Vorige week won ik bij de Sweek- verhalenwedstrijd de derde
prijs met mijn verhaal ‘Niemandsland.’
En waar kun je beter met zo’n verhaal naartoe dan naar de Thriller-blog waar je
een maandelijkse column voor schrijft? Neem een kopje thee, trek je dekentje
over je benen en ga lekker met me mee naar Niemandsland!
Hij grijnst naar me als hij het glas op de tafel zet met een harde tik. Ik zit
op de bank en vanuit die houding is mijn gezicht precies op de hoogte van zijn
kruis. Ik lik over mijn lippen. Ik heb ooit eens gelezen dat mannen dat sexy
vinden, maar het lijkt Joost niets te doen. Wat verbeeld ik me ook. Ik kijk
mistroostig naar beneden, langs mijn te dikke benen naar de te geforceerd sexy
lange laarzen met de hoge hakken. Het leek me een goed idee. Net als de stay up kousen met het kanten randje die
ik onder het rokje draag. Hij kijkt me opgewonden aan. Misschien dat hij toch…
Ik buig naar hem toe, mijn lippen een beetje geopend, maar hij wilde alleen dat
glas weer oppakken. Het moment is alweer voorbij en ik laat me achterover
zakken. Ik weet niet wanneer ik het ben verloren. Vroeger wist ik hoe het
voelde om me sexy te voelen. Vroeger moest ik de mannen van me af slaan. Nu is
elke man die ik mee naar huis neem, de volgende mislukking op het lijstje dat
elke week langer lijkt te worden. Ze blijken allemaal getrouwd te zijn, of
gewoon op zoek naar een snelle wip. Ze begrijpen het niet. Joost is de enige
die het wel snapt. Hij komt steeds terug. Omdat hij van me houdt, zegt hij. Ik
denk dat het is omdat hij weet dat er onder die façade van dat verlegen, net te
dikke, lelijke meisje een beest in bed schuilgaat. Ik kijk naar zijn mooie,
sterke vingers op mijn bovenbeen.
Twee
weken eerder
De hand op mijn bovenbeen verplaatste zich voorzichtig naar boven. De vijf
vingers kriebelden als een soort vogelspin naar boven, in de richting van mijn
kruis. Ik was aangeschoten toen hij vroeg of hij met me mee naar huis mocht.
Dat moest wel, want hij zat nu hier naast me, op mijn bank. Ik had me zo
voorgenomen om het niet meer te doen. Ik hield het ook al zeker twee weken vol.
Twee eenzame weken, waarin ik meer dan eens de telefoon had gepakt om Joost te
bellen, maar het niet had gedaan. Omdat ik te trots was.
Omdat ik niet wilde dat hij wist dat hij de ware was. Dat ik op hem had
gewacht.
De tong van mijn aanbidder hing een beetje uit zijn mond en hij had een
glazige, geile blik in zijn ogen toen zijn vingers de rand van mijn slipje
raakten. Tim, of Tom, of misschien was het wel Timo, kwam steeds dichterbij met
zijn mond. Hij wilde me kussen. Zijn hand glipte in mijn slipje en hij hijgde
steeds harder. Ik deinsde een beetje terug en greep zijn hand vast.
Ik wilde dit niet. Ik had hem nooit mee naar huis moeten nemen, maar ik wilde
zo graag vergeten dat ik al twee weken niet meer leek te bestaan voor Joost.
Met een ruk trok ik zijn hand uit mijn slipje en mijn hoofd weg van die
vlezige, vochtige lippen, die op een haar na op mijn lippen terecht waren
gekomen. Van zo dichtbij was hij toch een stuk minder smakelijk dan ik eerst
dacht. ‘Ik geloof niet dat dit een goed idee was. Je kunt beter gaan.’ Zeg ik,
met dichtgeknepen ogen…
…Joost knipt zijn vingers voor mijn ogen. ‘Chantal?’
Het kost me even om me te realiseren waar ik ben, zo ver was ik in gedachten
verzonken. ‘Ik dacht even dat je in slaap gevallen was. Zo slaapverwekkend ben
ik toch ook niet?’ Het idee! Dat ik in slaap zou kunnen vallen terwijl hij bij
me is. Ik koester elke seconde met hem omdat het er veel te weinig zijn.
‘Ik weet niet wat het is vandaag, maar ik ben er met mijn hoofd niet bij. Ik
heb een beetje een rotdag gehad maar dat is allemaal goed nu jij hier bent.’
