Posts tonen met het label esther. Alle posts tonen
Posts tonen met het label esther. Alle posts tonen

woensdag 6 maart 2019

Welke muziek inspireert Esther Boek?

Als kind leerde ik mijn huiswerk altijd met de muziek zo hard mogelijk aan. Mijn ouders zeiden me de herrie uit te doen. Want dit leidde me alleen maar af van wat ik moest leren. Maar muziek vulde de ruimte in mijn hoofd niet. Het leek mijn hersenen juist actiever te maken.

Nu zie ik het ook bij mijn kinderen. Wanneer het onoverkomelijke proefwerk op de slaapkamerdeur staat te bonken, gaat Spotify een tandje harder en worden het lesboek en het schift zuchtend tussen de rommel op de vloer uitgevist. Ikzelf moet dan altijd mijn hand voor mijn mond houden om zo de stem van mijn ouders, jaren geleden opgesloten in de spelonken van mijn brein, niet via mijn lippen te laten ontsnappen. En waar ik vroeger mijn ouders niet begreep, begrijp ik nu mijn kinderen niet. Hoe kunnen zij productief zijn met die herrie in hun oren, die hun hersenen laat meetrillen in een verwoestende vibratie.


Wanneer ik inspiratieloos achter mijn laptop zit, mijn vingers op de toetsen, klaar om de meest prachtige woordvondsten aan het digitale papier toe te vertrouwen, wil ik nog weleens de truc van lang geleden uithalen. De radio aan om mijn hersenen te activeren.
Maar daar waar vroeger de muziek me tot hogere prestaties bracht, lijkt hij nu de verstopte woorden in mijn hoofd nog harder terug te duwen naar plekken waar ik ze helemaal niet meer kan zien. Zelfs de prachtige geluiden van onze klassieke meesters zijn teveel voor mijn tot het uiterste gekwelde en zoekgeraakte inspiratiemannetje.


Als ik aan mijn boeken schrijf wil ik stilte om me hen. Alleen dan komen de verborgen letters, voetje voor voetje uit hun holen gekropen. Eerst kijken ze nog wat schuw om het hoekje, trekken zich angstig terug wanneer ik ze in een rijtje wil zetten, waar ze gezamenlijk een woord, een zin kunnen vormen. Maar langzaam meer zeker vertonen ze zich met meer vertrouwen en als de meest dappere in Times New Roman 12 staan, volgt de rest vanzelf.


Mijn vingers nemen de muziek van vroeger over. Ze tikken in verschillende ritmes op het toetsenbord, pauzeren even kort, om dan weer verder te gaan in een staccato dat meer en meer een samenspel wordt waarin de geluiden samenkomen tot woorden, zinnen, paragraven en hoofdstukken.
Muziek en concentratie gaan voor mij niet meer samen. Waar ik als puber muziek nodig had om overeind te blijven in de chaos van mijn ontwikkelende hersenen, lijk ik in de fase waarin deze in gewicht alleen maar afnemen, juist stilte nodig te hebben om de wanorde achter mijn schedeldak de baas te blijven.
Toch vind ik het ook wel een mooie ontwikkeling. Mijn personages zijn als mijn kinderen. Ze ontwikkelen zich in mijn zicht, gaan soms een kant op die ik niet begrijp, kunnen me verbazen en ontroeren. Wanneer het boek klaar is om aan de wereld getoond te worden, vertrouw ik er op dat mijn personages zelfstandig verder kunnen. Ik praat nog wel over ze, voel trots als ik aan ze denk, maar we zijn ieder in een fase belandt waarin we elkaar los moeten laten.


Ook mijn kinderen heb ik gebaard in stilte. Geluiden om me heen, stemmen, muziek, alles leidde me af van waar ik mee bezig was, leven creëren. Daar waar de mooiste dingen ontstaan, moet het leven even stilstaan.


En dit zo opschrijvende, begrijp ik mijn kinderen weer prima. Want wees eerlijk, huiswerk is toch alleen maar een noodzakelijk kwaad, dat je met muziek moet overstemmen.

dinsdag 19 februari 2019

De inspiratieplek van Esther Boek

Mijn huis staat in een gewone straat. Waar gewone huizen staan, met gewone mensen, die gewone dingen doen.
De werkkamer, waar ik mijn boeken schrijf, ligt aan de voorkant van dit huis, en kijkt uit op een grasveld met een grote boom die me elke dag weer het seizoen van dat moment toont. Naast het grasveld ligt een fietspad, dat als een rood haarlint slingerend door de wijk loopt, naar plaatsen die ik vanuit het raam van mijn schrijfkamer niet kan zien.

Op het fietspad gaan mensen voorbij. Uiteraard op de fiets, maar ook op een brommer of een scooter. Lopend, met een skateboard, op skeelers. Oude mensen, jonge mensen. Lachende tieners, verliefde stelletjes. Mensen alleen, via oortjes aan hun mobiel verbonden met de wereld die ze niet kunnen zien. De ogen geopend maar blind voor hen die voorbijlopen.
Jonge moeders wandelen achter kinderwagens, het gezicht vermoeid, maar de mond in een grote lach, een hand schikkend aan het dekentje in de wagen.
Mannen, in pak en ongemakkelijke zakenschoenen steken hun haastig voorbij. De attachékoffer in de hand, al dromend van de krant en de pantoffels die in hun huis op hen wachten.
Blije gezichten, droevige gezichten, strakke gezichten, boze gezichten. Alle emoties die een mens kan hebben, komen langs mijn raam voorbij. Wanneer ik nog wat verder kijk, de weg over, zie ik weer een groot grasveld, met daarop twee voetbalgoals. Bij mooi weer spelen er kinderen en als de maanden kouder worden scharrelen er vogels rond, hun puntige snavels tussen de grassprietjes, op zoek naar voedsel zodat ze daarna weer verder kunnen vliegen.
   
Achter het grasveld ligt een treinstation. Soms, wanneer het heel stil is, hoor ik de belletjes van de spoorbomen, ten teken dat er een trein het station op komt gereden of dat er een vertrekt. Al gelang het moment van de dag, drommen er mensen over het perron, of is daar plek genoeg om met de arme weid, dansend naar de trein of op huis aan te gaan.
’s Morgens, in alle vroegte, is het een verzamelplaats voor pubers. De te zware rugzakken op de fiets, de hoofden nog in de slaapstand, hangen ze over hun stuur, aan elke kant van hun rijwiel een voet, het ijzeren ros nonchalant hangend tussen hun benen in.
Elke keer wanneer een klasgenoot zich bij het groepje voegt, halen ze een kort moment hun ogen van het beeldscherm van hun smartphone, waarna ook de nieuweling zich houdt aan de uniforme code van jeugdige onverschilligheid.
Wanneer de groep compleet is, stappen ze op hun fiets en vervolgen gezamenlijk, al slingerend, hun weg naar weer een lange dag vol saaie lessen en stomme docenten, om niet veel later uit mijn blikveld te verdwijnen.
In de avond komen jongeren samen voor het station, de fiets inmiddels ontgroeid en de muziek, die ik als herrie zou betitelen, trillend door hun autoruiten naar buiten. Ze roken wat, of draaien een joint, en hun stemmen verwaaien in de wind, ver genoeg weg zodat ongenode oren niet kunnen verstaan wat ze zeggen.
De avond groeit later, en duisternis volgt. Een eenzame wandelaar maakt het laatste rondje met de hond. Een late reiziger wordt door de trein naar buiten gebraakt. Op het fietspad, in het licht van de lantaarnpaal, fietst een meisje voorbij. Tegen een onzichtbaar persoon hoor ik haar geërgerd zeggen dat ze weet dat het al twaalf uur geweest is, dat ze haar mobiel op stil had staan, maar dat ze echt bijna thuis is.
Glimlachend kijk ik voor de laatste keer naar buiten, voor ook ik besluit dat het genoeg is geweest voor vandaag. Voor mijn huis is de straat stil geworden. Het fietspad is verlaten en ook de laatste trein is gepasseerd. Ik sluit mijn raam, trek het gordijn dicht en sluit de deur van mijn schrijfkamer achter me dicht. Morgen is er weer een nieuwe dag, waarin nieuwe personages, met nieuwe ontwikkelingen, mijn raam voorbij zullen gaan.
Vanaf april 2019

