Posts tonen met het label Tamara. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Tamara. Alle posts tonen

vrijdag 7 januari 2022

Teamlid Tamara stelt zich voor

 


Voornaam
Tamara

Leeftijd: 38 jaar

Woonplaats Hoogeveen

Wat je over jezelf wilt vertellen: Ik ben getrouwd met de liefste en leukste man van de wereld en samen hebben wij een heerlijk, poepeigenwijs en superlief zoontje van 5. Wij hebben 5 katten, 1 hond ( nou ja hond… decoratiemateriaal past beter bij hem) en een aquarium met vissen en een roodwangschildpad. In de avonduren heb/ben ik een buurtpunt voor DHL en Homerr. In plaats dat de pakketjes naar een winkel gaan, komen ze bij mij. Het is leuk en gezellig om te doen en vooral het contact met de mensen. Door een chronische ziekte zit ik voornamelijk aan de bank gekluisterd, maar op deze manier kan ik toch een (mini) steentje bijdragen aan de maatschappij én heb weer contact.
Verder ben ik gek op koken, het liefst Italiaans maar stamppot en stoofschotels worden ook graag gemaakt!

 

Je eerste boek ooit: Oef! Dribbel hahaha.

Je beste boek ooit: Dat is een gemene vraag, dat er zoveel! Maar als ik er dan toch eentje moet kiezen…Stephen King met “het meisje dat hield van Tom Gordon”…of nee, toch Stephen Chsosky met “de denkbeeldige vriend”.

Favoriete auteurs: Stephen King, Linwood Barclay, Harlan Coben, Kevin Valgaeren (vooral Blackwell serie!!) en Arjan Alberts staat op mijn “Hou ik de gaten” lijst omdat hij mij heeft weten omver te blazen met Natan Z. En over de “hou ik in de gaten lijst” gesproken, daar mag Terrence Lauerhohn ook bij op. Zijn boek “blauwe bonen” heeft mij zo verrast, dat ik meer wil lezen.

Waarom lees je graag en hoeveel lees je gemiddeld per jaar of week: Ik lees graag om even in een andere wereld te vertoeven. Elk boek wat ik opensla hoop ik dat het verhaal mij omver blaast en mij kippenvel weet te geven. Het verschilt enorm in de hoeveelheid ik lees. Zo heb ik het leesvirus te pakken en verslind de boeken bij het leven en zo staat lezen mij weer even een paar dagen tegen. Ik lees wel standaard bij het eten.

 

Lees je alleen thrillers? Voornamelijk thrillers. Maar een goed horrorboek sla ik niet over. Soms een biografie en als ik echt gek in de kop ben een roman.

zondag 6 oktober 2019

Tamara en iets met een kale poes


Ik ben allergisch, al zo lang als ik me kan herinneren. Voor veren, haren, stof, parfum, noem het maar op of ik krijg er uitslag van of ga ervan niezen. Zo ook met katten. Mijn hele leven wil ik al een kat, maar een paar minuten in een ruimte met katten en ik begin te piepen en te kuchen. Een aantal jaar geleden had een collega van Patrick een kat mee naar de zaak en mocht ik ermee knuffelen. NERGENS LAST VAN! Ik wist het zeker: Zo’n kat moest ik ook. Het bleek een Sphynx en helaas voor mij, kost zo’n beestje tussen de 1000 en 1500 euro.

Ik liet de droom varen, en ik nam dan maar naaktratten. Leek er wel een beetje op, maar toch was het gevoel niet helemaal hetzelfde: Ze voelden wel lekker, ik had er geen last van qua allergie, maar ze knuffelden niet en ze werden maar twee jaar. De afgelopen paar jaar jankte ik wat af, bij elke rat die het loodje legde. Ook niet echt een succes.

En toen kwam daar ineens vorige week. Omdat we nu eindelijk groot genoeg wonen voor een iets groter huisdier dan een rat, waren we al een tijdje marktplaats in de gaten aan het houden, en hadden we zelfs al een paar keer gereageerd op sphynxen, maar overal was er vanalles mis, hadden ze geen stamboom, of waren het afgekeurde fokdieren, of gewoon veel te oud. Ik was alweer zo vaak teleurgesteld dat ik dacht: Laat dan maar zitten. Ik stopte met zoeken.

We waren net onderweg naar Phantasialand (Begin van het jaar had ik kaartjes gekregen: Tweede dag gratis. En ik vond het zonde om ze weg te gooien dus de eerste beste vrije dag: Hup in de auto.) We stopten net achter Aken, omdat Patrick een bericht op zijn telefoon kreeg. ‘ Ah nee, Shit.’ Zei hij. Shit? Wat is er? Patrick had gemaild met iemand met een nestje Sphynxen die vanaf die dag weg mochten, had een prijs onderhandeld en het enige dat ik moest doen was gaan uitkiezen. 239 km verderop, in Moerkapelle. Op die dag dus… omdat het zijn enige vrije dag was.

Ik, de grootste pretparkverslaafde, die er niet tegen kan als er dingen op het laatste moment anders gaan dan gepland, heb geen seconde getwijfeld. Eerst mailde ik mijn vriendin (Met katten) of zij een vervoermandje te leen had en dat mocht ik komen halen. Ik heb nog nooit een kat uitgezocht, dus ik vroeg haar of ze tips had. ‘Ja, kies de kat die jou kiest!’ Ik had mijn keuze al gemaakt dacht ik. Op de foto stond een oerlelijke, schele, roze poes die in de bloemetjes beet. Die was gek. Die wilde ik. Ik hou van gekke (en lelijke) dingen.

We gingen op weg naar Moerkapelle. Zelfs de stop bij het tankstation duurde me te lang. Ik zou eindelijk, na 20 jaar, mijn allergrootste wens in vervulling zien gaan: Ik kreeg een kat. Een naaktkat. Mijn eigen kat! File na file na file, en we deden er twee keer zo lang over maar het kon me allemaal niet schelen toen we eindelijk in Moerkapelle waren en het huisje naar binnen gingen (De katten zaten in een vakantiehuisje!)  Ze haalde de drie poesjes erbij en ik dacht dat ik in de hemel was beland: Kale poesjes (HAHAH!) overal. Mijn droomkat, en ik zat middenin een hoopje kittens die allemaal liefde willen geven. Ik pakte de roze, schele bloemenbijter en ik zei: ‘Deze wil ik.’ Maar die wilde mij niet. Elke keer rende ze weg. De chocolat-kleur bleef liggen en kroop zelfs lekker tegen me aan. De vrouw haalde de roze terug. Nog een keer proberen. Maar weer wilde ze niet. Een derde keer proberen, maar nog steeds was de bruine de enige die interesse in me toonde en bij me bleef liggen. En toch wilde ik de roze. Die zag zo lief uit. En had blauwe ogen. En ik had de hele weg naar haar foto gekeken en…

Ik pakte de bruine op en keek haar aan. Ze gaapte en toen werd ik verliefd. En wat nog veel erger was: De tranen stroomden over mijn wangen. ‘Heeft ze je pijn gedaan?’ Vroeg de vrouw geschrokken, maar ik kon alleen maar sniffen dat ik zo blij was. Als je 20 jaar denkt dat iets nooit zal gebeuren, en je hebt het dan ineens je handen... Ik keek nog een laatste keer naar de roze, die alweer hoog en droog op een krabpaal zat en tilde toen de bruine van mijn schoot.

‘Deze.’

Vanaf dat moment is ze mijn vriendinnetje. We vallen samen in slaap en worden samen wakker. Ik hoef mijn vest maar open te doen of ze zit erin, en ik hoef maar te roepen en ze staat naast me. Ze slaapt op mijn schouder (Ik hoop dat ze dat niet meer doet als ze straks drie kilo weegt…) en haalt de raarste capriolen uit. Ze past perfect in ons gezin. Net als haar naam trouwens: Ouija.

zondag 19 mei 2019

Tamara Haagmans over fatsoen

Afgelopen vrijdag mocht ik aanwezig zijn bij de boekpresentatie van ‘Echo’ (Van Thomas OldeHeuvelt.) Twee en half uur heen, en twee en half uur terug, om te zien hoe een van mijn favoriete horror-auteurs zijn boek uitgereikt kreeg. Ik had het ervoor over. Ons plan om eerst nog iets leuks te doen in Amsterdam viel in het water door een tegenwerkende TomTom maar ach, uiteindelijk kun je altijd naar Amsterdam en dit maak je niet elke dag mee! We waren lekker op tijd waar we zijn moesten, en toen was het wachten tot we naar binnen mochten.

Ruim op tijd namen we plaats in de zaal, en langzaam liep het vol. Twee ‘gezellige’ personen namen achter ons plaats, en hoewel ik ruim twee meter bij ze vandaan zat, kon ik woord voor woord volgen waar ze het over hadden. Ik hoorde een -voor mij bekende- naam en ik moest er wel om lachen terwijl ik me bedacht dat ik die een berichtje ging sturen dat iemand het over haar boek had. Maar toen! Het licht ging uit en de presentatie begon, en waar je dan denkt dat mensen hun mond houden, vonden die twee gezellige personen het gezelliger om hun praatje af te maken. 