Hij schuift een beetje dichter naar me toe en aait over mijn hoofd. ‘Wil je me
laten zien hoe blij je bent dat ik hier ben?’ Ik wil niets liever. Het is niet
eens nodig dat hij me weer in mijn nek pakt en mijn hoofd in de richting van
zijn kruis duwt. Ik weet wat hij wil en ook precies hoe hij het wil. Ik let
altijd goed op. Wanneer ze kreunen en wat ze lekker vinden. Joost is een geval
apart. Een geval waar ik inmiddels tot over mijn oren verliefd op ben. Hij weet
het. Dat weet ik zeker. Ik weet precies wat ik doen moet om het hem naar zijn
zin te maken. Als hij straks voorgoed bij mij is, en we samenwonen zal hij me
dankbaar zijn. Tegen de tijd dat hij me ten huwelijk vraagt en ik natuurlijk
met tranen in mijn ogen JA roep, zal hij het kunnen waarderen wat ik allemaal
voor hem gedaan heb. Het enige dat ons tegenhoudt is dat hij nog getrouwd is.
Maar dat is nog maar een formaliteit. Ik weet het zeker, want hij zit middenin
zijn scheiding. Ik sluit mijn ogen en doe wat hij wil. Omdat het is wat hij
áltijd wil. Omdat hij zo alles kan vergeten. En ik zál hem alles laten
vergeten. Net zoals ik deed bij Tim/Tom/Timo.
Twee
weken eerder
‘Hoe
bedoel je, dat ik beter kan gaan? Ik heb je de hele avond drankjes gegeven! Jij
hebt me de hele avond opgegeild en nu wil je dat ik ga zonder dat ik er iets
voor terugzie? Wat ben jij voor ’n raar wijf?’ Er vlogen druppels speeksel in
mijn gezicht toen hij de woorden naar me toe spuugde. Ik had weleens gehoord
van mannen die zo denken, ik was er alleen nog nooit zelf eentje tegengekomen.
Ik krabbelde omhoog van de bank en ging rechtop staan. Het leek wel alsof ik
zijn dronken, geile blik, voelde branden in mijn decolleté.
Hij maakte zelfs dat ik me een beetje vies voelde. Ik probeerde me te
herinneren waar ik mijn mobiel had gelaten. Als ik discreet hulp zou kunnen
inroepen zou er niets aan de hand zijn, dan zou hij gewoon verdwijnen. Hij
mocht dan wel een lul zijn, maar hij verdiende niet wat al die andere eikels
overkomen was. Ik wees naar de deur. ‘Het spijt me heel erg dat je dat zo
voelt, maar ik voel me niet verplicht om wat dan ook te doen omdat ik een paar
cola’s van je heb gekregen. Ik heb echt liever dat je gaat.’ Op dat moment
veranderde er iets in zijn gezicht. Ik zag het gebeuren. Zijn mondhoeken gingen
omhoog en hij begon te lachen. Hij bezegelde eigenlijk zelf zijn lot met wat
hij toen deed. ‘Ik weet wel waar dit heen gaat. Jij bent een van die vrouwen die
het lekker vinden om tegen te stribbelen, nietwaar? Jij zegt nee, en ik doe het
toch. Ik ken jou soort wel.’ Zijn hand greep me bij mijn pols en hij keek me
verlekkerd aan. ‘Wat ben jij een lekkere kleine slet zeg.’…
…‘Wat ben jij een kleine slet zeg.’ Joost spreekt de woorden zacht uit, met een
plagerige ondertoon. Hij heeft mijn haar
vast en hijgt zachtjes als ik mijn mond over zijn erectie op en neer beweeg.
‘Ik ken echt niemand die zoveel plezier in pijpen heeft als jij.’ Hij kreunt
als ik hem het randje van mijn tanden laat voelen. Ik voel hoe mijn rokje
omhoog kruipt en besef me dat hij nu het kanten randje van mijn kousen moet
kunnen zien. En dan weet ik ook weer waarom ik die kousen heb aangetrokken.
