprek met een ongeletterde Thaise die Santpoort-Noord als het paradijs op aarde beschouwt, dacht ze na haar tweede glas. Tijdens het derde glas had ze een eurekamoment bij het idee om Wanwisa een ticket en een som geld aan te bieden, maar waarom zou zij financieel moeten opdraaien voor Peters midlifecrisis, schoot het door haar heen toen ze de vierde inschonk? De vijfde witte wijn bracht haar een vaag idee over Roundup, maar volgens Monsanto veroorzaakte dat helemaal geen kanker en bovendien, wachten totdat Wanwisa aan kanker zou gaan duurde Karin bij het zesde glas al veel te lang. Het zevende leidde tot een kort onderzoekje in de kelder. Peter was nogal obsessief als het ging om verstopte zwanenhalzen en ze vroeg zich af wat onder de toonbank aangeschafte caustic soda door een spring roll in een thais lijfje kon aanrichten. Maar bij glas nummer acht en negen realiseerde Karin zich, dat de drie korrels die ze uit het busje had geschud en welke nu naast de tweede lege fles wijn lagen onvoldoende zouden zijn om echt schade aan te richten. Daar kwam bij, ze kon op het internet nergens achterhalen wat gefrituurde caustic soda voor uitwerking had en die Thai aten niet anders dan gefrituurd, als ze Peters chats mocht geloven. Het tiende glas bracht haar helemaal niets, behalve dat het woord “gefrituurd” bleef rondzoemen in haar hoofd als een stationair draaiende scooter. Bij het elfde glas gleden haar gedachten richting de frituur van haar echtgenoot, want ja, als die Thai alles frituurden... Maar ook dat idee liet ze al snel varen, Peters viskraam was niet groot genoeg om er comfortabel een Thaise in te verwerken tot spring rolls. Een twaalfde glas zat niet meer in de fles. Nu was dat niet zo erg, Karin was er toch klaar mee, al dat nadenken loste niets op. Ze trok het grootste mes uit het blok en stapte in haar auto. Terwijl ze door het stoplicht reed zag ze in het snijvlak het rode licht reflecteren. Peters professie had zo zijn voordelen, dacht ze nog, het staal was pas geslepen. 

Bij het Holiday Inn Express Hotel, om de hoek van de Amsterdam Arena, parkeerde Karin haar Alfa Romeo. Op de achterbank zag ze het Perzische tapijt liggen dat ze de volgende dag had willen afvoeren, het stonk een beetje naar Peter, naar gefrituurde kabeljauw met uitjes en saus. Na een dag werken in Zandvoort stoeide hij altijd met de hond op dat tapijt terwijl zij de aardappels afgoot. Maar de hond was vijf weken geleden overleden en nu wilde ze het vieze ding uit haar woonkamer hebben omdat het naar vis stonk. In wezen gold dat ook voor Peter, dat hij naar vis stonk, maar van hem kon ze nog geen afscheid nemen. Niet zolang de hypotheek op beider naam stond en de laatste termijn van het eigen huis voordeelkrediet nog niet was betaald, want in dat geval zou zij namelijk voor alles opdraaien; Peters viskraam bracht nauwelijks meer dan een bijstandsuitkering op. Maar als de zaak was afgelost trapte ze hem er subiet uit, dan kon hij wat haar betreft in Bangkok achter zijn viskraam gaan liggen slapen met een Wanwisa of wie dan ook. Tot die tijd bleef Peter netjes meebetalen, precies de helft, zoals was vastgelegd bij de notaris toen ze het huis kochten. De rekening voor zijn onderhoud dekte tegen die tijd de overwaarde van de woning wel, waar Peter nu zo graag een optrekje van wilde kopen in Thailand, de financiën hield Karin nauwkeurig bij. Een echt plan had ze die avond niet, anders dan met dat mes glimlachend voorbij de hotelreceptie lopen. 