TWEE UUR LANG. Voor ons stond Thomas O. iets te vertellen, kwam Dick Maas iets vertellen (Nou was dat laatste verre van interessant maar ik hield toch mijn mond voor het geval andere mensen het wél wilden horen…) en daarna kwam iemand Thomas interviewen. Maar ook dat vonden ze niet interessant want het enige wat ik hoorde was hoe zij op praten-in-de-kroeg-niveau bleven converseren achter ons. Een paar keer omkijken hielp niet en ik ben niet zo’n held dat ik er iets van zeg. Niet in de laatste plaats omdat -wanneer ze daarop zouden reageren- er nog meer overlast zou ontstaan waar ik dan schuldig aan ben. En… niemand anders zei iets, dus misschien waren wij wel de enigen die er last van hadden.

Dat brengt mij bij mijn punt. Waarom ga je naar een boekpresentatie toe als je toch niet wil horen wat ze daar vertellen? Als je het over een ander boek wil hebben, kan dat toch ook gewoon thuis met een biertje erbij? Je boodschappenlijstje of wat jij vorige week tegen iemand hebt gezegd kun je toch ook thuis bespreken? Waar is het fatsoen gebleven, en vooral het respect voor de persoon die daar op dat podium zijn boek staat te presenteren? Waarschijnlijk heeft Thomas het niet gehoord, er geen last van gehad. Dat hoop ik voor hem. Op dit kleine puntje na was de avond namelijk geweldig (Net als het boek!) en dat was de hoofdzaak. Ook al was op de terugweg de A2 dicht en mochten we via de A73 (En een uur extra reistijd…) naar huis rijden.

Het allerergste kwam de volgende dag pas. Twee uur lang hebben mijn man en ik ons zitten ‘opvreten’ over het geklets achter ons. Open ik de volgende dag mijn mail op mijn laptop en zie ik er eentje in mijn spam-map zitten van de uitgever van ‘Echo’ , (Ook mijn uitgever) waar in staat dat ze plaatsen in het gereserveerde gedeelte voor ons hadden. Met een béétje geluk hadden we ze daar niet gehoord.

Ik heb zes juli mijn boekpresentatie. Ik hoop dat de mensen die ik uitnodig wel over dat fatsoen beschikken om stil te zijn, maar zo niet bestaat de kans dat iemand je komt vragen om je gesprek buiten voort te zetten. Gewoon omdat het kan 😛

zondag 30 december 2018

Tamara Haagmans over haar 2018


En voor je het weet is het weer December, is het weer het einde van het jaar en gaan mijn vingers weer jeuken om op te schrijven ‘Wat ik dit jaar heb meegemaakt.’ Terwijl mijn vingers over mijn toetsenbord schieten is er één knop waar echt constant een vinger op zit. De Backspace. ‘Dat interesseert toch niemand,’ zeg ik tegen mezelf en haal de alinea waar ik net een half uur over gedaan heb weer weg. Ik typ opnieuw iets, maar ook dat verdwijnt even later. ‘Geen idee waarom ik dat uberhaupt opschreef.’ Brom ik tegen mezelf. En zo gaat dat een uur door.

Tuurlijk, het is leuk om te lezen wat Stephen King het afgelopen jaar heeft gedaan, en wat hij denkt het volgende jaar te gaan doen, maar ik ben geen Stephen King. Het boeit echt helemaal niemand of ik een signeersessie heb gehad, of een boekpresentatie, of dat ik helemaal naar Amsterdam ben gegaan om een half uurtje over de grachten te varen en weer terug naar huis te gaan. En toch blijf ik het typen. Ook nu weer. Het is me al gelukt om een halve bladzijde te typen met dingen-die-niemand-interesseren. En jij leest gewoon door, ook al staat er helemaal niets 😉

Eigenlijk staat mijn leven nogal op z’n kop sinds februari, toen mijn korte verhaal besloot dat het toch een heel boek wilde worden. Een beknopte samenvatting dan maar?
Schreef een kort verhaal-besloot er een boek van te maken-bezocht een aantal uitgeverijen-deed wat kennismakingsgesprekjes-was soms een hele dag onderweg voor een gesprek van een uurtje (9u weg, 23.30 pas weer thuis)-bracht mijn trouwdag door op de uitgeverij- zat met mijn man vijf uur in de auto om heerlijke hamburgers te eten vlakbij Amsterdam- en uiteindelijk tekende ik een contract voor een feelgood bij Luitingh sijthoff die in de zomer uitkomt als alles goed gaat.

Dus misschien, heel misschien, is mijn jaaroverzicht volgend jaar wel interessant…en willen jullie volgend jaar -net als bij Stephen King- wél weten hoe mijn jaar is geweest. Tot die tijd, met je het hiermee doen. En met mijn beste wensen voor het komende jaar, voor iedereen die ze maar hebben wil! Wees voorzichtig met vuurwerk en met je vingers want er is niets zo vervelend als een bladzijde moeten omslaan met een stompje.

DIKKE KUS!

vrijdag 5 oktober 2018

Recensies


We kunnen niet met (En hoe graag we ook zouden willen) niet zonder ze.
Lezers kunnen zeggen wat ze van je boek vinden, waardoor een andere lezer misschien denkt ‘Oh jee, als er zoveel gevloek in zit, lees ik het liever niet.’ Of ze lezen het juist wel omdat in een recensie staat dat het zo gevoelig is. Het is een handig hulpmiddel als je door de bomen het bos niet meer ziet en je NTL stapel hoger is dan je stapel wasgoed die je eigenlijk moet strijken.

Ik moet eerlijk toegeven dat ik elke keer weer blij ben als ik er eentje krijg.
Maar dan! Er is een recensie. Je klikt hem met trillende vingertjes aan, omdat je wil weten wat ze van je ‘kindje’ vinden. Iemand die in je kinderwagen kijkt zal namelijk nooit zeggen: ‘Jeetje, wat een lelijk kind!’ , terwijl iemand wel het boek waar je maandenlang aan gewerkt hebt zonder pardon afdoet met één of twee sterren omdat ze het niet leuk vinden.

En daar komt mijn ‘probleem’ met recensies. Dat hele systeem klopt namelijk voor geen meter.
Een boek krijgt drie sterren, maar de recensent prijst het wel de hemel in, terwijl een andere ‘maar’ drie sterren geeft omdat het verhaal/de personages/wat dan ook/ tegenviel.
Ik jubel ‘Drie sterren!’ tegen een bevriend auteur, terwijl zij pas tevreden is met vijf. Of minimaal vier.
Ik zeg ‘Balen joh, drie sterren!’ tegen een ander, en die zegt ‘Hoezo balen? Dat is toch harstikke goed?’ Schiet mij maar lek.

Vroeger, op school. Dat was allemaal niet zo moeilijk. Alles hoger dan een zes was goed, een vijf en lager was ‘Jammer joh, beter je best doen.’ Waarom kan dat niet ook met die ratings voor boeken?
Een boek van een grote uitgever, en een auteur met een grote naam krijgt een geweldige recensie, met een paar minpuntjes, maar toch vijf sterren. Een iets minder grote auteur, bij een iets minder grote uitgever krijgt een dolenthousiaste reactie, met geen minpunten, maar toch maar vier sterren.
Recensies zijn een kwestie van smaak. Wat voor jou vijf sterren waard is, geef ik misschien maar vier. Of drie. Dat kan gebeuren. Daarom is het spreekwoord ook ‘Over smaak valt niet te twisten.’ Maar de manier waarop je ‘sterren’ geeft is voor iedereen blijkbaar anders. De een trekt sterren af omdat ze ‘iets anders verwacht hadden’, de ander trekt sterren af omdat ze ‘de cover niet mooi vinden’ en zo kan ik nog veel meer opnoemen waarbij ik even op mijn hoofd moest krabben toen ik het las.

Ik heb ze allemaal. Vijf, vier, drie, zelfs ergens twee sterren. Ik heb hoedjes gehad. Diamantjes, en duimpjes. Je mag alles van mijn boek vinden, want ik vind elke recensie prachtig als je ook kunt onderbouwen waarom je een bepaald aantal sterren geeft. (En als je sterren dan ook nog overeen komen met wat je zegt is dat helemaal fijn.) Ik vind elke recensie geweldig, omdat iemand de moeite heeft gedaan om je boek te lezen, en daarna ook nog een mening erover te geven. Hoe vet is dat dan? En dan mag daar best een beetje kritiek bij, want daar leer ik tenminste iets van voor een volgend boek.

Ik vind deze column wel vier sterren waard. Niet dan? 😉
Tamara Haagmans


zondag 29 juli 2018

Overal zit een verhaal in...

Een paar weken geleden kwam ik ergens langs, ik kan niet eens beschrijven wat het was. Ik dacht dat het een verlaten pretpark was, of misschien een kinderboerderij. Er liepen kippen, geiten, pauwen, en overal zag ik kleine erkertjes, boogjes, muurtjes. Er stond een versleten en verweerd golfkarretje, en het was omgeven door hoge hekken. Meteen ging mijn hoofd als een waanzinnige tekeer. Ik draaide om, reed terug en maakte een foto. Van het levensgrote olifantenbeeld achter het hek, van de ‘verboden toegang’ bordjes, en van het huis aan de zijkant. Ik wist het zeker: Hier zat een verhaal in!