vrijdag 28 december 2018

Jaaroverzicht Esther Boek


Het jaar 2018 van Esther Boek

Het jaar 2018 zit er bijna op. Wat was het voor jaar? Welke lering kunnen we trekken uit dat wat er dit jaar gebeurde, zodat 2019 verdraagzamer en respectvoller wordt?
Voor mezelf pak ik nu meteen de kern van 2018. Iets dat al eerder is ingezet, maar wat mij meer en meer tegen de borst gaat stuiten. De onverdraagzaamheid, respectloosheid en onverholen haat naar mensen die een andere mening, een andere manier van leven, of een andere beleving hebben dan jij. In rap tempo veranderen we van een maatschappij in een haatschappij. Laten we samen zorgen dat dit niet het ‘Woord van het jaar’ van 2019 gaat worden.

Het ‘Woord van het jaar’. Dat is wel een mooi draadje tussen mijn werk als auteur en het beschrijven van 2018.

Blokkeerfries: elk van de personen die in Friesland een wegblokkade hebben opgezet om anderen te verhinderen te demonstreren tegen een aspect van de sinterklaastraditie, door sommigen beschouwd als verdediger daarvan.
Ja, die blokkeerfriesen. Volwassenen die zich gedragen als dreinende kleuters omdat anderen een spelletje op een andere manier willen spelen dan zijzelf. Overigens zijn die anderen geen haar beter. Dat zijn mensen die een feestje voor kinderen misbruiken om in een voor hen comfortabele positie van slachtoffer te rollen.
Waarschijnlijk raak ik nu heel veel gevoelige snaren. Maar wanneer door het kinderachtige gedrag van volwassenen de echte kinderen in het gedrang komen, dan spijt me dat niet.
Als ik het woord ‘blokkeerfries’ een positieve betekenis ga geven denk ik aan Maarten van der Weijden. Hij blokkeerde in de Friese wateren, waar hij zijn eigen gezondheid op het spel zette om anderen te helpen. Hij nam zijn volwassen verantwoordelijkheid om geld in te zamelen voor kankeronderzoek. Omdat kanker, net als Sint en Piet, iedereen raakt. Al zal niemand de straat op gaan om zich kanker op zijn eigen manier toe te eigenen. Maarten van der Weijden haalde niet alleen bijna vijf miljoen euro op. Hij liet Nederland zien dat mededogen, medeleven en respectvol zijn nog steeds woorden zijn die we kennen en kunnen uitvoeren.
Net als Virgil van Dijk die, voorafgaande aan Duitsland – Nederland, zag dat een kind dat meeliep op het veld, het koud had. Hij trok zijn trainingsjasje uit en gaf dit aan het verkleumde kind. Na de wedstrijd sloeg hij zijn armen om de scheidsrechter heen en wenste hem veel sterkte met het verlies van diens moeder. De scheidsrechter had in de rust te horen gekregen dat zijn moeder was overleden. Virgil van Dijk liet zien dat het in het kleine gebaar zit. Dat je niet hard hoeft te schreeuwen om dat te geven wat de wereld nodig heeft, mededogen en aandacht.

Bomcycloon: zich zeer snel ontwikkelende (winter)orkaan, waarvan het effect verwoestend kan zijn.
Dit jaar hadden we, in Nederland, weinig last van verwoestende orkanen. In plaats daarvan genoten en sidderden we onder een zomer die eindeloos leek te duren. Voor mij was het een zegen, terwijl er zeker mensen zijn geweest voor wie het allemaal wat minder mocht.
Het Atlantische orkaanseizoen 2018 telde acht orkanen. Met name Florence en Michael hadden verwoestende gevolgen.
Overigens zorgden niet alleen de orkanen voor slachtoffers in Amerika. Het geweld door mensenhanden nam schrikbarende vormen aan en de wapenwet kwam regelmatig onder vuur te liggen. Zelfs Donald Trump, toch een Republikein, riep het congres op om met een strengere wapenwet te komen. Een week daarvoor had hij nog geroepen dat hij leraren wilde bewapenen om zo scholen beter te beschermen.
En hierin laat onze menselijke bomcycloon zich weer van zijn meest snel ontwikkelende kant zien. Maar daar waar bij natuurlijke bomcyclonen de resultaten snel zichtbaar zijn, weet je bij Trump nooit of het om leugens, fakenieuws of waarheid gaat.

Vliegschaamte: schaamte die iemand ervaart als hij of zij gebruikmaakt van een vliegtuig terwijl er minder milieubelastende alternatieven zijn om zich te verplaatsen.
Dit jaar vloog ikzelf voor het eerst in mijn leven. Voor velen misschien ongebruikelijk, maar voor mij was het er nog nooit van gekomen en was het ook nooit noodzakelijk geweest. De vliegschaamte ken ik dan ook niet en ik begrijp hem überhaupt niet.
Als we ‘schaamte’ definiëren komen we uit op ‘onaangenaam gevoel dat je wilde dat je iets niet of anders had gedaan, of dat je ergens anders was’.
Voor mij sluit in 2018 schaamte veel meer aan bij de genderneutraliteit en homoseksualiteit waarvoor er nog steeds mensen in Nederland zijn die zich daarvoor schamen, of er in elk geval niet voor uit durven te komen. En daar moeten we ons, als land, dan weer voor schamen.
Zeventig procent van de niet hetero’s krijgen in hun leven te maken met geweld, in al zijn diversiteit, puur om het feit dat ze niet hetero zijn. Duizend aangiftes per jaar waarvan er slechts drie tot een veroordeling komen. In april kondigde de minister van Justitie aan dat er een actieplan zou komen tegen homogeweld, maar een half jaar later is het bij slechts de mededeling van dit plan gekomen. Beide is zorgelijk. Dat er een plan komt dat kennelijk nodig gevonden wordt, en dat het bij een plan blijft. Maar ook dat er überhaupt een plan moet komen ter bescherming van iets dat onder de noemer liefde valt.
Zelf heb ik me met grote regelmaat verbaasd als ik berichten las op sociale media. Dat het niet zijn van hetero gezien wordt als abnormaal, vies en ziek, schokt mij enorm. Dat in deze discussie ook vaak de pedofielekaart getrokken wordt en homoseksualiteit daarmee op één hoop wordt gegooid maakt me zelfs boos. Daar waar pedofilie niets te maken heeft met gelijkwaardigheid is dit bij homo’s en lesbiennes wel het geval. Het vergelijk is dan ook niet alleen onwaar, maar ook kwetsend.
In 2018 werd ook het eerste genderneutrale paspoort uitgereikt. Ook dit zorgde uiteraard voor veel ophef. Zelf heb ik niet echt een menig hierover, omdat ik het me moeilijk vind voor te stellen waarom je geen man of vrouw wilt zijn, maar onzijdig. Maar dit zegt eerder iets over de grens van mijn inlevingsvermogen dan over het feit dat het uitreiken van dit paspoort stom, belachelijk of wat dan ook is. Voor degene die het ontvangen heeft is het kennelijk een grote toevoeging voor de geluksbeleving. Wie ben ik dan om daar wat van te vinden, laat staan het te veroordelen. Ik slaap namelijk geen nacht minder bij het uitreiking van dit paspoort, eet er geen boterham minder om en hoef me er niet voor te verantwoorden.