De receptie heeft Karin nooit gezien, want terwijl ze haar Alfa Romeo afsloot parkeerde Peter zijn Fiat Punto achter haar. Misschien had hij eerst zijn kraam aan Wanwisa getoond om haar ervan te overtuigen dat hij een vast inkomen heeft, of zijn ze een stukje gaan toeren om nader kennis te maken, wie zal het zeggen. In ieder geval wilden ze in het Holidy Inn Express een hapje gaan eten en waarschijnlijk nog wel wat meer want het hotel stond bepaald niet bekend om haar fantastische keuken. Peter herkende zijn Karin niet onmiddellijk. Om te beginnen verwachtte hij haar niet voor het Holiday Inn Express te zien en mensen varen nu eenmaal op verwachtingen, maar ook wankelde ze stomdronken rond met een vlijmscherp mes, bepaald geen pose die Peter bij zijn plantendrager hakende echtgenote met pittig kort kapsel verwachtte. 'Blijf maar even hier zitten,' hoorde Karin hem nog tegen Wanwisa zeggen terwijl hij aan de andere kant uitstapte. Dat had hij beter niet kunnen doen. Het mes gleed door de linkerborst van de Thaise als door een zacht pakje roomboter terwijl Peter schreeuwde: 'Wat doe je nou trut?' 
De beveiliging van het hotel stond ondertussen een sigaretje te roken voor de draaideur. Op Peters geschreeuw keek een van hen kort naar de overkant. 'Weer zo’n stel dat al jaren geleden uit elkaar had moeten gaan,' zal zijn collega wellicht hebben gezegd waarna hij hem een vuurtje aanbood. Met ruziënde stellen kon je je als bewaker maar beter niet bemoeien, wist hij uit eigen ervaring. 'Gewoon doen of je gek bent, Lena, zou mijn moeder hebben geadviseerd,' zei hij waarna het gegrinnik van de bewaking wegstierf in de koele avondlucht. 
Ondertussen had Peter het mes ontfrutselt en er uit onmacht Karins brandnieuwe all season banden mee bewerkt. Daarna had hij Wanwisa uit zijn auto gesleept. Ze stierf op het voetpad, uit het zicht van de rokende bewaking, uit het zicht van iedereen. Peter was er vandoor gegaan in zijn Punto. Op Tinder stonden honderden Wanwisa’s. In de paar uurtjes die hij vanavond met het meisje had rondgetuft had hij zich niet aan haar gehecht. Karin zocht het er maar mee uit. Met een beetje mazzel sliep ze de komende jaren in de vrouwengevangenis van Nieuwersluis, misschien kon er zelfs een TBS’je aan worden vastgeknoopt. 'Ze deed wel vaker raar, edelachtbare, maar ja, het blijft toch je vrouw. Hoewel, die keer dat ze de buurvrouw dreigde om te leggen met een palenrammer omdat ze bi-bi-que’en had gezegd (mijn Karin heeft een hekel aan afkortingen) vond ik haar wel wat ver gaan. Maar goed, als de drank in de vrouw is...' 

Het voorval had Karin op slag ontnuchterd. Geschrokken had ze naar Wanwisa gekeken die als een halfvolle vuilniszak voor haar voeten lag terwijl ze in de verte de rochelende motor van de Punto hoorde. Het leek bijna nog een kind, die Thaise, maar ja, je weet wat ze over Thaise meisjes zeggen, dacht Karin en rolde haar in het Perzische tapijt. Even later stond ze bij de Amsterdam Arena met haar duim omhoog. 

Uiteindelijk stopte er een politieauto. Of het haar bekend was dat liften gevaarlijk is. 'Ik heb een Perzisch tapijt gekocht, via Marktplaats, maar ik mag er de tram niet mee in,' antwoordde Karin. 'Ik moet naar Santpoort-Noord.' Sinds de overheid als speerpunt heeft dat de politie toenadering tot het publiek moet zoeken om het blauw op straat tenminste de glans van veiligheid te geven zijn agenten behulpzamer dan de gidsen van de scouting. De agente zonder snor opende de kofferbak en hielp Karin gemoedelijk om de rol erin te krijgen. 
Gelukkig zijn Thaise meisjes niet zo zwaar. 