Eenmaal thuis plaatste ik een van de foto’s op facebook met de vraag of iemand wist waar ik hier op gestuit was. Ik kneep al in mijn handen, klaar voor horrorverhalen over alle kinderen die daar verdwaald waren. Naar binnen gelokt. Opgegeten door de boze heks van Hans en Grietje. Ik zocht op google maar ik kon er niets over vinden. Ik kreeg reacties van mensen die het kenden, maar die niet wisten wat het was. Mensen die ook gefascineerd waren. Ik wist het zeker. Hier zou zoiets geweldigs uitkomen!
En toen kwam daar dus inderdaad iemand die het kende. Iemand die wist wat er daar aan de hand was. Het was een tuin. Iemand met veel tijd, veel stenen, en veel vreemde dingen om neer te zetten. Gewoon een tuin. Verder niets. Ik was zo teleurgesteld. Ze vertelde er nog bij dat er ooit ook een kameel rondliep maar dat die er inmiddels niet meer was.

Op het moment dat ik er langs kwam, had ik al een verhaal in mijn hoofd. Mijn handen jeukten om het op papier te zetten. Een kort verhaal, dat wel, maar het was een verhaal. Op het moment dat ik hoorde ‘Het is gewoon een tuin’ , zakte mijn verhaal als een plumpudding in elkaar. Weg was het idee, weg was de inspiratie, weg was mijn verhaal. Het veranderde van een poel van verderf (Want tja, die hoge hekken moesten er met een reden staan…) in een tuin waar s’ochtends gewoon iemand eieren raapt en de kippen voert.

Ik zie overal een verhaal in. Daarom ben ik gaan schrijven. Omdat ik dingen mooier kan maken dan ze daadwerkelijk zijn. Omdat ik van een achtertuin een verlaten pretpark kan maken waar al jarenlang kinderen verdwijnen die later blijken te zijn vermoord en in een put te zijn gedumpt door de (Zo blijkt IRL) onschuldige eigenaar die gewoon blij is met zijn aparte tuin… Ik besloot dat ik het verhaal maar even aan de kant moest leggen, en gewoon verder moest gaan met mijn romantische verhaal. Dan heeft mijn personage maar gewoon een hele mooie, en vooral aparte tuin. (ZUCHT)


zondag 24 juni 2018

Heeeeeeeere's Stevie...

Als je het nog niet wist: Ik hou van boeken.
Ik hou van het lezen van boeken, ik hou van het schrijven van boeken. En het meest van allemaal, hou ik van Stephen King. Dat zou als het goed is ook geen nieuws voor je moeten zijn, als je vaker mijn stukjes leest. En dus was ik dolenthousiast dat er weer een nieuwe King zou komen. Ik bewaarde de cadeaubon die ik voor mijn verjaardag kreeg en zo gauw het kon, bestelde ik het boek. En toen afwachten.

Maar toen!
Door een fout van de leverancier kreeg ik mijn boek zo’n drie dagen te vroeg. Ik had de dag dat hij uit zou komen helemaal vrijgehouden. Ik zou die dag alleen maar lezen. En toen kwam hij dus te vroeg. Ik kon me één dag inhouden, eerst afmaken waar ik mee bezig was, maar toen riep het boek te hard. Op een dag dat ik nog allemaal andere dingen moest doen. In plaats van lekker lui in een stoel lezen tot het uit was, stopte ik het bijna 600 pagina’s dikke boek in mijn tas en zeulde het overal mee naar toe.

Wachten in de pizzeria op het eten? Mooi, dan kan ik wel een stuk of twintig bladzijdes lezen. Ik had afgesproken op kantoor om met een vriendin te gaan schrijven. Zij schreef, en ik las mijn boek. Af en toe klonk er een ‘Gadverdamme’ of een ‘Ieuw’ door de ruimte. Ik kan me van de hele dag niet veel meer herinneren. Hoe het eten smaakte ben ik vergeten. Hoe lang ik bij de dokter moest wachten, weet ik niet meer. Wat er tegen me gezegd is? Al sla je me dood. Het enige dat ik nog weet is dat ik het boek in iets minder dan vier en half uur uit had. Dat ik het dichtsloeg met een rotgevoel. ( ‘Nu al uit??’ )

Zijn laatste paar boeken stelden me redelijk teleur, met als dieptepunt het boek dat hij met zijn zoon schreef (schone slaapsters) waar ik niet eens een recensie over geschreven heb omdat het zo slecht was dat ik niet eens kon bedenken wat ik erover moest vertellen. Met dit boek is hij weer terug. Mijn held! The master himself! De man die mijn droom om ooit een boek zoals hij te schrijven weer helemaal terug heeft gebracht.  Het is goed gekomen. Ik heb de dag dat het boek eigenlijk zou komen, die dag die ik vrij had gehouden, gebruikt om de dingen die ik toen ik het boek kreeg heb laten liggen te doen.

Ik heb genoten. ‘De buitenstaander’ staat te pronken in de kast, tussen alle andere Stephen King boeken. En nu wachten we tot hij er weer eentje af heeft. Zodat ik weer een dag kan vrij plannen

zaterdag 26 mei 2018

Tammy is back (gelukkig)


‘Is het niet langzaam tijd voor nieuwe colums’ vraagt Ink zich af in mijn messenger.
‘Alweer?’ stuur ik terug. Ik had er al drie gestuurd die nog helemaal niet geplaatst waren. Nu kon ik me best voorstellen dat ze misschien niet goed genoeg waren, maar niet dat ze dat dan niet gezegd had. Dus vroeg ik het toch maar na.  We stuurden wat berichten over en weer, en het bleek dat ergens op de digitale snelweg iets verloren is gegaan. Of het bij mij de deur niet uit is gegaan, op bij Ink niet binnen is gekomen weet ik niet, maar feit was dat ik ook niet meer had. En dus moest ik iets nieuws schrijven. Eitje.

Ik ging ervoor zitten. Bedacht ineens een perfect hoofdstuk voor mijn huidige project. Dus dat schreef ik eerst, want ik had toch tijd genoeg. Vervolgens een mailtje van een redacteur, of ik even ergens naar kon kijken. Dat deed ik, stuurde een bericht terug en opende mijn bestand voor Ink weer.  Mijn aandacht was helemaal weg op het moment dat ik een covervoorstel van m’n belgische uitgever kreeg. Ik moest dat natuurlijk bestuderen, aan mijn man doorsturen, advies vragen. Dat duurde gelukkig niet al te lang, want hey, Ink was nog steeds aan het wachten.

Ik ging weer zitten. Ik wist wat ik zou typen. Ik was langs een raar ‘ding’gereden en daar zou ik een column over schrijven. Hij zat al in mijn hoofd, moest alleen nog op papier. Ik had twee woorden getypt toen de bel ging. Iemand voor de verwarmingsketel. Dus eerst die man maar geholpen. Inmiddels begon ik me aardig te irriteren en zette ik internet gewoon uit. Mailtjes, appjes en al die dingen konden best even wachten, IK WAS BEZIG.  Ik wachtte op de verwarmingsmeneer, duwde hem vriendelijk maar beslist de deur uit, en nam weer plaats achter mijn laptop. Toen kwam mijn zoon uit school. Ik was op dat moment ongeveer op het punt dat ik mijn haren uit mijn kop wilde trekken.

Natuurlijk moest kind even zijn ei kwijt, in de tussentijd zette ik de wasmachine maar aan en zette het avondeten al klaar. Toen kind klaar was, was de wasmachine ook klaar. Dus ik hing de was op, ruimde de vaatwasser uit, en begon aan het eten. Mijn man kwam thuis. Eten. Vaatwasser weer inruimen. Was afhalen, was vouwen, vergadering. Om 23.00 kwam ik thuis. De laptop met het lege bestand met de knipperende cursor stond nog steeds op tafel. Ik zou kunnen zweren dat ik hem hoorde lachen. Mij hoorde uitlachen om precies te zijn.

Lieve lezers, of mensen die hier toevallig terechtkomen. Ik ben jullie echt niet vergeten. Ik had alleen even wat dingen aan mijn hoofd en merkte dat je ergens een keer ‘NEE’ moet zeggen. Hoewel ik liever ‘Nee’ had gezegd tegen de vaat, of tegen de wasmachine, heb ik net een paar keer te vaak ‘Nee’ tegen de laptop gezegd. Maar don’t worry!

SHE’S BACK!!!!

zondag 4 februari 2018

Niemandsland door Tamara Haagmans

Vorige week won ik bij de Sweek- verhalenwedstrijd de derde prijs met mijn verhaal ‘Niemandsland.’
En waar kun je beter met zo’n verhaal naartoe dan naar de Thriller-blog waar je een maandelijkse column voor schrijft? Neem een kopje thee, trek je dekentje over je benen en ga lekker met me mee naar Niemandsland!