Mangomoment: geluksmoment dat een ernstig zieke patiënt beleeft door een ogenschijnlijk onbeduidende, niet-medische handeling of opmerking van een arts, zorgverlener, mantelzorger e.d. tijdens normale zorgactiviteiten
Zo’n mangomoment, dat willen we toch allemaal wel hebben. Uiteraard niet de ernstige ziekte, maar wel het stukje empathie. Zullen we dat meenemen voor 2019? Dat we zorgen voor minder bomcyclonen en meer mangomomenten? Dat we als echte blokkeerfriesen gaan optreden tegen verharding en schoffering van onze maatschappij. Dat we massaal onze gele hesjes aantrekken als we zien dat verdraagzaamheid, menselijkheid en tolerantie in het geding komt? Dat we onze vliegschaamte gaan omzetten in maatschappelijke schaamte en dat dit besef zorgt voor meer barmhartigheid en acceptatie.
En laten we, zo op de grens van 2018 naar 2019, even stilstaan bij hen die achterbleven, en zo op deze manier een virtueel mangomomentje te gunnen. Stilstaan bij de onbekende bekenden, en bij de bekende onbekenden.
Mies Bouwman, Stephen Hawking, Avicii, Renate Dorrestein, John Lanting, Aretha Franklin, Kofi Annan, Mac Miller, Anneke Grönloh, Sjoukje Hooymaayer, Koos Alberts, Charles Aznavour, Jamal Khashoggi, Wim Kok, Dave Mantel, Aat Veldhoen, en natuurlijk de slachtoffers van het drama in Oss. Met sommigen sloten we een periode af, anderen hadden nog een heel leven voor zich. Vele al een legende bij leven, maar ook waren er mensen bij waarvan juist hun dood nationale en internationale bekenden van ze maakten.

Persoonlijk was 2018 voor mij een redelijk relaxed jaar, na een groot aantal jaren waarin doorgaan zonder te voelen, sterk op de voorgrond stond. Een saai jaar, maar wel op een aangename manier.
Ik ging op vakantie, gewoon in eigen land. Want waarom honderden kilometers rijden voor de zon als deze ook in Nederland volop schijnt.
Mijn moeder werd vijfenzeventig en dat vierden we met een heerlijk dineer en ik trakteerde haar op de tentoonstelling ’25 jaar Viktor en Rolf’ en een dagje Rotterdam.
Met mijn jongste genoot ik van Groots met een zachte G en deden we onze Brabantse roots eer aan.
In de Belgische Ardennen vierden we Sinterklaas en Kerst in één weekend en bewonderden sprookjesachtig Durbuy.
Mijn eerste vliegreis in mijn leven ging naar Portugal, waar ik vijf dagen op schrijfretraite ging bij collega Marelle Boersma.
En zo deed ik nog veel meer kleine en grotere dingen met een groot geluk.
Hangen op de bank met chocolade en thee.
Musea bezoeken met de Museumkaart. Want dan is het zo lekker Hollands gratis.
De honden uitlaten, de zon op mijn rug.
Werken met kinderen en genieten van de opmerkingen die ze maken, hun verfrissende kijk op het leven.
Ik deed mee aan een experiment van Vrouwenthrillers en schreef met negen andere auteurs een thriller.
Jureerde voor SweekStars en ontdekte nieuwe talenten.
Schreef een verhaal voor de verhalenbundel van De Schrijversacademie ter ere van hij vijfjarig bestaan.
Ik ontmoette veel lezers en signeerde tientallen boeken op de Margriet Winterfair.
Mijn debuut ‘Geen kind meer’ kreeg de vierde druk.
En ik voltooide ‘De perfecte moeder’. Mijn tweede boek, een spannende psychologische roman die 4 april 2019 het levenslicht ziet. Een verhaal over liefde en haat, over opgroeien binnen systemen waaruit het moeilijk losmaken is, over verraad en geborgenheid. Over echte mensen, zoals jij en ik, in situaties waarin we niet willen zitten, maar zo in terecht kunnen komen.

Voor nu wenst mij niets anders dan iedereen een inspirerend en verdraagzaam 2019 te wensen. Laat de harde woorden achterwege en spreek wat vaker over mooie dingen. En besef dat het spreekwoord ‘Spreken is zilver, zwijgen is goud’, met een reden is ontstaan.
 Laten we er een zilveren jaar van maken, met een gouden randje.