Morgen zal iemand de afwezigheid van Wanwisa melden bij het politiebureau. Wellicht haar werkgever of misschien een collega waar ze af en toe wat mee gaat drinken en die inmiddels haar beste vriendin is, bij gebrek aan beter. In ieder geval niemand van haar familie, want die wonen allemaal in Thailand. De politie zal eerst opperen dat ze is teruggegaan naar haar thuisland of met een vriendje in de auto is vertrokken naar Spanje voor een strandvakantie in Lloret de Mar. De werkgever, of de collega/vriendin, zal tegenstribbelen. Zo is Wanwisa helemaal niet, die is nog nooit zonder aankondiging van haar werk weggebleven. De dienstdoende agent is sceptisch, hij weet wat ze van Thaise meisjes zeggen en profilering hoort nu eenmaal bij het vak. Wat hem betreft zit Wanwisa met een manager van 50 plus uit het middenkader in een morsig hotelletje aan de Middellandse Zee. De politie heeft het veel te druk om zich over een meerderjarige meisje te bekommeren die zonder achterlating van een bericht naar een van de Costa’s is vertrokken met haar sugardaddy. Zojuist kwam er een melding binnen van bureau Warmoesstraat, een personenauto is de gracht in gereden. De zaak is acuut. Het gaat om een gezin van vier dat ligt te dobberen in de Achterzijds Voorburgwal. Links-rechts passeren agenten de werkgever, of de collega/vriendin, de laatste mompelt een ongemeend excuus en iets over volgende week terugkomen. De dame achter de balie haalt haar schouders op, ook zij kan verder niet van dienst zijn. 'Komt u maar liever over twee weken terug,' zal ze voorstellen. 'Niemand gaat voor een week met de auto naar Spanje, dat is gekkenwerk.' Uit eigen ervaring weet ze dat het een kolere eind rijden is. Teleurgesteld gaat de werkgever, of de collega/vriendin, weg en terecht, want Wanwisa zit niet aan de Spaanse kust te nippen van een tequilla, nee, Wanwisa ligt in een opgerold vloerkleed, dat Karin zes jaar geleden tweedehands aanschafte op de Beverwijkse Zwarte Markt, in een container achter een flat in Santpoort-Noord. Zo’n Perzisch kleed met een label eraan dat vervaardiging ervan in Bangkok meldt. 
Is Wanwisa toch nog een beetje thuis.