Hij grijnst naar me als hij het glas op de tafel zet met een harde tik. Ik zit op de bank en vanuit die houding is mijn gezicht precies op de hoogte van zijn kruis. Ik lik over mijn lippen. Ik heb ooit eens gelezen dat mannen dat sexy vinden, maar het lijkt Joost niets te doen. Wat verbeeld ik me ook. Ik kijk mistroostig naar beneden, langs mijn te dikke benen naar de te geforceerd sexy lange laarzen met de hoge hakken. Het leek me een goed idee. Net als de stay up kousen met het kanten randje die ik onder het rokje draag. Hij kijkt me opgewonden aan. Misschien dat hij toch… Ik buig naar hem toe, mijn lippen een beetje geopend, maar hij wilde alleen dat glas weer oppakken. Het moment is alweer voorbij en ik laat me achterover zakken. Ik weet niet wanneer ik het ben verloren. Vroeger wist ik hoe het voelde om me sexy te voelen. Vroeger moest ik de mannen van me af slaan. Nu is elke man die ik mee naar huis neem, de volgende mislukking op het lijstje dat elke week langer lijkt te worden. Ze blijken allemaal getrouwd te zijn, of gewoon op zoek naar een snelle wip. Ze begrijpen het niet. Joost is de enige die het wel snapt. Hij komt steeds terug. Omdat hij van me houdt, zegt hij. Ik denk dat het is omdat hij weet dat er onder die façade van dat verlegen, net te dikke, lelijke meisje een beest in bed schuilgaat. Ik kijk naar zijn mooie, sterke vingers op mijn bovenbeen.

Twee weken eerder
De hand op mijn bovenbeen verplaatste zich voorzichtig naar boven. De vijf vingers kriebelden als een soort vogelspin naar boven, in de richting van mijn kruis. Ik was aangeschoten toen hij vroeg of hij met me mee naar huis mocht. Dat moest wel, want hij zat nu hier naast me, op mijn bank. Ik had me zo voorgenomen om het niet meer te doen. Ik hield het ook al zeker twee weken vol. Twee eenzame weken, waarin ik meer dan eens de telefoon had gepakt om Joost te bellen, maar het niet had gedaan. Omdat ik te trots was.
Omdat ik niet wilde dat hij wist dat hij de ware was. Dat ik op hem had gewacht.
De tong van mijn aanbidder hing een beetje uit zijn mond en hij had een glazige, geile blik in zijn ogen toen zijn vingers de rand van mijn slipje raakten. Tim, of Tom, of misschien was het wel Timo, kwam steeds dichterbij met zijn mond. Hij wilde me kussen. Zijn hand glipte in mijn slipje en hij hijgde steeds harder. Ik deinsde een beetje terug en greep zijn hand vast. 
Ik wilde dit niet. Ik had hem nooit mee naar huis moeten nemen, maar ik wilde zo graag vergeten dat ik al twee weken niet meer leek te bestaan voor Joost. Met een ruk trok ik zijn hand uit mijn slipje en mijn hoofd weg van die vlezige, vochtige lippen, die op een haar na op mijn lippen terecht waren gekomen. Van zo dichtbij was hij toch een stuk minder smakelijk dan ik eerst dacht. ‘Ik geloof niet dat dit een goed idee was. Je kunt beter gaan.’ Zeg ik, met dichtgeknepen ogen…

…Joost knipt zijn vingers voor mijn ogen. ‘Chantal?’ Het kost me even om me te realiseren waar ik ben, zo ver was ik in gedachten verzonken. ‘Ik dacht even dat je in slaap gevallen was. Zo slaapverwekkend ben ik toch ook niet?’ Het idee! Dat ik in slaap zou kunnen vallen terwijl hij bij me is. Ik koester elke seconde met hem omdat het er veel te weinig zijn.
‘Ik weet niet wat het is vandaag, maar ik ben er met mijn hoofd niet bij. Ik heb een beetje een rotdag gehad maar dat is allemaal goed nu jij hier bent.’ Hij schuift een beetje dichter naar me toe en aait over mijn hoofd. ‘Wil je me laten zien hoe blij je bent dat ik hier ben?’ Ik wil niets liever. Het is niet eens nodig dat hij me weer in mijn nek pakt en mijn hoofd in de richting van zijn kruis duwt. Ik weet wat hij wil en ook precies hoe hij het wil. Ik let altijd goed op. Wanneer ze kreunen en wat ze lekker vinden. Joost is een geval apart. Een geval waar ik inmiddels tot over mijn oren verliefd op ben. Hij weet het. Dat weet ik zeker. Ik weet precies wat ik doen moet om het hem naar zijn zin te maken. Als hij straks voorgoed bij mij is, en we samenwonen zal hij me dankbaar zijn. Tegen de tijd dat hij me ten huwelijk vraagt en ik natuurlijk met tranen in mijn ogen JA roep, zal hij het kunnen waarderen wat ik allemaal voor hem gedaan heb. Het enige dat ons tegenhoudt is dat hij nog getrouwd is. Maar dat is nog maar een formaliteit. Ik weet het zeker, want hij zit middenin zijn scheiding. Ik sluit mijn ogen en doe wat hij wil. Omdat het is wat hij áltijd wil. Omdat hij zo alles kan vergeten. En ik zál hem alles laten vergeten. Net zoals ik deed bij Tim/Tom/Timo.

Twee weken eerder
‘Hoe bedoel je, dat ik beter kan gaan? Ik heb je de hele avond drankjes gegeven! Jij hebt me de hele avond opgegeild en nu wil je dat ik ga zonder dat ik er iets voor terugzie? Wat ben jij voor ’n raar wijf?’ Er vlogen druppels speeksel in mijn gezicht toen hij de woorden naar me toe spuugde. Ik had weleens gehoord van mannen die zo denken, ik was er alleen nog nooit zelf eentje tegengekomen. Ik krabbelde omhoog van de bank en ging rechtop staan. Het leek wel alsof ik zijn dronken, geile blik, voelde branden in mijn decolleté. 
Hij maakte zelfs dat ik me een beetje vies voelde. Ik probeerde me te herinneren waar ik mijn mobiel had gelaten. Als ik discreet hulp zou kunnen inroepen zou er niets aan de hand zijn, dan zou hij gewoon verdwijnen. Hij mocht dan wel een lul zijn, maar hij verdiende niet wat al die andere eikels overkomen was. Ik wees naar de deur. ‘Het spijt me heel erg dat je dat zo voelt, maar ik voel me niet verplicht om wat dan ook te doen omdat ik een paar cola’s van je heb gekregen. Ik heb echt liever dat je gaat.’ Op dat moment veranderde er iets in zijn gezicht. Ik zag het gebeuren. Zijn mondhoeken gingen omhoog en hij begon te lachen. Hij bezegelde eigenlijk zelf zijn lot met wat hij toen deed. ‘Ik weet wel waar dit heen gaat. Jij bent een van die vrouwen die het lekker vinden om tegen te stribbelen, nietwaar? Jij zegt nee, en ik doe het toch. Ik ken jou soort wel.’ Zijn hand greep me bij mijn pols en hij keek me verlekkerd aan. ‘Wat ben jij een lekkere kleine slet zeg.’…


…‘Wat ben jij een kleine slet zeg.’ Joost spreekt de woorden zacht uit, met een plagerige ondertoon. Hij  heeft mijn haar vast en hijgt zachtjes als ik mijn mond over zijn erectie op en neer beweeg. ‘Ik ken echt niemand die zoveel plezier in pijpen heeft als jij.’ Hij kreunt als ik hem het randje van mijn tanden laat voelen. Ik voel hoe mijn rokje omhoog kruipt en besef me dat hij nu het kanten randje van mijn kousen moet kunnen zien. En dan weet ik ook weer waarom ik die kousen heb aangetrokken. Voor hem. Omdat ik hem iets belangrijks wilde vragen. Ik laat zijn erectie uit mijn mond glijden, wat me een luid protest oplevert. ‘Joost? Hoe zit het nu met die scheiding?’ Ik voel hem meteen slap worden in mijn mond. Joost slaakt een diepe zucht. ‘Ik heb het toch al een paar keer gezegd? Ik kan niet zomaar weggaan. Ik moet haar met fluwelen handschoentjes aanpakken. De scheiding gaat me anders een hele hoop geld kosten. Dat wil je toch niet? Jij wil toch ook dat ik jou alles kan kopen dat je hartje begeert in plaats van het met haar te moeten delen?’ Hij snapt het niet. Het kan me echt geen reet schelen wat het hem kost. Al moet ik droog brood eten en dat wegspoelen met water. Het gaat erom dat we samen zijn. Hij begrijpt ook wel dat we voor elkaar gemaakt zijn. Hij moet alleen snappen dat wat hij met haar heeft, niets voorstelt in vergelijking met wat hij met mij heeft. ‘Het loopt. Dat beloof ik. Maar het duurt allemaal even. Het duurt niet lang meer en dan laat ze me gaan. Dan gaan wij tweetjes op vakantie. Lekker twee weken op een warm strand liggen. Hoe klinkt dat?’ Hij knijpt speels in mijn wang.