Esther Boek

zaterdag 11 augustus 2018

Passie voor leven door Esther Boek


Passie voor leven

Ze loopt door de grote deuren naar buiten en laat het gebouw, met daarin de beelden van alle gruwelijkheden, achter zich. Langzaam loopt ze richting de parkeerplaats, waar de bussen al staan te wachten. Achter de raampjes staren gezichten haar aan. Sommige vol verwachting, benieuwd naar waar ze al van gehoord hebben en nu echt gaan zien.
Anderen kijken strak voor zich uit. De ogen nog vol van de verschrikkingen die hen zojuist zijn voorgeschoteld.
Besluiteloos blijft ze staan. Zal ze met de bus meerijden of neemt ze de weg, die tweeënhalve kilometer lang, door de bossen loopt. Steeds meer mensen beklimmen de treden naar de bussen. Laten zich opslokken door de grote, ijzeren bek, die gapend openstaat.
Ze besluit te lopen. Onder de bomen is het koel. De zon, die zojuist nog broeiend heet haar huid beroerde, gaat nu schuil achter het dikke gebladerte boven haar hoofd. Vogels fluiten en krekels tsjilpen. De wind stuurt wat extra verkoeling en in de struiken naast het pad ritselen de takken daar waar, voor haar onzichtbare, dieren hun weg door het bos zoeken. Alsof de natuur haar wil laten weten dat het leven altijd doorgaat, hoe bruut en wreed gebeurtenissen ook kunnen zijn.
Bij elke stap die ze zet volgen de holle ogen haar, de uitgemergelde gezichten. De kinderen met een blik van een volwassenen. Zwartwit beelden, uit een tijd waarin zij nog niet bestond, maar die zo onder haar huid gekropen zijn dat ze de pijn voelt, de angst en het grote verdriet. Het poppenserviesje van Sara, dat nu in een vitrine staat. Als stille aanklacht voor het leed dat het meisje is aangedaan.
De ring, ook achter glas, gekocht voor Rachel, de bruid die nooit mocht trouwen.
Het hobbelpaard. Toen ze ernaast stond had ze het heel even beroerd met haar vingers. De gebogen latten, waar de benen van het paard op stonden, hadden bewogen. Op en neer. Op en neer. Zonder vrachtje was het speelgoed doorgeschommeld. Het maakte een zacht zoevend geluid op de houten vloer. Ze had haar ogen gesloten en had Levie gezien. Het knulletje van anderhalf, voor wie het hobbelpaard gemaakt was, maar die met zijn moeder ruw in een trein geladen was, slechts een koffer in haar vrije hand, snel gevuld met wat luiers en een warme deken. De trein was teruggekeerd, maar het hobbelpaard zou nooit meer door Levie aangespoord worden.
Hoe verder de weg leidt, hoe stiller de vogels worden. Daar waar eerst een compleet orkest haar begeleidde op haar wandeling, werd het steeds meer een solopartij, waarna ze uiteindelijk ook door de laatste vogel verlaten wordt.
De krekels zetten nog wel door. Maar waar zij eerst nog gezellig tjirpten, worden het meer en meer ijzige kreten die schel jammeren in het verder stille bos.
Ook de wind is gaan liggen. Alsof het zich schuilhoud voor de geesten die erbarmelijk achter de roodwitte slagboom hangen, die steeds beter zichtbaar wordt.
Als ze het veld genaderd is, wijken ook de bomen uiteen en is er slechts een desolate vlakte zichtbaar met woekerend onkruid en hier en daar een dappere boom wiens taken zwaar omlaag hangen. Treurend om het leed dat het al decennialang achtervolgt. Om het veld staan palen, verbonden met prikkeldraad, soms twee rijen dik. Even denkt ze de mannen te zien, wiens schouders, schonkig en krachteloos, naar benden hangen.
De vrouwen, hun pasgeborenen in hun armen, hun ogen donker, beroofd van alle hoop.
Alleen de kinderen spelen nog, met takjes en steentjes. Totdat in zware laarzen gestoken voeten hun speelwaar vertrappen en de barse stemmen het kind in het kind verdrijven.
Kort sluit ze haar ogen, schudt bijna onmerkbaar haar hoofd, terwijl een onzichtbare hand zich om haar keel sluit. Als ze haar ogen weer opent, is er niemand meer achter het prikkeldraad en is ook de knijpende hand verdwenen. Een traan kruipt uit haar ooghoek en snel veegt ze het weg.
Voor haar gaat de slagboom open, zet ze haar voet vrijwillig op de bodem waar vele voeten gedwongen de grond hebben betreden. De zon brand inmiddels op haar lichaam. Zweet druppelt via haar nek, achter haar shirt. De schaarse bomen bieden nauwelijks verkoeling en ze denkt aan hen die jaren geleden hier ook liepen. Gebrandmerkt door mensen, om wat ze waren en waar niemand hen vroeg naar wie ze waren. Niemand die iets wilde weten over hun dromen, hun angsten, hun leven voordat de gekte ging heersen.
Een stukje verderop staat een wagon. Het staal in de kleur van oud bloed. De grendels op de deuren zitten muurvast. Kunnen slechts met kracht geopend worden door mensen die buiten de trein staan. Als je er in zou zitten, op elkaar gepropt, warme, naar angstzweet ruikende lijven tegen elkaar gedrukt, kon je slechts frisse lucht krijgen als je het geluk had naast de opening in de deur te staan, dat zo klein is dat je er nauwelijks met een hand doorheen kan reiken. Op de film in het gebouw had ze gezien dat mensen toch hun arm door het gat naar buiten staken. Zwaaiden naar hun geliefden die in het kamp achterbleven en voor wie de zwaaiende hand het laatste was dat ze ooit nog van hen zouden zien.
Uit de wagon klinkt een stem.
Salomon Cohen, 22 jaar.
Mozes Cohen, 45 jaar.
Betje Polak, 11 jaar.
Esther Meijer, 6 jaar.
Abraham Meijer, 33 jaar.
Een lange lijst met honderdzevenduizend namen van mensen die een leven voor zich hadden maar wiens leven eindigden. Omdat ze geboren waren uit Joodse ouders.
Langzaam loopt ze verder. Nog steeds is de natuur ijselijk stil. Zijn het slechts de krekels die haar krijsend vergezellen. Ze ziet de kromgebogen spoorrails. Als een schreeuw van wanhoop, geslaakt uit monden van mensen die werden getransporteerd via een dood spoor.
Wanneer ze terugloopt staat ze even stil bij de ruim honderduizend stenen die symbool staan voor elk mens, vol hoop, vol leven, vol vreugde, maar voor wie de wrede waanzin sterker was dan de verwachtingsvolle dromen.
Opnieuw loopt ze de wagon voorbij. Nieuwe namen duwen fluisterend in haar rug, met strelende doch dwingende handen, in de hoop nooit vergeten te worden.
De slagboom laat ze achter zich, de bomen om haar heen nemen weer in aantal toe. De brandende zon wordt opnieuw aangenaam verdreven door de vleiende wind. Het vogelorkest zwelt aan bij elke stap die ze zet. Met elke meter die ze verwijderd raakt van het veld vol angst toont de natuur haar, haar krachtige leven.
De droevige ogen, de kwijnende gezichten verdwijnen naar de achtergrond.
In haar hoofd verschijnt de moeder op het schoolplein. Die het pestgedrag van haar zoon rechtvaardigde, omdat in de klas kinderen zaten met een leerprobleem, waardoor er soms minder aandacht was voor haar superieure kind. Want dat is wat de moeder zag. Dat het een kinderen zijn met een leerprobleem. Anders, en daardoor slechter, dan haar zoon. Ze leert haar kind niet contact te zoeken met zijn klasgenootjes, vraagt hem niet wie deze kinderen zijn. Waar ze graag mee spelen. Welke sport ze doen. Of hij ze een keer wil uitnodigen om ze beter te leren kennen.
Ze ziet de grote berg met reddingsvesten op Lesbos. Velen slechts gevuld met krantenpapier. Elk vest is gedragen door een mens. Een mens met dromen, met hoop, met vreugde. Met in het hoofd de gedachte, dat een levensgevaarlijke boottocht op een ruwe zee met slechts een met kranten gevuld reddingsvest, veiliger was dan blijven in het land waar ze droomden, waar ze leefden. Maar ze ziet ook de woedende menigte, stenen gooiend naar een gemeentehuis, waar besloten wordt of deze bootvluchtelingen in hun woonplaats een huis krijgen, waar ze misschien weer een thuis van kunnen maken. Ze roepen dat ze deze gelukszoekers niet willen, dat hun dochters verkracht zullen worden, dat hun huizen weggekaapt worden door mensen uit een ander land en die hier slechts komen om hun banen in te pikken en hun zonen te mishandelen. Een enkeling staat op. Roept op om de mensen niet te veroordelen om wat ze zijn maar om af te wachten wie ze zijn. Maar het zijn slechts fluisteringen in de schreeuwende menigte.
Op haar netvlies verschijnt een poster. Me twee netjes geklede mannen, die elkaar zoenen. In flarden gescheurd hangt deze troosteloos in het bushokje. Ontrokken door ouders aan de ogen van hun kinderen. Om ze niet te confronteren met een vorm van liefde die ze niet begrijpen en die ze daarom liever verwoesten. Omdat hun kinderen uitleggen dat elke vorm van liefde er mag zijn, beangstigender is.
Ze drukt op het knopje van haar autosleutel. Vriendelijk knipoogt haar auto naar haar. Voorzichtig rijdt ze de parkeerplaats af. Ze wacht voor een hoogbejaarde moeder aan de arm van haar zoon, die schuifelend de weg oversteekt. Zijn hand liefdevol en beschermend op haar arm.
Aan de overkant rennen een jongetje en een meisje over de stoep. Het jongetje valt. Even staat zijn mond open, in een stil protest. Dan dringt zijn schreeuw haar auto binnen. Een vrouw komt aangehold. Tilt het kind op, kust op het kapotte knietje. De bejaarde vrouw glimlacht.
Een donkere man loopt hand in hand met een blonde adonis. Het jongetje vergeet zijn pijnlijke val, kijkt met grote ogen de twee mannen aan. De vrouw tikt hem, met hoogrode wangen, zachtjes tegen het achterhoofd. De twee mannen laten elkaar los, lachen vriendelijk naar het jongetje. De moeder lacht ongemakkelijk terug. Opnieuw vinden de handen elkaar. Ze lopen naar de bus, waar de gapende mond hen inslikt. Ook de moeder met de twee kinderen wordt verzwolgen door het ijzeren gevaar. De busdeuren schuiven dicht en gaan even later sissend weer open om de bejaarde moeder en haar zoon binnen te laten.
Ze ziet nog net hoe de jonge moeder zich omdraait op haar stoel, een praatje maakt met de donkere man en zijn knappe vriend die achter haar zitten. De bus rijdt voorbij, slaat de lange weg door het bos in.
Haar hoofd doet wat het automatisch doet. Het smeed letters tot woorden. Laat ze overgaan in zinnen. Haar hersenen vormen een geheel. Omdat schrijven haar passie is. Net zoals ze mensen hartstochtelijk liefheeft.
In haar hoofd ontstaat een verhaal, over een plek die we nooit mogen vergeten, over mensen die hun leven verloren aan de gruwelijkheden van onverdraagzaamheid.