dinsdag 27 december 2016

Dresscode rood deel 6


deel 6 - door Martine Veirman
Onder het genot van haar sigaretje nam Eva alles nog eens door van de dag dat ze Helmer voor het eerst, toevallig ontmoet had, nu 6 maanden terug. Ze kon het zich nog herinneren alsof het gisteren was. Ze wou net afsluiten en haar ronde doen om alle toiletten na te kijken en dan vlug de fiets op naar haar huisje. Om daar helaas terug de avond in eenzaamheid door te brengen. Net toen ze bij het laatste toilet kwam bij de heren klopte hij aan. Helmer stond daar in gans zijn pracht, ja hij was prachtig, ze was op slag verliefd, zo een gevoel had ze op haar leeftijd niet meer voor mogelijk gehouden. Hij had haar gevraagd of hij nog vlug kon plassen. Hij zou heel proper zijn. Niet naast de pot plassen. Had hij al lachende gezegd. Maar al had hij alles onder geplast, ze zou nog met die dromerige glimlach staan knikken hebben, woorden kwamen er toen niet direct uit.
Gelukkig voor haar duurde het even en was ze terug tot haar positieven gekomen. Hij was nog even blijven staan om een praatje te maken over de mooie hallen waar ze stonden en had afscheid genomen. De volgende avond herhaalde zich het zelfde scenario, tot zelfs 4 keer toe.
Eva had toen al haar moed bij elkaar geraapt en hem gevraagd hoe het toch kwam dat hij telkens als laatste binnen wipte bij het plaslokaal. Al blozende had ze toegehoord hoe hij haar als excuus gebruikt had. Hij zie dat hij iedere avond had gewacht tot zij aan het afsluiten was, zo kon hij nog even extra met haar praten zonder dat er anderen kwamen om te plassen. Wat had ze dat lief gevonden. Ja toen hij daarna met haar thuis belandde schreef ze het toe aan zijn lieve woorden.
Ondertussen zat Leida maar te wachten en te wachten. Die Saskia mocht nu wel komen en haar ondervragen. Ze hield het niet veel langer meer. Straks zou ze zich nog een verdachte gaan voelen. En over verdacht gesproken, nu ze alle tijd had begon ze na te denken over die meiden. Het groepje dat haar had aangesproken over een verloren portemonnee. Ze begon één voor één hun gezichten na te gaan. Gelukkig had Leida al van kind af aan een fotografisch geheugen, zo kon ze alle details terug oproepen. Er waren er 6 toen ze aankwam aan de toiletten, ze had nog gevraagd om even aan de kant te gaan, met tegenzin hadden ze een beetje plaats gemaakt. Ondertussen hoorde ze er eentje vragen om een verdwenen portemonnee aan de toiletdame. Ze had nog gedacht, ‘die meiden alles verliezen en de ouders zullen wel gaan werken voor de kosten’. Toen ze uiteindelijk de plaats delict had verlaten, stonden de meiden terug in de weg. Maar…..er waren er maar 5 meer. Nu even goed nadenken. De blonde met lang haar, de kleine met het roze mutsje, de meid die om de portemonnee vroeg, eentje met zwart punk haar, eentje met een kerstmuts op en…het meisje met het rode haar, waar was die gebleven?
Leida stond op en ging zelf op zoek naar Saskia de Rooy, dat was iets dat ze kon vertellen, wie weet kon het van nut zijn.
Nog steeds in gedachten verzonken zat Eva op haar stoel. Het klopje van Jeroen Vrieswijk deed haar dan ook zo opschrikken dat ze bijna van het stoeltje viel. Jeroen verontschuldigde zich en vroeg of ze even mee kon komen naar het kamertje dat tijdelijk dienst deed als ondervraagkamer.
Het koud zweet brak haar uit. Hij heeft het gedaan, mijn Helmer was het. Trillend op haar benen volgde ze de man. Ze voelde zich als een kip die naar de slacht gebracht werd. Eenmaal binnen vroeg hij haar om plaats te nemen, hij zou zo komen om haar wat vragen te stellen. Kon hij haar een glaasje water meebrengen?  vroeg hij bij het naar buiten gaan. Dat aanbod sloeg ze niet af.
Haar gedachten gingen verder. Naar de eerste nacht samen. Heerlijk, meer woorden waren er niet voor nodig. Hij was elke avond na haar werk haar komen ophalen en samen naar haar huis gegaan. Op vragen over zijn werk of zijn eigen leven voor haar, was hij altijd wat bescheiden en teruggetrokken geweest. Na lang aandringen kwam ze te weten dat hij voor een uitgever werkte. Soms schreef hij ook kleine verhaaltjes had hij haar toevertrouwd, helaas niet goed genoeg om te publiceren. Ze had er eentje gelezen en vond het best goed, maar wie was zij om daar over te oordelen, ze las normaal enkel stationsromannetjes, of de Mammie reeks. Nu ze er over nadacht, een uitgever, welke was het ook weer? Verdorie, ze kon er niet op komen, het lag op het puntje van haar tong. Zeker niet dezelfde waar het slachtoffer bij was geweest. Helmer had het er nog over gehad dat het boek ‘Doorgespoeld’ terug nummer één zou worden. Klonk er toen niet wat jaloersheid in zijn stem door? Of ging haar geest nu met haar een loopje nemen, zodat ze alles verdacht zag. Of niet? Had Helmer er toch iets mee te maken, was hij ingehuurd, was zij zijn hulpje zonder dat ze het wist, was hij daarom bij haar????
Saskia stond met de meidengroep te praten toen Leida haar vond. Ze keek het groepje na en Leida vroeg heel duidelijk om de aandacht te trekken van de door elkaar kwebbelende meiden, ‘waar is het meisje met het rode haar?’ Het werd muisstil, de meiden keken haar aan alsof ze dachten dat Leida gek was. Het meisje met de kerstmuts nam het woord . ‘Sorry mevrouw, wij zijn maar met ons vijf en geen van ons heeft rood haar, u zult zich vergist hebben.’ Leida nam Saskia apart, en maakte haar heel duidelijk dat er 6 meiden waren voor het toilet en eentje met rood lang haar, ze was toch zeker niet blind??
Nog steeds kwam er volk binnen gestoomd in de hallen. Niemand maakte zich nog druk over de moord, wat konden mensen toch vlug opgaan in iets anders, alles was zo vluchtig. Vanachter de balie van de jassen en verloren voorwerpen stond er iemand alles heel nauwlettend te observeren.

maandag 26 december 2016

Dresscode deel 5

Dresscode rood
deel 5 - door Suzanne Lemaire
Eva kijkt Helmer aan. Zijn woorden dringen nu pas tot haar door. Doorgetrokken? Zou dat iets met die schrijfster te maken hebben? Die had toch een boek geschreven met deze titel?
‘Helmer, je moet dat aan de politie melden!’, zegt Eva ‘Zeg, ik ben niet gek hoor; ik ben wel gratis binnengewipt.’
‘Ja, maar je hebt waarschijnlijk de moordenaar gezien.’, dringt Eva aan.
Helmer heeft al spijt iets tegen Eva gezegd te hebben. Nee, hij gaat mooi zwijgen, niks mee te maken. Mijn naam is haas. ‘Ik heb dringend een drankje nodig’ en hij verdwijnt naar binnen. Eva blijft verdwaasd achter.