Twee weken eerder
Hij kneep me. Hard. ‘Geef het maar toe. Je kickt hier op.’ Hij keek zoekend om zich heen. ‘Waar is je slaapkamer?’ Sommige mensen verdienen het gewoon niet om vrij rond te lopen. Waar zou mijn slaapkamer zijn? Daar waar elke slaapkamer is. Gewoon boven. Zou hij dom genoeg zijn om erin te trappen? Ik gebaarde met mijn hoofd naar een deur. Als ik het precies op het goede moment zou doen, moest het lukken. Zijn vlezige, natte lippen kwamen weer dichterbij. Hij scheen ineens vergeten te zijn dat ik hem een minuut geleden nog de deur uit wilde werken, en het viel hem ook niet op dat ik ineens wel heel meewerkend was geworden. Ik dacht gewoon aan Joost. Alsof het zijn lippen zijn op de mijne waren, en er trok een rilling door mijn lichaam. Ik kreunde zacht. Alsof Joost me ooit pijn zou doen.  Omdat ik vergat wiens lippen het waren en hij tenslotte alleen maar hier was als een armzalige vervanger van Joost, liet ik me een seconde gaan. Tot hij zijn onderlichaam tegen het mijne aandrukte dan. Het feit dat hij kreunde, verpestte het. Het brak de illusie. Sukkel. We kwamen aan bij de deur en de loser had nog steeds niets in de gaten. Alsof ik hem ooit in de buurt van mijn slaapkamer zou willen. Hij reikte langs me om de deur open te maken en toen hij aan de knop draaide wist ik het: Het is nu, of nooit…

…‘Het is nu of nooit Joost, je kunt niet blijven zeggen dat het bijna zo ver is. De eerste keer zei je al dat je bij mij wilde zijn. Ik wil met je over straat kunnen lopen. Je hand vast kunnen houden en kunnen laten zien dat ik bij je hoor. Samen op een terras een glas wijn drinken.’ Hij weet het niet, maar toen ik laatst bij de Hema was om nieuwe kousen te kopen, heb ik hem gezien. Hij zat op een terras met háár. Die bitch. Ze had haar hand op zijn onderarm en ze nipte van een glas rode wijn. Joost keek blij en ik kon haar ogen wel uitkrabben toen ik zag hoe ze naar hem keek. Ik weet dat hij dat alleen maar doet zodat zij niets doorheeft. Hij heeft me al een paar keer verteld dat hij haar niet meer kan uitstaan. Dat hij ervan walgt als ze naast hem in bed ligt of hem wil kussen. Dat hij het beter bij mij heeft dat ik veel beter in bed ben. Het is alleen maar een kwestie van tijd. Toen hij haar vertelde dat hij wilde scheiden huilde ze, zei hij. Die avond zou hij eigenlijk naar mij komen, maar uiteindelijk moest hij de hele avond bij haar blijven om haar te troosten. Ik laat mijn nagels over zijn arm glijden en kijk hem verleidelijk aan, diep in zijn ogen. ‘Ik ben hier niet om dat gezeik aan te horen Chantal. We kunnen het nu nog even leuk hebben samen, maar als je door wil blijven zeuren, dan ga ik naar huis. Daar heb ik ook gezeik aan mijn kop maar daar kan ik tenminste de tv aanzetten.’ Hij laat zich achterover zakken en wacht af wat ik doe.

Twee weken eerder
Hij wachtte af wat ik zou doen. De hand rond mijn pols was al iets losser en gelukkig duwde hij toen met een smerige grijns de deur open. NU. Voor hij door zou dat dit mijn slaapkamer niet was. Elke man met een beetje verstand had allang gezien dat dit de kelderdeur was. Ik had maar een paar seconden want zo gauw de deur helemaal open was, zou hij de krakkemikkige houten trap naar beneden zien. Het was maar een fractie van een seconde maar het was genoeg. Ik draaide mijn bovenlichaam scherp naar links en gaf een ruk aan zijn arm terwijl ik zijn lichaam een duw gaf met mijn ellenboog. Hij wankelde, leek zich te herpakken maar verloor uiteindelijk toch zijn evenwicht. Met een misselijkmakend gekraak viel hij de trap af, zo de kelder in. Dát kon niets anders dan een paar gebroken botten opleveren. ‘Hallo? Ben je oké?’ vroeg ik schijnheilig. Ik tuurde het donker in. Er kwam geen reactie en het bleef muisstil. Hij zal wel héél boos zijn, dacht ik nog. Dat ik hem de trap af had geduwd bedoel ik. Maar ik moest wel. Ik probeerde het nog eens. ‘Hallo? Moet ik een dokter bellen?’ Alsof ik dat zou doen. Echt niet. Het is ook altijd hetzelfde met die kerels. Als ze hun mond open móeten doen, doen ze het niet. Maar als ik ze niet horen wil, dán kletsen ze me de oren van mijn kop. Ik pakte de zaklamp van het haakje en slaakte een diepe zucht toen ik voor de zoveelste keer mijn voet op de traptrede zette...

…Ik zet mijn voet op de trap, en wenk Joost. ‘Ga mee naar boven,’ zeg ik smekend. Hij kijkt op zijn horloge. ‘Ik heb niet veel tijd, we hebben een etentje vanavond, maar een vluggertje moet wel lukken, geil wijf dat je bent.’ Onverwacht steekt het, ergens in de buurt van mijn hart, dat ik geen deel uitmaak van ‘we’. En als ik héél eerlijk ben, weet ik ook wel dat ik nooit deel uit gá maken van ‘we’, samen met Joost. Hij wil wijn op een terras, met een slanke blonde, in plaats van Netflix op de bank met een dikkerdje in stay ups. Hij schuift de trouwring van zijn vinger af en stopt hem terug in zijn zak. Hoe dom, dat me dat niet eerder opgevallen is. Dat ik al die tijd dacht dat hij zijn trouwring niet meer droeg omdat hij al bijna gescheiden was. Het besef slaat me in mijn gezicht als een natte dweil. Het is nooit zijn bedoeling geweest dat wij twee ‘we’ zouden worden. Ik ben zíjn tussendoortje. Zijn scharrel. Dat meisje dat hij tevreden moet houden door haar beloftes te doen die hij dan uiteindelijk niet waarmaakt. Hij zal nooit bij zijn vrouw weggaan. Niet voor mij. Hij is geen haar beter dan de rest. ‘Ik heb een verrassing voor je, in de kelder,’ Ik verbaas mezelf hoe weinig moeite het me kost om de woorden uit te spreken. Hoe snel het besluit genomen is. Amper een week geleden wilde ik nog oud met hem worden maar daarnet ging ineens de knop om. Ik voel me vies. Iets dat hij uit de kast pakt als hij ermee wil spelen maar daarna ook zonder pardon terug in de kast gooit en het daar laat liggen tot hij weer wil spelen. Hij trekt zijn wenkbrauw op. Hij is net een klein kind, het vooruitzicht van een cadeautje laat hem de rest vergeten. ‘Je moet het alleen zelf gaan pakken.’ Ik zet een stap terug tot ik weer met beide voeten in de hal sta. Ik twijfel. Heel even maar. Niet langer dan een seconde en dan loop ik voor hem uit naar de kelderdeur…

Twee weken eerder
Ik zag het eigenlijk al voor ik beneden was. In het schijnsel van de zaklamp zag ik hem aan de voet van de trap liggen. Een van zijn benen in een rare hoek onder zijn lichaam, en zo te zien was zijn hoofd onderweg een paar keer tegen de muur gekomen want overal lag bloed. Zijn ogen waren open, dat kon ik zelfs halverwege de trap al zien. Maar dan het soort ‘open’ dat je vooral ziet bij de doden. Die levenloze blik, alsof je naar vissenogen kijkt. Beneden aan de trap wist ik het zeker. Oh ja. Zo dood als een pier. Zelfs dat was me niet gegund, om nog een beetje plezier te maken. Ik schoof hem aan de kant met mijn voet. Hij voelde warm aan, en zo te zien had hij zijn nek gebroken.
Ik slaakte een diepe zucht en liep toen naar de vriezer. De kou sloeg in mijn gezicht toen ik hem opende en erin keek. Tot bovenaan vol. Daar zou hij met geen mogelijkheid bij passen. Verdorie. Ik had hem gewoon moeten drogeren en hem daarna in de vriezer moeten laten inslapen. Dat doe je met zieke ratten, leerde ik ooit van een dierenarts tijdens mijn studie. Een humane manier om er een eind aan te maken. Maar die klootzak moest het weer verpesten door zijn nek te breken, nog voor ik plaats kon maken in de vriezer. Ik duwde tegen beter weten in een beetje tegen het bevroren lichaam dat bovenop lag. Er hingen ijspegels aan zijn oren en zelfs na een paar rukken eraan bewoog het niet en gaf het geen meter mee. De vijf lichamen eronder, ook allemaal stijf bevroren, namen elke vrije centimeter in beslag. Binnenkort zou ik weer met mijn zaag en het zuurbad in de weer moeten.
 Met al die klootzakken de laatste tijd vulde de vriezer sneller dan dat ik hem leeg kon maken. Ik trapte zijn lichaam aan de kant. Of misschien was het gewoon tijd voor een nieuwe vriezer. Als cadeautje voor mezelf. Het lichaam liet ik liggen. Ik nam een bad, om zijn vieze vingers van me af te spoelen en stuurde een paar halfnaakte selfies naar Joost. Fuck mijn trots, hij zou weten dat ik hem wilde…