Voor hem. Omdat ik hem iets belangrijks wilde vragen. Ik laat zijn erectie uit
mijn mond glijden, wat me een luid protest oplevert. ‘Joost? Hoe zit het nu met
die scheiding?’ Ik voel hem meteen slap worden in mijn mond. Joost slaakt een
diepe zucht. ‘Ik heb het toch al een paar keer gezegd? Ik kan niet zomaar
weggaan. Ik moet haar met fluwelen handschoentjes aanpakken. De scheiding gaat
me anders een hele hoop geld kosten. Dat wil je toch niet? Jij wil toch ook dat
ik jou alles kan kopen dat je hartje begeert in plaats van het met haar te
moeten delen?’ Hij snapt het niet. Het kan me echt geen reet schelen wat het
hem kost. Al moet ik droog brood eten en dat wegspoelen met water. Het gaat
erom dat we samen zijn. Hij begrijpt ook wel dat we voor elkaar gemaakt zijn.
Hij moet alleen snappen dat wat hij met haar heeft, niets voorstelt in
vergelijking met wat hij met mij heeft. ‘Het loopt. Dat beloof ik. Maar het
duurt allemaal even. Het duurt niet lang meer en dan laat ze me gaan. Dan gaan
wij tweetjes op vakantie. Lekker twee weken op een warm strand liggen. Hoe
klinkt dat?’ Hij knijpt speels in mijn wang.
Twee
weken eerder
Hij kneep me. Hard. ‘Geef het maar toe. Je kickt hier op.’ Hij keek zoekend om
zich heen. ‘Waar is je slaapkamer?’ Sommige mensen verdienen het gewoon niet om
vrij rond te lopen. Waar zou mijn slaapkamer zijn? Daar waar elke slaapkamer
is. Gewoon boven. Zou hij dom genoeg zijn om erin te trappen? Ik gebaarde met
mijn hoofd naar een deur. Als ik het precies op het goede moment zou doen,
moest het lukken. Zijn vlezige, natte lippen kwamen weer dichterbij. Hij scheen
ineens vergeten te zijn dat ik hem een minuut geleden nog de deur uit wilde
werken, en het viel hem ook niet op dat ik ineens wel heel meewerkend was
geworden. Ik dacht gewoon aan Joost. Alsof het zijn lippen zijn op de mijne waren,
en er trok een rilling door mijn lichaam. Ik kreunde zacht. Alsof Joost me ooit
pijn zou doen. Omdat ik vergat wiens
lippen het waren en hij tenslotte alleen maar hier was als een armzalige
vervanger van Joost, liet ik me een seconde gaan. Tot hij zijn onderlichaam
tegen het mijne aandrukte dan. Het feit dat hij kreunde, verpestte het. Het
brak de illusie. Sukkel. We kwamen aan bij de deur en de loser had nog steeds
niets in de gaten. Alsof ik hem ooit in de buurt van mijn slaapkamer zou
willen. Hij reikte langs me om de deur open te maken en toen hij aan de knop
draaide wist ik het: Het is nu, of nooit…
…‘Het is nu of nooit Joost, je kunt niet blijven
zeggen dat het bijna zo ver is. De eerste keer zei je al dat je bij mij wilde
zijn. Ik wil met je over straat kunnen lopen. Je hand vast kunnen houden en
kunnen laten zien dat ik bij je hoor. Samen op een terras een glas wijn
drinken.’ Hij weet het niet, maar toen ik laatst bij de Hema was om nieuwe
kousen te kopen, heb ik hem gezien. Hij zat op een terras met háár. Die bitch.
Ze had haar hand op zijn onderarm en ze nipte van een glas rode wijn. Joost
keek blij en ik kon haar ogen wel uitkrabben toen ik zag hoe ze naar hem keek.
Ik weet dat hij dat alleen maar doet zodat zij niets doorheeft. Hij heeft me al
een paar keer verteld dat hij haar niet meer kan uitstaan. Dat hij ervan walgt
als ze naast hem in bed ligt of hem wil kussen. Dat hij het beter bij mij heeft
dat ik veel beter in bed ben. Het is alleen maar een kwestie van tijd. Toen hij
haar vertelde dat hij wilde scheiden huilde ze, zei hij. Die avond zou hij
eigenlijk naar mij komen, maar uiteindelijk moest hij de hele avond bij haar
blijven om haar te troosten. Ik laat mijn nagels over zijn arm glijden en kijk
hem verleidelijk aan, diep in zijn ogen. ‘Ik ben hier niet om dat gezeik aan te
horen Chantal. We kunnen het nu nog even leuk hebben samen, maar als je door
wil blijven zeuren, dan ga ik naar huis. Daar heb ik ook gezeik aan mijn kop
maar daar kan ik tenminste de tv aanzetten.’ Hij laat zich achterover zakken en
wacht af wat ik doe.