maandag 23 april 2018

Column Esther Boek






De keerzijde van een succesvol debuut



 In september tweeduizendenveertien besloot ik, in een leven waarin de omstandigheden mijn zijn bepaalden, te kiezen voor een stukje me-time. Ik voelde dat ik het nodig had iets voor mezelf te doen, om mijn leven waarin zorgen voor anderen voorop stond, vol te kunnen houden.
Schrijven was mijn passie, mijn uitlaatklep in mijn kinderjaren, en deze was zoetjesaan verstopt geraakt onder de deken van volwassen worden. Ik zocht deze passie weer op en schreef me in bij De Schrijversacademie. Tijdens de eerste kennismaking met mijn medestudenten ervoer ik dat ik niet alleen stond en dat we de liefde voor het geschreven woord deelden. Maar daar waar er ook studenten waren voor wie schrijven alleen voldoende was, die slechts schreven voor zichzelf en daar voldoening uithaalden, proefde ik bij mezelf al meteen de drive dat ik wilde schrijven om uit te geven. Deze wens sprak ik fluisterend uit, terwijl hij gilde in mijn hoofd.
In de loop van de maanden durfde ik dat waarvan ik droomde, steeds vaker ook hardop uit te spreken, maar even zo vaak kreeg ik te horen dat uitgeven niet mijn doel moest zijn, maar plezier hebben in schrijven. Dat wat ik schreef iets moest zijn voor mezelf en niet iets waarvan ik dacht dat anderen dat wilde lezen. En nooit begreep ik dat. Stelde ik, vooral mezelf, de vraag waarom deze dingen niet gewoon samen konden gaan.
Tegen mijn familie vertelde ik dat ik schreef aan een boek dat uitgegeven zou gaan worden en dat ik de overtuiging had dat het succesvol zou worden. Altijd werd ik getemperd, werd me verteld dat het allemaal niet zo makkelijk was en werd me geluidloos arrogantie verweten.
Van mijn kant was het geen arrogantie, het was zelfs geen wetenschap. Maar het strookte met mijn visie, dat als ik er zelf niet in geloofde, een ander het zeker niet zou doen.
Na De Schrijversacademie schreef ik verder aan De Queridoacademie en kreeg mijn droom steeds mooiere woorden, steeds mooiere zinnen. Tijdens dit proces waren er mensen die me complimenteerden, die me feedback gaven en die me lieten groeien. Maar er was ook een enkeling, juist uit het schrijversvak, die me vertelde dat het me nooit zou lukken. De complimenten en de feedback koesterde ik, stopte ik in een mooi doosje, en borg ik op in mijn laadje voor zelfvertrouwen.
De man de me vertelde dat het me nooit zou lukken werd mijn motor die ik gebruikte om het tegendeel te bewijzen.
‘Geen kind meer’ vond zijn weg naar de uitgever en al snel werd het dat succesvolle debuut waarvan mijn hart hoopte dat het dat zou worden, en mijn mond het als zekerheid had uitgesproken.
Recensenten, lezers, allemaal roemden ze het boek. Radio, televisie, kranten en tijdschriften vertelden over mijn verhaal en binnen drie maanden verscheen de derde druk.

En toen moest er een tweede boek komen. En zachtjesaan sijpelden de woorden binnen, die zich met weerhaakjes vastzetten in mijn hoofd. ‘Het zal Esther nooit meer lukken dit debuut te evenaren.’ ‘Een net zo’n goed boek schrijven zal moeilijk worden.’
Niet alle woorden kwamen van derden. Er zaten ook woorden bij die ik mezelf toesprak. Daar waar ik nog kon debuteren in de luwte van het nooit gepubliceerde woord, werd het nu schrijven onder een zwarte wolk van verwachting.
Waar ik op De Schrijversacademie hoorde dat je moest schrijven wat jezelf leuk vond, en niet moest schrijven voor publicatie, en ik altijd geloofde dat dit samen kon gaan, kwam er nu een derde vernietigende optie bij. Ik ging schrijven waarvan ik dacht dat dit van mij verwacht werd en niet iets waarvan ik genoot.
En opnieuw spraken mijn mond en mijn hart andere woorden met echter één groot verschil. Waar voorheen mijn mond een minder genuanceerde uitspraak over mijn hart deed, spraken beiden nu een andere taal.
Over mijn lippen rolden de woorden vol plezier en vreugde, terwijl mijn hart een steeds zwartere plek werd waarin de passie voor schrijven verloren ging. Het resultaat werd een manuscript dat middels een worsteling was ontstaan en waarmee ik mijn restje plezier in schrijven vernietigde.
Schrijven werd als een drugs, een middel waarvan je dacht afhankelijk te zijn, dat je een euforisch gevoel gaf, maar dat een schaduw van jezelf maakte als de stof was uitgewerkt en je weer moeizaam kruipend op zoek moest naar een nieuw shot.