…‘Is het een sexy verrassing?’ Ik werp Joost mijn meest verleidelijke knipoog toe. Doodzonde is het. ‘Ga maar kijken. Je komt er vanzelf achter. De lichtknop zit daar beneden, dus kijk uit waar je loopt.’ Ik wacht tot hij halverwege is, ver genoeg om nog een flinke rotsmak te maken en dan duw ik zo hard als ik kan, met mijn beide handen in zijn rug. ‘Fuck!’ schreeuwt hij, gevolgd door de klap van iets hards tegen beton. Het blijft stil. Één seconde. Twee seconden. Dan begint hij te schreeuwen. ‘Achterlijk wijf! Waarom deed je dat nou!’ Ik schijn naar beneden met de zaklamp. Joost ligt met zijn gezicht naar beneden op zijn buik onderaan de trap. Hij heeft letterlijk een duikvlucht gemaakt en als hij zich omdraait zie ik dat hij met zijn gebit op de grond terecht is gekomen, hij mist een paar tanden en heeft een bloedneus. Zijn van pijn vertrokken gezicht veranderd in een van afgrijzen als hij het ziet. Hij wil wegkrabbelen maar komt niet overeind. Misschien ook zijn enkel gebroken. Ik volg zijn blik. Vol in het schijnsel van mijn zaklamp ligt Tim. Of Tom. Of Timo. Nou ja, wat er van hem over is dan. Het warme weer heeft hem duidelijk geen goed gedaan, en nu ik voor het eerst in twee weken terug in deze kelder ben weet ik wel dat ik dus niemand meer twee weken kan laten liggen. Gadverdamme wat een vreselijke stank! Joost krabbelt zo goed en kwaad als het gaat aan de kant en ondersteunt zijn pols, zie ik. Dat is nogal een score, als zijn pols ook gebroken is. ‘Je bent gek!’ roept hij, en de bloedspetters spatten in het rond uit zijn mond. Ik loop kalm de trap af en druk op de lichtknop. Trots kijk ik om me heen. De verwilderde, angstige blik van Joost is het mooiste dat ik ooit heb gezien op zijn gezicht. 
In de verste hoek van de kelder staan twee zwaar verstevigde kooien. Ze lijken een beetje op benches maar ze zijn speciaal voor mij gemaakt in het buitenland, en ze kunnen volwassen mannen gevangenhouden, zonder moeite. De man die ze maakte dacht ik dat ik aan hardcore SM deed. Ik heb hem in die waan gelaten. Joost kijkt geschokt naar de kettingen. Ik kan ze overal ophangen hier beneden, want de muur hangt vol met haken. Alles is geïsoleerd, zodat ze zo hard kunnen schreeuwen als ze willen, maar de meeste mannen schreeuwen al niet eens meer als ze hier zijn aangekomen. Ik volg zijn blik naar de geïmproviseerde operatietafel, en het zeil op de grond met de kettingzaag uit de kringloopwinkel ernaast. Misschien moet ik de badkuip trouwens eens schoonmaken, want ik zie dat er bloedvegen langs de buitenkant zitten. Af en toe is het goed om je omgeving eens door de ogen van een ander te bekijken.
Dan lijkt hij eindelijk zijn stem terug te krijgen. ‘Wat is dit?’ Zonder antwoord te geven stap ik over Joost heen. Ik doe het kleine witte kastje open en ik voel zijn ogen branden in mijn rug. Ik zorg dat hij de injectiespuit niet ziet. Meestal krijgen ze die pas als ze al een paar dagen in de kooi zitten en me alles beloven om er maar uit te komen. Dat ze voor altijd bij me blijven, bijvoorbeeld. Als ze spijt betuigen wil ik ze best uit hun lijden verlossen. Ik kan het niet aan bij Joost. Ik wil hem niet zien lijden, ook al is hij de grootste klootzak tot nu toe. Met mijn linkerhand neem ik hem in de houdgreep en voor hij weet wat hem overkomt, heeft hij de naald al in zijn hals en verwoest de overdosis zijn lichaam van binnenuit. Hij schokt een paar keer heel heftig en dan voel ik hem verslappen in mijn armen. Misschien zou er nooit een ‘We’ zijn met Joost, maar nu net, heel even, was het alleen hij en ik. Ik schuif het lichaam aan de kant en haal mijn neus op. Het stinkt hier wel echt heel erg. Ik moet hier iets aan doen, voor een van mijn buren het gaat ruiken.


Een week later.
Ik kijk trots om me heen. De vriezer is leeg en het zeil is vervangen door een schoon zeil, waarop de badkuip staat te glimmen. Twee Jerrycans met zuur staan te wachten naast het afvoerputje, dat ik ook heb geboend tot ik mezelf in het deksel kon zien. Het ruikt lekker schoon naar bleek, en de ambi-pur in het stopcontact zorgt voor de resterende vage luchtjes. De zes lichamen die ik  in stukken heb gezaagd en heb opgelost in het zuur zullen vast gemist worden, maar ik heb hun telefoons mee vernietigd dus niets wijst op mij. Misschien zit er nog wat DNA in het afvoerputje maar dat is dan ook alles. Hun vrouwen denken vast dat ze er vandoor zijn met een van hun scharrels, en waarschijnlijk zijn ze zonder hen een stuk gelukkiger. Na verloop van tijd. Ik heb ze eigenlijk gewoon een dienst bewezen. Ik heb mezelf getrakteerd op een nieuwe kettingzaag en ik kan niet wachten tot ik hem de eerste keer kan gebruiken. Ik heb ook een klok opgehangen, want soms had ik het zo naar mijn zin dat ik vergat dat ik ook nog moest werken. Niet dat een Patholoog anatoom het nou zo druk heeft in Limburg, maar er moet toch brood op de plank komen. Niet iedereen heeft het geluk dat ze van hun hobby hun beroep kunnen maken.
Voor ik naar boven loop hang ik het nog even recht. Mijn nieuwste aanwinst. Een leuk bord in de vorm van een wegwijzer. ‘NIEMANDSLAND’ staat erop, in glimmende paarse letters. Hij wijst naar mijn vriezer. Leuk, voor wie ik vanavond mee naar huis neem…

zondag 31 december 2017

2017 was mijn jaar!

Als er iets is dat ik over 2017 kan zeggen, is het wel dat 2017 mijn jaar is geworden.
Het begon bij de prijsuitreiking van een schrijfwedstrijd, waar ik eigenlijk alleen heen ging om te kijken hoe zoiets gaat, maar waar ik als winnares vandaan kwam. Dat was in Februari, en de maanden die volgden waren een gekkenhuis. Ik had afspraken met uitgevers (Ja, meerdere..), schreef boeken ( Ja, meervoud), had een boekpresentatie en allerlei boekgerelateerde uitjes. Ik haalde de krant en mocht een verhaal schrijven voor zij aan zij. 
Ik schreef aan mijn boeken, en was tegelijkertijd bezig met redactie voor andere boeken. En dat allemaal zodat 2018 NOG een beter boekjaar kan worden, want dan komen al die boeken waar ik dit jaar zo hard voor gewerkt heb allemaal uit. Dat mijn sociaal leven er flink onder te lijden heeft gehad, dat moet ik dan maar voor lief nemen.

Ik mag komend jaar 5 (!!) boeken aan mijn eigen boekenplankje toevoegen. Toen ik in November het Zomer en Keuning boek met mijn verhaal naast de rest wilde zetten, had ik er geen plaats meer voor. De grap dat ik een plank met mijn eigen boek wil is ondertussen geen grap meer. Wat wel heel grappig is, is dat mijn lievelingsschrijver Stephen King is. Dat mijn allereerste schrijfdroom was om een thriller te schrijven. Dat ik 100x meer horror en thriller heb gelezen dan romantische boeken, en dat dat nu juist hetgeen is waar ik goed in ben. Dat ik juist die tak van de schrijfwereld in ben ‘gerold’ en het er best aardig doe (Al zeg ik het zelf.)
Toen ik laatst met een groepje meiden onderweg was naar boeken evenement, kwam het gesprek op het schrijven van één van hen. Zij vertelde dat ze een beetje moeite had met erotische scenes en dat ze dat meestal oploste met een bijl. Pardon? In bed?
‘Ja! Dan zit ik een beetje vast, dan pakt ze een bijl, hop in zijn nek, opgelost.’ Ik heb zo hard gelachen, maar vervolgens moet ik nu bij elke erotische scene die ik schrijf denken aan een bijl. Mijn personages weten dat natuurlijk niet, maar er ligt nu constant in mijn hoofd een bijl onder hun bed voor als ik ooit bedenk dat ik er toch een thriller van wil maken.