Twee
weken eerder
Hij wachtte af wat ik zou doen. De hand rond mijn pols was al iets losser en
gelukkig duwde hij toen met een smerige grijns de deur open. NU. Voor hij door
zou dat dit mijn slaapkamer niet was. Elke man met een beetje verstand had
allang gezien dat dit de kelderdeur was. Ik had maar een paar seconden want zo
gauw de deur helemaal open was, zou hij de krakkemikkige houten trap naar
beneden zien. Het was maar een fractie van een seconde maar het was genoeg. Ik
draaide mijn bovenlichaam scherp naar links en gaf een ruk aan zijn arm terwijl
ik zijn lichaam een duw gaf met mijn ellenboog. Hij wankelde, leek zich te
herpakken maar verloor uiteindelijk toch zijn evenwicht. Met een
misselijkmakend gekraak viel hij de trap af, zo de kelder in. Dát kon niets
anders dan een paar gebroken botten opleveren. ‘Hallo? Ben je oké?’ vroeg ik
schijnheilig. Ik tuurde het donker in. Er kwam geen reactie en het bleef
muisstil. Hij zal wel héél boos zijn, dacht ik nog. Dat ik hem de trap af had
geduwd bedoel ik. Maar ik moest wel. Ik probeerde het nog eens. ‘Hallo? Moet ik
een dokter bellen?’ Alsof ik dat zou doen. Echt niet. Het is ook altijd
hetzelfde met die kerels. Als ze hun mond open móeten doen, doen ze het niet. Maar
als ik ze niet horen wil, dán kletsen ze me de oren van mijn kop. Ik pakte de
zaklamp van het haakje en slaakte een diepe zucht toen ik voor de zoveelste
keer mijn voet op de traptrede zette...
…Ik zet mijn voet op de trap, en wenk Joost. ‘Ga mee naar boven,’ zeg ik
smekend. Hij kijkt op zijn horloge. ‘Ik heb niet veel tijd, we hebben een
etentje vanavond, maar een vluggertje moet wel lukken, geil wijf dat je bent.’
Onverwacht steekt het, ergens in de buurt van mijn hart, dat ik geen deel
uitmaak van ‘we’. En als ik héél eerlijk ben, weet ik ook wel dat ik nooit deel
uit gá maken van ‘we’, samen met Joost. Hij wil wijn op een terras, met een
slanke blonde, in plaats van Netflix op de bank met een dikkerdje in stay ups. Hij schuift de trouwring van
zijn vinger af en stopt hem terug in zijn zak. Hoe dom, dat me dat niet eerder
opgevallen is. Dat ik al die tijd dacht dat hij zijn trouwring niet meer droeg
omdat hij al bijna gescheiden was. Het besef slaat me in mijn gezicht als een
natte dweil. Het is nooit zijn bedoeling geweest dat wij twee ‘we’ zouden
worden. Ik ben zíjn tussendoortje. Zijn scharrel. Dat meisje dat hij tevreden
moet houden door haar beloftes te doen die hij dan uiteindelijk niet waarmaakt.
Hij zal nooit bij zijn vrouw weggaan. Niet voor mij. Hij is geen haar beter dan
de rest. ‘Ik heb een verrassing voor je, in de kelder,’ Ik verbaas mezelf hoe
weinig moeite het me kost om de woorden uit te spreken. Hoe snel het besluit
genomen is. Amper een week geleden wilde ik nog oud met hem worden maar daarnet
ging ineens de knop om. Ik voel me vies. Iets dat hij uit de kast pakt als hij
ermee wil spelen maar daarna ook zonder pardon terug in de kast gooit en het
daar laat liggen tot hij weer wil spelen. Hij trekt zijn wenkbrauw op. Hij is
net een klein kind, het vooruitzicht van een cadeautje laat hem de rest
vergeten. ‘Je moet het alleen zelf gaan pakken.’ Ik zet een stap terug tot ik
weer met beide voeten in de hal sta. Ik twijfel. Heel even maar. Niet langer
dan een seconde en dan loop ik voor hem uit naar de kelderdeur…
Twee
weken eerder
Ik
zag het eigenlijk al voor ik beneden was. In het schijnsel van de zaklamp zag
ik hem aan de voet van de trap liggen. Een van zijn benen in een rare hoek
onder zijn lichaam, en zo te zien was zijn hoofd onderweg een paar keer tegen
de muur gekomen want overal lag bloed. Zijn ogen waren open, dat kon ik zelfs
halverwege de trap al zien. Maar dan het soort ‘open’ dat je vooral ziet bij de
doden. Die levenloze blik, alsof je naar vissenogen kijkt. Beneden aan de trap
wist ik het zeker. Oh ja. Zo dood als een pier. Zelfs dat was me niet gegund,
om nog een beetje plezier te maken. Ik schoof hem aan de kant met mijn voet.