Ik besloot te stoppen met schrijven. Dat was tenminste wat mijn mond sprak. Maar mijn hart huilde om wat het verloren was. Tot ik een heel lieve mail kreeg van mijn uitgeefster met het verzoek eens te komen praten. In dit gesprek vertelde ik waar ik gelukkig van werd. Schrijven over onderwerpen die er toe doen en niet schrijven over onderwerpen waarvan ik dacht dat lezers ze wilden lezen. En waarvan ik dacht dat de uitgever ze ook niet wilde uitgeven.
Dit bleek een vergissing. Mij werd verteld dat ik moest schrijven wat ik wilde en ik voelde de druk in mijn binnenste verdwijnen.  Dat waar ik eerder heilig in geloofde, kwam weer onder het zwarte deken uitgekropen. Plezier in schrijven en schrijven om uit te geven kon samengaan. Mits je schrijft over dat waar jezelf achterstaat.
Ik begon aan een heel nieuw manuscript en de woorden leken als vanzelf te komen. Of het goed is, goed genoeg, dat zal later blijken. Maar ik geloof erin. En geloven in jezelf is het begin naar een succesvol resultaat. Mijn door mezelf opgelegde deadline, een boek per jaar, kan ik niet meer waarmaken. Maar daar waar het schrijven mee begon, iets doen om staande te blijven in de hectiek dat leven heet, volbreng ik weer. Net zoals het geloof in mezelf, dat wat ik doe, succesvol zal worden.

Laat ik afsluiten met een citaat van Nelson Mandela, één van de mensen in de wereld die ik bewonder om zijn wijsheid:  “Passie vind je niet door het klein aan te pakken, door genoegen te nemen met een leven dat minder is dan het leven dat je zou kunnen leiden.”

zondag 14 januari 2018

Column Esther Boek

Jij mag er zijn

 Op het moment dat ik dit schrijf is 2018 nog geen twee weken oud. De oliebollen zijn op, het vuurwerk nog niet, en we gaan weer over tot de orde van de dag. Goede wensen liggen achter ons, iedereen is gezoend door bekenden en wildvreemden die jou oh zo geweldig leuk, lief en super vinden, en er liggen weer verse, onbeschreven dagen voor ons die we kunnen vullen met woorden die we zelf mogen kiezen. En dat hebben we dan ook alweer massaal gedaan.

 Zo bleek dat in Wijk bij Duurstede, een pittoresk stadje met een kleine vierentwintigduizend inwoners, een beloningsplan goed uit te pakken. Tijden de voorlaatste oud op nieuw was er voor dertienduizend euro schade aangericht. Dat moet anders, bedachten ze daar dus, na wat heen en weer gepraat kwam er een plan. Een jongerenwerker toog naar plaatsen waar jongeren samen kwamen en maakte hen bewust van wat spullen kosten. Honderdvijftig euro voor een verkeersbord, vijfhond euro voor een vuilnisbak en des al niet meer. Daarnaast zette hij een beloning in. Er zou dit jaar tienduizend euro begroot worden voor de aankomende oud en nieuw om de, door deze jongeren toegebrachte schade door vuurwerk, te herstellen. Het bedrag dat overbleef mochten de jongen naar eigen inzicht besteden. Resultaat? Afgelopen oud en nieuw had Wijk bij Duurstede een schadepost van vijfentwintighonderdenzestig euro. Geweldig. Als beloning verhoogde de gemeente het overgebleven bedrag met nog eens duizend euro. Er was minder gesloopt en de jongeren leerden dat goed gedrag je wat oplevert. Missie geslaagd. Zou je denken.
Sociale media, nieuwsberichten en de grote positiviteitssite PowNed, gingen los. “Dus als men zich normaal gedraagt wordt men extra beloond? Daar heb ik maar 1 woord voor: 'Belachelijk.” En: “En zo lacht dat autochtone gajus en al die Nieuwkomers zich de barste om onze bestuurders. Als wij er dan over mopperen lachen ze ons ook uit. De macht is zo pijnlijk duidelijk aan de neolibs, de koloniale migrant en het tuig. Mooi land geworden hier: geld krijgen voor voorzieningen omdat je de boel buiten wat minder in elkaar getrapt hebt dan anders.” En natuurlijk ook: “Wauw als we dit gaan belonen en de jongeren opvoeden dat je beloont word als je niks van een ander sloopt en een ander zijn leven kapot maakt.. wil ik dit land over 20 jaar wel eens zien wat een chaos”.
En dan schrik ik. Word ik geconfronteerd met het besef dat we inmiddels in een maatschappij leven waarin we negatieve middelen zoals bestraffen normaler vinden dan de positieve kracht van belonen. Terwijl we weten dat kinderen, mensen, maar bovenal pubers, veel meer bereid zijn om iets te doen wat wenselijk is met een positieve aanpak dan iets onwenselijks te laten als negatieve aandacht het gevolg is. Het brein, en vooral dat van pubers, is erg gevoelig voor een positieve aanpak en de bezitter van dit brein zal, na beloning, dit wenselijke gedrag herhalen. Wijk bij Duurstede wist dat, leverde het bewijs maar kreeg toch een storm van ongefundeerde kritiek over zich heen van mensen waarvan een groot deel last had van het Calimerosyndroom: “Ik rook niet, ik kauw geen qat, eet en leef gezond, poets netjes mijn tanden en ieder jaar betaal ik meer zorgpremie!?????????” Alsof de gemeente Wijk bij Duurstede plots ook verantwoordelijk is voor de hoogte van de zorgpremie, maar goed, ik typ verder.
C:KAV/MartinVotava

Op nieuwjaarsdag zag om 00.47 uur de eerste Weense baby van 2018 het levenslicht. De Oostenrijkse tabloid Heute plaatste dit prachtige feit, want wat is er tenslotte mooier dan nieuw leven, op Facebook en gaf dit bericht kleur door een mooie foto te plaatsen van de gelukkig papa en mama met hun enkele uren oude dochter. De jonge moeder lachte stralend in de camera. Haar nog bleke gezicht kreeg wat kleur door de roze hoofddoek die ze droeg en de donker bebaarde nieuwe papa hield zijn vrouw en dochtertje stevig vast. Hoera! Beschuit met roze muisjes, doen ze dat eigenlijk in Oostenrijk, felicitaties en goede wensen. Of niet. “Ik hoop op een wiegendood.”, “Deporteer dit uitschot.”, en “Als ze achttien is, is ze al een terrorist.”, waren de felicitatiewensen voor dit nieuwbakken gezin. Onze toetsenbordhelden wonen niet alleen in Nederland.