Leida zit maar stil op haar stoel. Dat zij dit nu juist moet meemaken. Zou ze Henk bellen? Nee, beter niet. Even gleed een glimlach over haar lippen.
De avond tevoren was Henk thuisgekomen met een gezicht van kinderlijke blijdschap.
Zijn armen vol met dozen en tasjes en pakjes.
Leida keek hem verwonderd aan.
‘Ach’, zei Henk, ‘morgen ben jij met de meiden toch naar die Winterfair? Daar maak ik gebruik van om de kerstboom op te tuigen. En het is al zoveel jaren zilver, dus ik dacht : laten we eens nieuwe versiering kopen. Ik heb alles ‘rood’ gekocht. Wat denk je? Vandaag is rood….de kleur van de liefde…toch?’
Henk ging altijd volledig mee met het kerstgebeuren. Als ze hem nu zou bellen, was zijn dag verknoeid en dat wilde ze hem niet aan doen….
Ze slaakte een diepe zucht. Waarom was ze ook meegegaan?
Hoelang zou dit nog duren? Suus was zich ook al aan het vervelen….
Ondertussen was de Winterfair in volle gang. Nochtans liepen vele nieuwsgierigen in de richting van de toiletten. Ramptoeristen ja.. Saskia had de grootste moeite alles in goed banen te leiden en de kalmte te bewaren. De vriendinnen zaten ook sip te kijken. Wat beloofde een gezellige dag te worden, viel helemaal weg. Anouk nam de leiding en maande hen aan om van deze dag toch nog iets leuks te maken. En ze wandelden verder op zoek naar een workshop. Ze lieten deze dag niet verknoeien. Leida kon nog niet weg want Saskia van Rooy moest haar nog verder ondervragen. Suus wou bij haar blijven maar Leida spoorde haar aan om mee te gaan met de anderen. 

Er stond een vrouw bij de politie een beetje opgewonden te praten. Ze beweerde dat de man die stilletjes in de gang stond aan de nooduitgang, herkend te hebben. Ze had geprobeerd met hem contact te zoeken, maar hij negeerde haar. Plots zag ze hem en wees hem met haar vinger aan. ‘Daar! Dat is hem!’ 
En ze wees Helmer aan.

‘Verdorie’, dacht Helmer, ‘daar was die vrouw van de gang weer. Wat! Ze wees hem aan!’ Hoe kon hij ontsnappen? 
Te laat…twee mannen kwamen naar hem toe en vroegen hem beleefd mee te komen.
Het zweet brak hem uit. Eva zag hem voorbijkomen en voelde een lichte wrevel. Waarom was hij met zijn informatie niet direct naar de politie gestapt?Tenzij…..neen hij zou er toch niks mee te maken hebben? Hoe goed kende ze hem eigenlijk echt? Helemaal gerust was ze er toch niet op. Ze snakte naar een sigaret.…