Hij voelde warm aan, en zo te zien had hij zijn nek gebroken.
Ik slaakte een diepe zucht en liep toen naar de vriezer. De kou sloeg in mijn
gezicht toen ik hem opende en erin keek. Tot bovenaan vol. Daar zou hij met
geen mogelijkheid bij passen. Verdorie. Ik had hem gewoon moeten drogeren en
hem daarna in de vriezer moeten laten inslapen. Dat doe je met zieke ratten,
leerde ik ooit van een dierenarts tijdens mijn studie. Een humane manier om er
een eind aan te maken. Maar die klootzak moest het weer verpesten door zijn nek
te breken, nog voor ik plaats kon maken in de vriezer. Ik duwde tegen beter
weten in een beetje tegen het bevroren lichaam dat bovenop lag. Er hingen
ijspegels aan zijn oren en zelfs na een paar rukken eraan bewoog het niet en
gaf het geen meter mee. De vijf lichamen eronder, ook allemaal stijf bevroren,
namen elke vrije centimeter in beslag. Binnenkort zou ik weer met mijn zaag en
het zuurbad in de weer moeten.
Met al die klootzakken de laatste tijd
vulde de vriezer sneller dan dat ik hem leeg kon maken. Ik trapte zijn lichaam
aan de kant. Of misschien was het gewoon tijd voor een nieuwe vriezer. Als
cadeautje voor mezelf. Het lichaam liet ik liggen. Ik nam een bad, om zijn
vieze vingers van me af te spoelen en stuurde een paar halfnaakte selfies naar
Joost. Fuck mijn trots, hij zou weten dat ik hem wilde…
…‘Is
het een sexy verrassing?’ Ik werp Joost mijn meest verleidelijke knipoog toe.
Doodzonde is het. ‘Ga maar kijken. Je komt er vanzelf achter. De lichtknop zit
daar beneden, dus kijk uit waar je loopt.’ Ik wacht tot hij halverwege is, ver
genoeg om nog een flinke rotsmak te maken en dan duw ik zo hard als ik kan, met
mijn beide handen in zijn rug. ‘Fuck!’ schreeuwt hij, gevolgd door de klap van
iets hards tegen beton. Het blijft stil. Één seconde. Twee seconden. Dan begint
hij te schreeuwen. ‘Achterlijk wijf! Waarom deed je dat nou!’ Ik schijn naar
beneden met de zaklamp. Joost ligt met zijn gezicht naar beneden op zijn buik
onderaan de trap. Hij heeft letterlijk een duikvlucht gemaakt en als hij zich
omdraait zie ik dat hij met zijn gebit op de grond terecht is gekomen, hij mist
een paar tanden en heeft een bloedneus. Zijn van pijn vertrokken gezicht
veranderd in een van afgrijzen als hij het ziet. Hij wil wegkrabbelen maar komt
niet overeind. Misschien ook zijn enkel gebroken. Ik volg zijn blik. Vol in het
schijnsel van mijn zaklamp ligt Tim. Of Tom. Of Timo. Nou ja, wat er van hem
over is dan. Het warme weer heeft hem duidelijk geen goed gedaan, en nu ik voor
het eerst in twee weken terug in deze kelder ben weet ik wel dat ik dus niemand
meer twee weken kan laten liggen. Gadverdamme wat een vreselijke stank! Joost
krabbelt zo goed en kwaad als het gaat aan de kant en ondersteunt zijn pols,
zie ik. Dat is nogal een score, als zijn pols ook gebroken is. ‘Je bent gek!’
roept hij, en de bloedspetters spatten in het rond uit zijn mond. Ik loop kalm
de trap af en druk op de lichtknop. Trots kijk ik om me heen. De verwilderde,
angstige blik van Joost is het mooiste dat ik ooit heb gezien op zijn
gezicht.