 H&M bracht een foto online met daarop een kindertrui uit hun nieuwste collectie. Een te schattig
Nigeriaans jongetje met een groene trui met de tekst “Coolest monkey in the jungle”.
De media viel volledig over de mode-keten heen. Het merk was racistisch, contracten werden verbroken en de advertentie werd vliegensvlug verwijderd en excuses werden aangeboden. Terwijl ik alleen maar een stralend jongetje zag die apetrots was, sorry ik kon het niet laten, op zijn coole trui.
Natuurlijk is racisme iets dat we pertinent af moeten keuren. Maar slaan we niet massaal door met het trekken van deze kaart? Want de nu door mij genoemde trui is slechts een voorbeeld van de vele reacties op simpele, eenvoudige, onschuldige uitlatingen die zo uit hun verband getrokken worden dat juist daardoor mensen zich benadeeld voelen. Daar waar eerst nog louter een kind in een trui werd gezien, gingen zich nu mensen racismeslachtoffer voelen van iets dat niet racistisch is en zeker niet zo bedoeld is.  
Zijn afbeeldingen, uitspraken, gebruiken, die nu als racistisch worden gezien niet slechts aanleidingen geworden om weer ongefundeerd los te gaan op sociale kanalen en heerlijk weg te kruipen in de slachtofferrol waarin we alle mislukkingen in ons leven aan op kunnen hangen.
Nog niet zo heel lang geleden liep ik door Amsterdam waar in souvenirswinkels voor aandenkens aan Nederland, grof de portemonnee werd getrokken. Zo ook kleding met een wat dubieuze afbeelding. Ik haalde mijn schouders op en liep door. Had er vertrouwen in dat dit slechts een uitvergroting van vooroordelen was en dat niet elk mens buiten Amsterdam de Nederlandse, blanke, vrouw, mij dus, zag als een boerin op klompen die met haar ontblote billen, een kaas onder haar rechterarm en een bos verlepte tulpen in haar linkerhand, zo stonend als een garnaal langs de molens loopt. Degene die dat wel denkt, ach, die is niet wijzer. En, nog belangrijker, ik betrok het zeker niet op mezelf.
Of, zoals de moeder van het jongetje in de H&M reclame op Twitter schreef: “Maak hier toch niet zo’n heisa over, er is niets aan de hand. Ik zie het probleem gewoon niet. Iedereen mag hier zijn mening over hebben, maar het is niet mijn manier van denken. Het is eigenlijk heel simpel. Een zwart kind is een kind en een aap is een dier. Racisten en slachtoffers van racisme denken daar blijkbaar anders over, maar ik behoor tot geen van beide groepen.”
En ik denk te begrijpen wat ze zegt. Natuurlijk zijn er slachtoffers van racisme. Maar je hebt hierin ook vaak een keuze. Als je alles wat je maar enigszins kan draaien naar racisme ook die kant op draait, ben je slachtoffer. En zij wenste dat niet te zijn. Net zoals ik niet wenste, de afbeelding van die trui in Amsterdam al te serieus te nemen, besloot zij, voor zichzelf, de trui van H&M te zien wat het was, een capuchontrui met een grappige tekst.

Ik maak me zorgen om mijn maatschappij. Zorgen om mijn kinderen die moeten leven in een wereld waarin we denken in straffen, mensen met een andere achtergrond zien als terroristisch uitschot en onschuldige woorden onder de noemer rasisme gooien.
Waar heeft verdraagzaamheid plaatsgemaakt voor veroordeling. Wanneer zijn we opgehouden met elkaar proberen te begrijpen en zijn we vaten vol onbegrip geworden.
Komt het door onze onwrikbare liefde voor onze mobiele telefoon, waardoor we geen idee hebben wie er tegenover ons in de trein zit. Omdat we met onze oortjes ingeplugd eelt op onze duim scrollen in plaats van een gesprek te voeren met die andere medereiziger.
Is het de sociale media, waardoor we klakkeloos onze frustratie in hatelijke woorden kunnen spuien omdat we toch niet zien hoe de ontvanger van die woorden reageert. We zijn verdriet, zijn pijn en zijn angst niet in zijn ogen kunnen lezen.
Zijn het de buurten geworden, waarin we wonen maar waar we niet leven zoals leven bedoeld is. We niet niet eens meer altijd weten hoe onze buurman heet, laat staan die vrouw vijf deuren verder. Waar ons huis een eilandje geworden is tussen al die andere eilandjes in plaats van een buurtschap zoals het vroeger was.
Of zijn we te verwend geraakt. Zijn we verleerd dat het leven niet maakbaar is, dat we dankbaar moeten zijn voor wat ons in onze schoot geworpen wordt en geluk mogen hebben voor wat goed gaat in ons leven. Zijn we mensen geworden die voorspoed, gezondheid en geluk zien als ons recht, als iets dat we verdiend hebben en dat we daarmee automatisch mensen bij wie het minder of anders gaat, zien als uitschot dat het er zelf wel naar gemaakt zal hebben.

Kunnen we niet een nieuwe hashtag in het leven roepen? Een teken dat we het zat zijn, de negativiteit, het zeiken om het zeiken, het veroordelen en het lijden aan verbale diarree.
Een vreedzaam verzet, dat zich als een inktvlek verspreid op Facebook, Twitter en Instagram. Waar mensen over praten, waar media over schrijven.
Een symbool waardoor we ons bewust worden dat we allemaal reizigers zijn in onze gezamenlijke trein die ‘leven’ heet en waardoor we ons bewust worden dat we moeten praten met onze medereizigers.
Dat we als status in onze whatsapp kunnen zetten, zodat mensen weten dat we na 20.00 uur alleen nog te spreken zijn en niet meer louter communiceren via berichtjes die vaak verkeerd geïnterpreteerd worden omdat je geen intonatie hebt.
Laten we weer kijken, luisteren en praten met elkaar, simpel omdat die ander het waard is, en niet alleen maar, zonder fysiek contact, schelden op en oordelen over elkaar.
Zullen we weer interesse tonen, nieuwsgierig zijn naar wat we niet kennen, zodat onze visie verbreedt wordt en we niet opgesloten raken in ons zelf opgelegde beperkingen.
Ik doe de aftrap, doe jij mee? #youcanbethere







vrijdag 22 december 2017

Het jaar van Esther Boek


De overgang van tweeduizendzestien naar tweeduizendzeventien deden we massaal, en lekker genderneutraal, met gelakte nagels, dankzij een zesjarig jongetje dat in zijn korte leventje, het verschil wilde maken. Tijn had hersenstamkanker en zou dood gaan, maar graag wilde hij wat doen voor anderen, die weliswaar langer te leven hadden, maar in minder goede omstandigheden dan hijzelf moesten leven. Dus besloot het jongetje honderd euro op te halen voor het goede doel door het lakken van nagels. Honderd euro werd tweeëneenhalfmiljoen euro maar Tijn liet ons nog even doorlakken waardoor mannen en vrouwen met bontgekleurde nagels het nieuwe jaar inknalden.
Toch bleken we ook, ondanks die mooie nagels, regelmatig lak aan elkaar te hebben. Maakte Zwarte Piet al veel tongen los en toonden we weinig begrip voor elkaars standpunt, als het om echte mensen ging was het vaak echt bar en boos. ‘Vol is vol’, ‘Eigen volk eerst’ en ‘Ga terug naar je eigen land’ waren veel gebruikte zinnen en de bezittelijke voornaamwoorden als ‘mijn’ en ‘ons’ bleken vrij goed te spellen op sociale media. Weliswaar vaak met de caps lock aan en zonder punten in zinnen, maar voor iedereen was de strekking duidelijk. Dit is mijn land en zij zijn niet ons probleem. Door mijn werk zag ik regelmatig ouders en kinderen die de pech hadden dat hun wiegje niet in Nederland stond. Ik zag ze soms meer moeite doen om zich in goed Nederlands verstaanbaar te maken dan menig landgenoot en in hun dossiers las ik verhalen die slechts in mijn ergste nachtmerries voorkwamen, maar voor deze gezinnen helaas de keiharde werkelijkheid was. Ik nam mijn jongste mee naar een vluchtelingenopvang en ik was trots te zien hoe onbevangen hij deze mensen tegemoet trad en de pijn in hun ogen herkende, maar belangrijker, erkende.
Natuurlijk ben ik ontroerd geraakt, dit jaar, door het zien van al die gelakte nagels. Maar met nagels lakken alleen komen we er niet. We komen er als we, net als een zesjarige jongen uit Hapert en een twaalfjarige jongen uit mijn woonplaats, durven te kijken naar het leed van anderen en daar, zonder oordeel, iets aan willen doen.