zondag 25 december 2016

Dresscode rood deel 4


deel 4 - door Jack Schlimazlnik
Saskia de Rooy staat zuchtend tussen het tumult bij de toiletten. Dat er een auteur dood is, is als een lopend vuurtje de Winterfair rondgegaan. Ze heeft het bericht op haar WhatsApp voorbij zien komen. Niemand weet nog welke auteur het is, maar daar zal ze gauw genoeg achter komen, want in de goed verwarmde serre waar de auteurs zullen signeren zal vast wel een lege plaats aan de signeertafel zijn. Het is dus niet haar eerste zorg. Ze moet weten wie de dader was. Die loopt nog vrij rond.
Helaas heeft het hoogblond geverfde vrouwtje met de geur van zware shag niet veel zinnigs kunnen zeggen, verbijsterd als zij was over de puinhoop bij haar pleehokjes. Aan het signalement dat ze heeft gegeven van de oudere dames -kort, pittig kapsel, rode jurk, stevige stappers- heeft agente De Rooy niet veel, want dat soort dames gaan er dertien in een dozijn op de Winterfair. Maar kunnen die dames de daders zijn van een móórd?
En dan was er ook nog die zaak van die verdwenen portemonnee. Had de dader die misschien meegenomen? Of toch die oudere dames die het toilet hadden bezocht vlak voor de moord werd ontdekt? Vragen, allemaal vragen, en ze wilde nog naar het eindejaarsgala van het regioteam die avond.
Ze vraagt zich af hoeveel mensen er naar de toiletten komen. Ze denkt aan de schortzak vol kleingeld van Eva Jongstra, die rammelt als ze loopt. Zou zo iemand geen andere dromen hebben dan dagelijks toiletten schoonmaken? Wat levert dat nou helemaal op?
‘Sas, kom je?’ Inspecteur Jeroen Vrieswijk staat naast haar. 'We doen een briefing in de serre, voordat zo dadelijk de auteurs komen.’
Saskia loopt hem achterna, dwars door de Winterfair menigte waar de dresscode duidelijk rood is. Ze gaat zitten terwijl Vrieswijk achter het katheder gaat staan, pal naast de kerstboom. Hij draagt zijn galakostuum al en doet daarmee niet onder voor de kerstboom als het om glimmen en schitteren gaat. Collega’s in burger gaan naast Saskia zitten. Nieuwsgierigen drommen voor de deur, die door brigadier Van Os hard wordt dichtgeslagen. De kristallen kroonluchter rammelt ervan.
'Wat we hebben is een moord,’ zegt Vrieswijk. 'Op Hermien Spaargaren.’
'Hoe weet jij dat?’ flapt Saskia eruit.
'Doordat haar portret op haar nieuwste bestseller staat.’ Hij pakt een boek op van de lange signeertafel en laat de achterkant zien. Op de voorkant staat in bloedrode letters de titel: Doorgetrokken.
'Ze heeft een steekwond in de borststreek, de schouwarts heeft de dood vastgesteld. Autopsie zal uitsluitsel moeten geven over de precieze doodsoorzaak. De hand die is gevonden is niet van het slachtoffer, althans niet van nature, want zij heeft beide handen nog aan haar lichaam. Het is vermoedelijk een mannenhand. Een linkerhand.’
Van Os schraapt zijn keel. 'Van de dader?’
Saskia rolt met haar ogen. 'Zijn er sporen van de dader?’ vraagt ze.
'Het damestoilet heeft een nooduitgang direct naar buiten. Daar hield een man zich volgens enkele getuigen verdacht op. Eén van de getuigen, de charmante freule Van Sevenaer tot Achthoven, heeft hem gesproken. Hij zei een van de organisatoren van de Winterfair te zijn, maar had geen rood shirt aan. Het kan zijn dat hij een insluiper is, want de buitenvergrendeling van de deur was los. Ook zijn er bij de nooddeur bloedsporen gevonden.’
Brigadier Van Os heeft zijn aandacht inmiddels bij de deur van de serre naar de hal, die op een kier staat. Hij spreekt gehaast maar zacht met een stevige man in een groot wit schort, vol bloedvlekken.
Dan sluit hij de deur en kijkt naar Vrieswijk. 'Jeroen, die meneer wil aangifte doen van diefstal. Hij heeft een kraam met huisgemaakte worst en fijne vleeswaren van Veluws wild. Zijn messenset is gestolen.’
****
'Mam, wanneer gaat de bus terug?’ Suus kijkt wat angstig naar haar moeder. Nepsneeuw dwarrelt langs in de sfeervol verlichte hal. 'Nu even niet,’ zegt Leida tegen haar dochter. 'De politie wil dat we in de buurt blijven voor als ze nog vragen hebben of wanneer wij ons nog iets herinneren.’ Ze moet steeds aan al dat bloed denken. Ze voelt zich wat licht in het hoofd, misschien van alle pijnstillers die ze met Glühwein heeft weggewerkt. Toch wil ze ook blijven om een gesigneerd exemplaar van Doorgetrokken in handen te krijgen. Hermien Spaargaren mag dan een kreng zijn, denkt Leida, er verschijnen wel de beste thrillers van haar hand!
****
'Eva.’ Helmer hangt tegen de muur naast het klapstoeltje van de toiletjuffrouw. 'Ik hoorde iemand iets raars zeggen, vlak voordat … voordat …’ Hij knikt in de richting van het middelste toilethokje, de plaats delict met linten van de politie is verzegeld. 'Iemand kwam voorbij, ik hoorde haar zeggen “Ik heb doorgetrokken”. Denk ik. Nu ik er goed over na heb gedacht. Dat is toch raar?’
Eva haalt haar schouders op. Vandaag is alles raar. Ze neemt nog een stevige hijs van haar sigaret, de laatste uit het pakje van die dag.