Schrijven kan lastig zijn, als je hoofd de ene kant op wil, en je vingers doen iets anders. Ik begin aan een spannend verhaal. Er gaan doden vallen. En het is die ene persoon waar niemand het van verwacht. Ik heb het halve verhaal al uitgeschreven, onderverdeeld in hoofdstukken in mijn notitieboekje. Ik verzin vanalles, kijk in welk hoofdstuk dat past en begin te schrijven, ondertussen steeds aanvullend wat ik met het verhaal wil. Het eerste hoofdstuk gaat precies zoals ik het wil. In het tweede komen al wat stiekeme blikken tussen mijn hoofdpersoon en een bijfiguur. In het derde hoofdstuk zoent ze hem in de bezemkast. Eh? Hallo? Ik wilde een thriller schrijven. Gaan jullie eens gauw van elkaar af en….

Dat is het punt dat ik het meestal opgeef. Dat mijn thriller ineens verdwenen is en de enige dode die valt, de spin is die de held van het verhaal ergens in het midden doodslaat met een krant, nadat hij mijn heldin een ontbijtje op bed heeft gebracht. Ik ga het heus nog een keer leren, ik zweer het. Dat ik wanneer ik begin met een thriller, ik ook eindig met een thriller.
Maar misschien eerst eens proberen met een column. Dat ik wanneer ik begin met een verhaal over waarom het ‘mijn jaar’ was, ik ook eindig met een verhaal waarom het ‘mijn jaar’ was…

Tamara



zondag 26 november 2017

Rode strepen

‘Is dat normaal? Al die strepen?’
Ik durfde het bijna niet te vragen, bang dat ik als antwoord zou krijgen dat dat helemaal niet normaal is, maar dat het alleen maar bij mij zo was. Toen het antwoord binnenkwam durfde ik niet eens te kijken. ‘Heel normaal.’ Zei ze. ‘Soms is het zelfs nog erger.’
Ik keek nog eens naar het bestand voor mijn neus. Rode strepen. Kringeltjes, spraakwolkjes aan de zijkant, groene teksten.  ‘Ik bak er niets van,’ zei ik tegen mijn man. ‘Moet je eens kijken, al die rode strepen, dat is allemaal niet goed.’ Hij floot tussen zijn tanden door. ‘Ziet er inderdaad niet zo goed uit, nee.’ Met lood in mijn schoenen ging ik aan de slag. Wijziging accepteren. Invoegen accepteren. Verwijdering accepteren. Langzaam maar zeker verdwenen de rode strepen en durfde ik terug te lezen wat er nog over was. Tot mijn stomme verbazing las de tekst veel lekkerder, en bleken de woorden die in de plaats waren gekomen van de woorden die ik gebruikte een stuk beter te passen.

Een boek later had ik een ander, zij deed redactie op papier. Ik weet nog dat ik dacht: ‘Yes! Geen wolkjes in de kantlijn, geen rode streepjes!’ Nee. In plaats van rode streepjes waren ze blauw, stonden er kruizen door lappen tekst, en waren de opmerkingen zonder ballonnetjes in de kantlijn gekrabbeld. Weer keek mijn man over mijn schouder, en weer floot hij tussen zijn tanden door. ‘Ziet er weer niet zo best uit hé?’ Maar ook hier zag ik het boek zienderogen opknappen en was ik er blij mee. Ik bewaar al mijn redactiebestanden. Lees ze terug, kijk welke fouten ik heb gemaakt heb en maak ze vervolgens in het volgende boek niet meer en hoop dat ooit een moment komt dat er meer wit dan rood op een pagina staat.

Schrijven is schrappen zeggen ze. Iets waar ik echt niet goed in ben. Ik kan eindeloos doorzeveren, gebruik in elke zin minstens vijf onnodige woorden, en schrap nooit iets. Gelukkig is daar dan de redacteur- ik heb altijd vrouwen gehad tot nu toe- en die schrapt ze genadeloos.
‘Dit hoeft niet. Dat hoef je niet te zeggen. Dit woord is niet nodig. Dat interesseert echt helemaal niemand. Dat zeg je drie regels geleden ook al. Twee keer dat woord in die zin ziet niet mooi uit.’  Als ik het zie staan denk ik ‘Daar heb je helemaal gelijk in’ .
Ik denk dat ik een van de weinigen ben, maar ik vind dit het mooiste moment van het schrijven. Dat punt dat je je boek tot leven ziet komen, en met elke keer dat je klikt op ‘wijziging accepteren’ beter ziet worden.

Vroeger dacht ik altijd dat een boek dat in de winkel lag, ook zo geschreven was. Nooit gehoord van een eerste versie, of van redactie, of zelfs maar bij nagedacht dat er iemand met een rode pen dat hele boek nog onder handen had genomen.
Met deze column, die vast en zeker de helft korter was geweest als er een redacteur naar had gekeken, wil ik dus alle redacteurs, redactrices (en dan in het bijzonder diegenen die iets van mij onder hun hoede hebben gehad…) bedanken voor die rode pen.

Of in het geval van die ene, de paarse viltstift…


Tamara



vrijdag 20 oktober 2017

Whats in a name?

Shakespeare zei het al: ‘Whats in a name.’
Dat las ik vanmiddag en toen ging er zo’n lampje boven mijn hoofd branden: IK WEET WAAR MIJN VOLGENDE COLUMN OVER GAAT!
Over namen in boeken, en het drama dat daar soms bij komt kijken. Vooral als je zo dom bent als ik.

Het moeilijkste en meest vervelende deel van het schrijven is altijd mijn personages een naam geven. We hebben er allemaal één (of meer…) maar toch blijft het vreselijk. Alle namen die ik opschrijf klinken te gemaakt, of vergezocht, of passen gewoon niet. Ik trek een babynamenboek uit de kast en ga met mijn vingers langs de letters. Pas bij de K denk ik: ‘Ja! Dat is hem!’
 Ik noem hem Kai. Ja. Mooie naam, past goed bij hem, gelukkig. En het meisje noem ik Inge. Gewoon, omdat Inge mijn vriendin is en me ooit eens vroeg waarom ik nooit over een ‘Inge’ schreef. Toen het verhaal af was, en Inge toch niet helemaal zo’n leuk persoon was als mijn vriendin, besloot ik dat ik haar een andere naam zou geven. Iets dat past bij zo’n kreng.  Inge zou toch Alice worden. Ik opende woord en koos ‘Vervangen’.

Ik typte ‘Inge’ en klikte op ‘vervangen door.’ Tot zover nog niets aan de hand, maar in plaats van alles handmatig te wijzigen, dacht ik dat het sneller zou gaan om het in één keer te doen. Dus wijzigde ik in het hele boek de naam Inge naar Alice. Stúkken beter. Tot ik de dag erna mijn bestand nog eens teruglas en me realiseerde dat ik een grote fout had gemaakt.

‘Ik grijp de microfoon en begin te zAlice’
Huh?
‘Het zag er zo lekker uit dat ik me niet kon bedwAlice.’
Nou ja, wat is dit nou?
‘Hij was zo iemand die de hele dag met zijn vAlicers knakte.’

Pas dan merk je hoeveel woorden er zijn waar de naam INGE in voorkomt. Dit keer moest ik op zoek naar Alice en overal waar Alice niet hoorde, haar weer vervangen door Inge.  Sindsdien kijk ik echt wel vier keer, of een naam niet in meer woorden voorkomt, en vervang ik namen altijd handmatig. Toch blijft namen geven een van de lastigste dingen van het schrijven voor mij.

Die mooie sexy man met dat gespierde lichaam en die blauwe ogen, die kan ik geen Geert noemen. De Griek ook geen Jan, en Hetty is ook niet dat jonge meisje dat op zoek naar avontuur gaat.
Ik ken een Pieter, mijn leeftijd. En dat is toevallig een eikel. Ik noem mijn personage dus al geen Pieter, ook al is hij van mijn leeftijd, omdat in mijn hoofd Pieters eikels zijn. Maar er is vast ook wel iemand die mijn boeken leest die een Kai kent, die echt een ezel is. Zonder dat we het ons realiseren vormen we al een mening over een personage als we alleen zijn naam lezen.

Op dit moment lees ik een boek van Maya Banks. Nou en? Leuk toch? Ik hoor het je denken. Maar dat mens heet dus ‘Evangeline.’ Hoeveel moet je als auteur gezopen hebben als je je personage opzadelt met zo’n naam.  Oké, buitenlandse auteur, dus ik begrijp dat ze niet voor ‘Miranda’ of ‘Tamara’ kiest, maar er is vast wel iets beters te verzinnen dan ‘Evangeline.’ Niet alleen is het boek vreselijk, maar vanaf het begin had ik ook al een hekel aan haar, terwijl ze misschien best een leuk mens is.

En ook niet alle Tamara’s zijn van die rare, chaotische, gestoorde vrouwen trouwens 😉


Tamara Haagmans



zaterdag 23 september 2017

De druk is hoog

'Ik moet altijd zo om jou lachen!’ Ink, de beheerder van Thrillerlezers is aan het woord, en ze doet haar uiterste best om me over te halen iets voor haar te schrijven. ‘Ik schrijf helemaal geen thrillers!’ Het kan haar niets schelen. Ik zal en ik moet, en ze wil geen nee horen. En dan ga ik zomaar ineens overstag. Waarom ook niet?