Toen tweeduizendzeventien koud begonnen was moesten we afscheid nemen van de man wiens geesteskindje we allemaal kennen. Het konijntje dat, luisterend naar verschillende namen, de wereld overging en harten stal door de eenvoudige lijnen, waaruit het slechts bestond. Teken twee zwarte puntjes en zet er in het midden een zwart, liggend kruis onder en de wereld roept ‘Nijntje’, ‘Miffy’, ‘Coelhinho’, Usako-Chan’, ‘Petit Lapin’,  of nog vele andere namen, afhankelijk van waar je staat te tekenen. In Dick Bruna verloren we een man die ons toonde dat het leven simpel kan zijn en dat we, als mens, universeel zijn, ongeacht waar onze ouders ons gemaakt hebben.

 Ook leerde dit jaar ons dat genderneutraal het nieuwe woord voor mens is. Man, vrouw, het werden bijna verboden woorden. We kunnen voortaan genderneutraalplassen, al zit het heel beroerd op zo’n plasbak, kunnen genderneutrale kleding kopen, al willen mijn jongens nog steeds niet in een jurk gezien worden en kwam er steeds meer druk om paspoorten genderneutraal te maken. Zelf begrijp ik die hele discussie niet zo goed, ik ben trots op mijn vrouw-zijn, maar ik kan me wel voostellen dat er mensen zijn voor wie deze neutralisering van sekse een uitkomst kan zijn.
Het voordeel zie ik dan vooral in het voetbal. Waar mannen voor tweeëntwintigduizend euro per maand nog geen deuk in een pakje boter schoppen, werden de vrouwen voor slechts zeshonderd euro per maand  Europees kampioen en lieten ze Nederland trots zijn op Oranje. Menige zuur kijkende, mannelijke, Nederlander kwam hierover commentaar leveren op televisie en in de sociale media, maar zij hadden waarschijnlijk het genderneutrale nog niet meegekregen. Het waren niet onze leeuwinnen die kampioen werden. Nee hoor. Wij werden  Europees kampioen. En ook Mohamed, Fatima, Anass en Manar. Want zij zijn onze nieuwe Nederlanders, of je dat nu leuk vindt of niet.

 Ook de #metoo hashtag werd gelauwerd en gevreesd. Waar vroeger flirten nog een spel was, werd het nu seksuele intimidatie en vrijwel elke vrouw was een slachtoffer van een hitsige testosteronbom. De dood van Anne Faber zwengelde de discussie nog heftiger aan en werd een nationaal drama terwijl het, zoals ik het zie, alleen een drama zou moeten zijn voor haar geliefden en, nu schop ik tegen heilige huisjes, een drama voor de geliefden van de verdachte in deze zaak. Want ja, ook verdachten hebben, net als slachtoffers, mensen die van hen houden. Zij hebben recht op hun verdriet, hun tranen, hun woede, hun machteloosheid en hun frustratie. Alleen zij. En niet wij die, voor er een selfie van een quasi verdrietig meisje in de regen, in de media was verschenen, nog nooit van Anne Faber gehoord hadden.
Let wel, verkrachting, aanranding, seksuele intimidatie, het mag niet. Maar het is niet altijd zwart-wit, vaak heeft het verhaal meerdere kanten en het mag nooit een doel zijn om aandacht te krijgen of wraak te nemen. De hashtag #metoo helpt daar niet bij. Het helpt geen slachtoffers en het helpt niet in preventie. Voorlichting, een goed werkend opsporingsteam, adequate deskundigen voor als het mis gaat en een onbevooroordeelde en open blik wel.


 Maar wat was het jaar tweeduizendzeventien voor mij? Want, behalve de hoogte- en dieptepunten die we allemaal hebben ervaren, heeft iedereen natuurlijk ook een persoonlijk jaar achter de rug. Waar tweeduizendzestien nog een jaar was van herstellen van wat achter mij en mijn gezin lag, was tweeduizendzeventien het jaar dat de titel: “Succes is the best revenge”, mag krijgen.
Na spannend afwachten verscheen eind maart mijn spannende roman “Geen kind meer” een boek gebaseerd op mijn ervaring met #metoo, lang voordat de hashtag bestond. Een droomdebuut dat al snel toewas aan zijn derde druk en dat, met een gemiddelde van viereneenhalve ster, hoog in de lijsten eindigde. Iets dat ik vooral te danken heb aan mijn lezers. Want een schrijver kan schrijven, maar de lezers beoordelen wat je op papier hebt neergezet. De kers op de taart was de hoge vier sterren notering in de Vrij Nederland Detective en Thrillergids.
Fotosessies volgden en radio, televisie, kranten en bladen hadden het over mij en mijn boek. Radio één, RTL Late Night, Margriet, Libelle, Opzij, Metro, Vrouw, Linda en diverse kranten, het ging over mijn verhaal. Mijn stem kwam door de ether, ik mocht aan tafel bij Beau van Erven Dorens en mijn gezicht viel door menig brievenbus of lag in de schappen van de bladen. Het was bizar, beangstigend, bijzonder en geweldig tegelijkertijd.
Door mijn ervaring als moeder van een onterecht beschuldigd kind, die ik aan de openbaarheid had toevertrouwd, kreeg ik de kans mee te werken aan een symposium voor onterecht beschuldigden in een zedenzaak. Ik mocht een steentje bijdragen om deze vergeten slachtoffers een gezicht te geven. Dat ik in de koffer met Everon Jackson Hooi mee op vakantie mocht, oké mijn boek dan, was kicken. Dat ik gezoend heb met Beau van Erven Dorens, jaja slechts zijn wang, was lekker.
Maar voor een zaal staan met mensen die de pijn ervaren hebben die wij, als gezin, gehad hebben, hen te kunnen troosten door de herkenning die mijn boek hen gaf, door met mijn mond hun verdriet uit te mogen spreken, bracht me werkelijk tot tranen. ‘Geen kind meer’ heeft mijn leven verrijkt, maar dit symposium was goud.
Verder werd ik dit jaar vijftig, vierde we ons twaalfeneenhalfjarig huwelijk met ons gezin in de sprookjeswereld van Disneyland Parijs en romantisch bovenop de Eiffeltoren, ging de oudste het huis uit, de jongste naar de middelbare school en werd de middelste steeds meer weer degene die hij in de achterliggende periode verloren was. Een lieve, zorgzame, zachte, jongvolwassene. Zijn zelfvertrouwen moet nog groeien, zijn onzekerheid speelt nog wel eens op, soms mag hij beter nadenken, maar hij gaat er komen. Dat vertrouwen heb ik in hem en, net zo goed, in de andere twee.
In de afsluitende fase van tweeduizendzeventien ben ik bezig met wat in tweeduizendachtien gaat komen. Momenteel ben ik druk met het jureren van de spannende categorieën van de Sweekstars-wedstrijd van Sweek waarvan de uitslag in januari bekend gemaakt gaat worden.
Mijn manuscript voor boek twee, ‘De duivel woont thuis’, ligt net bij de uitgever en zal, als alles goed gaat, komend jaar zijn weg naar mijn lezers gaan vinden.
Tweeduizendzeventien was een goed jaar. Een jaar met heel veel hoogtepunten die me hielpen de dieptepunten te aanvaarden. Komend jaar hoop ik op gezondheid en geluk.
Op boekenvlak, een nieuw boek dat met net zoveel plezier gelezen zal gaan worden door mijn lezers. En, vooruit, spugen op De Schaduwprijs zal ik ook niet doen.


Tot slot, voor iedereen een gelukkig, inspirerend en misdadig goed tweeduizendachtien!