In de verste hoek van de kelder staan twee zwaar verstevigde kooien. Ze lijken
een beetje op benches maar ze zijn speciaal voor mij gemaakt in het buitenland,
en ze kunnen volwassen mannen gevangenhouden, zonder moeite. De man die ze
maakte dacht ik dat ik aan hardcore SM deed. Ik heb hem in die waan gelaten.
Joost kijkt geschokt naar de kettingen. Ik kan ze overal ophangen hier beneden,
want de muur hangt vol met haken. Alles is geïsoleerd, zodat ze zo hard kunnen
schreeuwen als ze willen, maar de meeste mannen schreeuwen al niet eens meer
als ze hier zijn aangekomen. Ik volg zijn blik naar de geïmproviseerde
operatietafel, en het zeil op de grond met de kettingzaag uit de
kringloopwinkel ernaast. Misschien moet ik de badkuip trouwens eens
schoonmaken, want ik zie dat er bloedvegen langs de buitenkant zitten. Af en
toe is het goed om je omgeving eens door de ogen van een ander te bekijken.
Dan lijkt hij eindelijk zijn stem terug te krijgen. ‘Wat is dit?’ Zonder
antwoord te geven stap ik over Joost heen. Ik doe het kleine witte kastje open
en ik voel zijn ogen branden in mijn rug. Ik zorg dat hij de injectiespuit niet
ziet. Meestal krijgen ze die pas als ze al een paar dagen in de kooi zitten en
me alles beloven om er maar uit te komen. Dat ze voor altijd bij me blijven,
bijvoorbeeld. Als ze spijt betuigen wil ik ze best uit hun lijden verlossen. Ik
kan het niet aan bij Joost. Ik wil hem niet zien lijden, ook al is hij de
grootste klootzak tot nu toe. Met mijn linkerhand neem ik hem in de houdgreep
en voor hij weet wat hem overkomt, heeft hij de naald al in zijn hals en
verwoest de overdosis zijn lichaam van binnenuit. Hij schokt een paar keer heel
heftig en dan voel ik hem verslappen in mijn armen. Misschien zou er nooit een
‘We’ zijn met Joost, maar nu net, heel even, was het alleen hij en ik. Ik
schuif het lichaam aan de kant en haal mijn neus op. Het stinkt hier wel echt
heel erg. Ik moet hier iets aan doen, voor een van mijn buren het gaat ruiken.
Een
week later.
Ik kijk trots om me heen. De vriezer is leeg en het
zeil is vervangen door een schoon zeil, waarop de badkuip staat te glimmen.
Twee Jerrycans met zuur staan te wachten naast het afvoerputje, dat ik ook heb
geboend tot ik mezelf in het deksel kon zien. Het ruikt lekker schoon naar
bleek, en de ambi-pur in het stopcontact zorgt voor de resterende vage
luchtjes. De zes lichamen die ik in
stukken heb gezaagd en heb opgelost in het zuur zullen vast gemist worden, maar
ik heb hun telefoons mee vernietigd dus niets wijst op mij. Misschien zit er
nog wat DNA in het afvoerputje maar dat is dan ook alles. Hun vrouwen denken
vast dat ze er vandoor zijn met een van hun scharrels, en waarschijnlijk zijn
ze zonder hen een stuk gelukkiger. Na verloop van tijd. Ik heb ze eigenlijk
gewoon een dienst bewezen. Ik heb mezelf getrakteerd op een nieuwe kettingzaag
en ik kan niet wachten tot ik hem de eerste keer kan gebruiken. Ik heb ook een
klok opgehangen, want soms had ik het zo naar mijn zin dat ik vergat dat ik ook
nog moest werken. Niet dat een Patholoog anatoom het nou zo druk heeft in
Limburg, maar er moet toch brood op de plank komen. Niet iedereen heeft het
geluk dat ze van hun hobby hun beroep kunnen maken.
Voor ik naar boven loop hang ik het nog even recht. Mijn nieuwste aanwinst. Een
leuk bord in de vorm van een wegwijzer. ‘NIEMANDSLAND’ staat erop, in glimmende
paarse letters. Hij wijst naar mijn vriezer. Leuk, voor wie ik vanavond mee
naar huis neem…