Vandaag, een week later, zit ik nog steeds naar een knipperende cursor te kijken en heb ik geen idee wat ik kan schrijven dat grappig is, en niet alleen voor mensen die mij kennen maar ook voor de bezoekers van Thrillerlezers. 
Vannacht, toen ik om halfdrie naar het toilet moest, tóen wist ik precies wat ik zou gaan schrijven. En dat het grappig was. Ik twijfelde even of ik het op zou schrijven, maar toen ik de warme dekens en mijn slapende man zag, dook ik toch maar in bed, want wat ik wilde schrijven was zó briljant dat ik het niet kón vergeten. En toen ik vanochtend opstond, blij en enthousiast omdat ik wist dat ik vannacht een geweldig idee had, was mijn hoofd net zo leeg als het bed. Juist. Compleet vergeten wat ik wilde schrijven. Hoe briljant het ook was, het was weg. 

Ik begon te schrijven over mijn bezoekje aan Amsterdam, waar ik een van mijn idolen (Sophie Jackson, een New Adult Auteur) heb ontmoet, maar wat bijna misging omdat mijn trein verschrikkelijk vertraging had vanwege een seinstoring bij Eindhoven, en dat ik ongeveer tien minuten voor vertrek van de boot waar ik op moest zitten aan kwam rennen, hijgend en zwetend en met trillende benen omdat ik dacht dat ik de boot zou gaan missen. Maar dat was alleen grappig als je erbij was en me aan hebt zien komen, dus besloot ik het over een andere boeg (Ik ben trouwens ook heel goed in domme woordgrappen) te gooien en jullie iets te vertellen over mezelf en hoe ik schrijf. Iets dat je ook op mijn website kunt lezen trouwens, als je niets te doen hebt.

Ik ben zo’n schrijfster met notitieboekjes in haar tas. Die overal waar ze is ineens een boekje tevoorschijn kan halen en kan beginnen met schrijven. Dat kun je tegenwoordig ook op je telefoon doen, maar ik ben helaas ook zo iemand die het dan opslaat op haar telefoon en dan niet meer weet waar het staat. Dus heb ik wel twintig van die boekjes. In elke tas, jas, op tafel, in de boekenkast, overal liggen ze, zodat ik nooit zonder zit. Dat is tenminste de bedoeling. 

Twee weken geleden waren we met vrienden in een restaurant en zei een van hen iets dat zó grappig was dat ik er tranen van in mijn ogen kreeg. Meteen grabbelde ik naar mijn tas, net voor ik me herinnerde dat die nog thuis lag. Met mijn boekje erin. Ik kon niets anders doen dan het servetje en de pen van tafel pakken (Dat is dan weer handig als je in een tapas restaurant bent, je hebt altijd een pen op tafel liggen) en het opschrijven. Die vriend was meteen op zijn hoede. ‘Laat me raden, dat ga ik zeker terugzien in een boek?’ 

Zo gaat het altijd bij mij. Een groot deel van mijn inspiratie haal ik uit dingen die ik zelf zie, doe of meemaak, zie of hoor. Helemaal niet handig als je erotische romans schrijft, want hoe vaak ik de vraag niet krijg of ik ‘Dat-en-dat’ ook uit eigen ervaring vertel. Alsof je een thrillerschrijver vraagt of hij ook echt iemand vermoord heeft om te kijken of het bloed wel echt op die manier die hij beschrijft tegen de muur kan spatten. 
Ik hou van schrijven. Van het moment dat iemand tegen me zegt ‘Ik heb je boek gelezen!’ en van de mensen die me via facebook opzoeken, alleen om te zeggen dat ze iets geweldig vinden. Ik hou ook van kansen zoals deze. Dat iemand me vraagt om een column te schrijven een site, gewoon omdat ik doe waar ik van hou. Schrijven.  Ik hoop dat jullie net zo genieten van het lezen als ik deed van het schrijven. Ook al weet ik nog steeds niet wat mijn briljante idee van vannacht was. We zullen het waarschijnlijk nooit weten… Verdwenen in de diepe, donkere krochten van het schrijfster-brein.

Tamara

woensdag 20 september 2017

Boekpresentatie Muurbloem van Gaby Rasters

Zondag 17 september was in de Bruna in Weert de lancering van Gaby Rasters’ eerste thriller ‘Muurbloem.’ (Uitgeverij Ellessy) 
Omdat wij vanuit Heerlen naar Weert moesten, besloten we op tijd te vertrekken en dat was maar goed ook, want ergens voor Roermond bleek de A2 al afgesloten te zijn. Tot Eindhoven. Dus binnendoor. Met onderweg ook nog een wegafzetting i.v.m. wielrennen dus kwamen we nog bijna te laat.
Gaby was er al, druk bezig met het regelen van hapjes en drankjes en het uitstallen van haar boeken. Ik had natuurlijk Muurbloem al gelezen, en het was ontzettend leuk om nu een echt boek te zien liggen in plaats van een document op de computer. Ik kende Gaby eerst alleen van Like/Share/Follow bij Zomer&Keuning en was blij verrast dat ze ook een thriller had geschreven. Terwijl ik wachtte op het begin van de presentatie kletste ik wat met de aanwezigen. ( ‘Jij bent toch Tamara, of niet soms?’ Het blijft de beste zin ooit als hij van iemand komt die jij niet kent!!)

Buiten speelde een band op een podium récht voor de Bruna, dus ik was even bang dat niemand Gaby zou verstaan. Gelukkig stopten ze een minuut voor het begin van de presentatie en langzaam maar zeker liep de winkel vol met vrienden en bekenden. De presentator praatte over het boek en dat het in een maand geschreven is en kondigde de Wethouder aan die het eerste exemplaar in ontvangst zou nemen. Wethouder Geert Gabriëls gaf een prachtige speech over dat Gaby een inspiratie voor hem was en dat hij jaloers was op haar ondernemingslust en nam het boek in ontvangst. Daarna rende hij ermee naar buiten en gilde het over het plein dat er een ‘boekpresentatie gaande was in de winkel,’ Het heeft vast wat mensen naar binnen gelokt, want het liep ineens helemaal vol, je kon bijna nergens meer staan. Mensen klapten en gaven Gaby schouderklopjes, en ik dacht nog ‘Zou je dat ook doen als je het gelezen hebt? Dat er zoiets verknipts uit zo’n schattig vrouwtje kan komen!’

Na het praatje van de wethouder, (Die meteen vertrok omdat de gouverneur ook ergens door Weert liep) was het tijd voor het praatje van een ander belangrijk persoon: Patrick Haagmans, de regisseur van Coriovillum. Hij kwam samen met zijn assistent regisseur Dennis Jaspar vertellen over de plannen die er zijn met Muurbloem. En die zijn niet mis: Muurbloem wordt een film. Met behulp van Crowdfunding en sponsoring, iets dat zowel Gaby als Patrick niet vreemd is, gaan we proberen een prachtige kortfilm te maken van Muurbloem.  Ik ken Patrick vrij goed, dus dat vond ik niet zo interessant, en ik bladerde weer door een paar boeken, bedenkend of ik er eentje zou kopen tot ik applaus hoorde. Verdorie. Hij was alweer klaar. Ik hoorde hem nog net zeggen: ‘Het kost vooral heel veel tijd en heel veel geld.’  Normaal kletst hij ook vijf kwartier in een uur maar op het moment dat ik andere dingen doe is hij ineens binnen vijf minuten klaar.

Nog even luisteren naar iemand die een stukje voorlas (Maar ik stond zo ver achteraan dat ik haar niet kon verstaan…) en toen kwam het leukste gedeelte. Ik weet niet hoe dat voor Gaby is, maar ik vind het veel leuker om mensen te knuffelen, iets in hun boek te schrijven en foto’s met ze te maken dan het officiële gedeelte. Ik maakte nog wat foto’s en omdat we nog een andere afspraak hadden later die dag besloten we op tijd terug naar huis te gaan en Gaby haar feestje te gunnen. En een feestje, dat was het! Na een dikke knuffel, een foto én een gesigneerd exemplaar gingen we tevreden richting Heerlen.





dinsdag 12 september 2017

Tamara Haagmans gefeliciteerd!

Tamara Haagmans toonde vandaag vol trots het contract voor het boek wat ze bij Kabook uit gaat geven. De uitgeverij van oa Lydia van Houten.

Ze gaat daar een Contemporaire Young Adult uitbrengen, wat inhoudt dat het zich in de hedendaagse wereld afspeelt en over gewone jonge mensen gaat, ipv over elfjes en andere toekomstige wezens.


Thrillerlezers wil haar van harte feliciteren met dit hele goede nieuws. Wat nog veel leuker voor Thrillerlezers zelf is dat deze dame binnenkort start met het schrijven van columns voor ons. Ik volg haar al even en moet heel vaak hard schateren om haar impulsieve opmerkingen en gedrag. Dus ik ben trots dat ik haar mag inlijven.