Posts tonen met het label lesbos. Alle posts tonen
Posts tonen met het label lesbos. Alle posts tonen

zaterdag 11 augustus 2018

Passie voor leven door Esther Boek


Passie voor leven

Ze loopt door de grote deuren naar buiten en laat het gebouw, met daarin de beelden van alle gruwelijkheden, achter zich. Langzaam loopt ze richting de parkeerplaats, waar de bussen al staan te wachten. Achter de raampjes staren gezichten haar aan. Sommige vol verwachting, benieuwd naar waar ze al van gehoord hebben en nu echt gaan zien.
Anderen kijken strak voor zich uit. De ogen nog vol van de verschrikkingen die hen zojuist zijn voorgeschoteld.
Besluiteloos blijft ze staan. Zal ze met de bus meerijden of neemt ze de weg, die tweeënhalve kilometer lang, door de bossen loopt. Steeds meer mensen beklimmen de treden naar de bussen. Laten zich opslokken door de grote, ijzeren bek, die gapend openstaat.
Ze besluit te lopen. Onder de bomen is het koel. De zon, die zojuist nog broeiend heet haar huid beroerde, gaat nu schuil achter het dikke gebladerte boven haar hoofd. Vogels fluiten en krekels tsjilpen. De wind stuurt wat extra verkoeling en in de struiken naast het pad ritselen de takken daar waar, voor haar onzichtbare, dieren hun weg door het bos zoeken. Alsof de natuur haar wil laten weten dat het leven altijd doorgaat, hoe bruut en wreed gebeurtenissen ook kunnen zijn.
Bij elke stap die ze zet volgen de holle ogen haar, de uitgemergelde gezichten. De kinderen met een blik van een volwassenen. Zwartwit beelden, uit een tijd waarin zij nog niet bestond, maar die zo onder haar huid gekropen zijn dat ze de pijn voelt, de angst en het grote verdriet. Het poppenserviesje van Sara, dat nu in een vitrine staat. Als stille aanklacht voor het leed dat het meisje is aangedaan.
De ring, ook achter glas, gekocht voor Rachel, de bruid die nooit mocht trouwen.
Het hobbelpaard. Toen ze ernaast stond had ze het heel even beroerd met haar vingers. De gebogen latten, waar de benen van het paard op stonden, hadden bewogen. Op en neer. Op en neer. Zonder vrachtje was het speelgoed doorgeschommeld. Het maakte een zacht zoevend geluid op de houten vloer. Ze had haar ogen gesloten en had Levie gezien. Het knulletje van anderhalf, voor wie het hobbelpaard gemaakt was, maar die met zijn moeder ruw in een trein geladen was, slechts een koffer in haar vrije hand, snel gevuld met wat luiers en een warme deken. De trein was teruggekeerd, maar het hobbelpaard zou nooit meer door Levie aangespoord worden.
Hoe verder de weg leidt, hoe stiller de vogels worden. Daar waar eerst een compleet orkest haar begeleidde op haar wandeling, werd het steeds meer een solopartij, waarna ze uiteindelijk ook door de laatste vogel verlaten wordt.
De krekels zetten nog wel door. Maar waar zij eerst nog gezellig tjirpten, worden het meer en meer ijzige kreten die schel jammeren in het verder stille bos.
Ook de wind is gaan liggen. Alsof het zich schuilhoud voor de geesten die erbarmelijk achter de roodwitte slagboom hangen, die steeds beter zichtbaar wordt.
Als ze het veld genaderd is, wijken ook de bomen uiteen en is er slechts een desolate vlakte zichtbaar met woekerend onkruid en hier en daar een dappere boom wiens taken zwaar omlaag hangen. Treurend om het leed dat het al decennialang achtervolgt. Om het veld staan palen, verbonden met prikkeldraad, soms twee rijen dik. Even denkt ze de mannen te zien, wiens schouders, schonkig en krachteloos, naar benden hangen.
De vrouwen, hun pasgeborenen in hun armen, hun ogen donker, beroofd van alle hoop.
Alleen de kinderen spelen nog, met takjes en steentjes. Totdat in zware laarzen gestoken voeten hun speelwaar vertrappen en de barse stemmen het kind in het kind verdrijven.
Kort sluit ze haar ogen, schudt bijna onmerkbaar haar hoofd, terwijl een onzichtbare hand zich om haar keel sluit. Als ze haar ogen weer opent, is er niemand meer achter het prikkeldraad en is ook de knijpende hand verdwenen. Een traan kruipt uit haar ooghoek en snel veegt ze het weg.
Voor haar gaat de slagboom open, zet ze haar voet vrijwillig op de bodem waar vele voeten gedwongen de grond hebben betreden. De zon brand inmiddels op haar lichaam. Zweet druppelt via haar nek, achter haar shirt. De schaarse bomen bieden nauwelijks verkoeling en ze denkt aan hen die jaren geleden hier ook liepen. Gebrandmerkt door mensen, om wat ze waren en waar niemand hen vroeg naar wie ze waren. Niemand die iets wilde weten over hun dromen, hun angsten, hun leven voordat de gekte ging heersen.
Een stukje verderop staat een wagon. Het staal in de kleur van oud bloed. De grendels op de deuren zitten muurvast. Kunnen slechts met kracht geopend worden door mensen die buiten de trein staan. Als je er in zou zitten, op elkaar gepropt, warme, naar angstzweet ruikende lijven tegen elkaar gedrukt, kon je slechts frisse lucht krijgen als je het geluk had naast de opening in de deur te staan, dat zo klein is dat je er nauwelijks met een hand doorheen kan reiken. Op de film in het gebouw had ze gezien dat mensen toch hun arm door het gat naar buiten staken. Zwaaiden naar hun geliefden die in het kamp achterbleven en voor wie de zwaaiende hand het laatste was dat ze ooit nog van hen zouden zien.
Uit de wagon klinkt een stem.
Salomon Cohen, 22 jaar.
Mozes Cohen, 45 jaar.
Betje Polak, 11 jaar.
Esther Meijer, 6 jaar.
Abraham Meijer, 33 jaar.
Een lange lijst met honderdzevenduizend namen van mensen die een leven voor zich hadden maar wiens leven eindigden. Omdat ze geboren waren uit Joodse ouders.
Langzaam loopt ze verder. Nog steeds is de natuur ijselijk stil. Zijn het slechts de krekels die haar krijsend vergezellen. Ze ziet de kromgebogen spoorrails. Als een schreeuw van wanhoop, geslaakt uit monden van mensen die werden getransporteerd via een dood spoor.
Wanneer ze terugloopt staat ze even stil bij de ruim honderduizend stenen die symbool staan voor elk mens, vol hoop, vol leven, vol vreugde, maar voor wie de wrede waanzin sterker was dan de verwachtingsvolle dromen.
Opnieuw loopt ze de wagon voorbij. Nieuwe namen duwen fluisterend in haar rug, met strelende doch dwingende handen, in de hoop nooit vergeten te worden.
De slagboom laat ze achter zich, de bomen om haar heen nemen weer in aantal toe. De brandende zon wordt opnieuw aangenaam verdreven door de vleiende wind. Het vogelorkest zwelt aan bij elke stap die ze zet. Met elke meter die ze verwijderd raakt van het veld vol angst toont de natuur haar, haar krachtige leven.
De droevige ogen, de kwijnende gezichten verdwijnen naar de achtergrond.
In haar hoofd verschijnt de moeder op het schoolplein. Die het pestgedrag van haar zoon rechtvaardigde, omdat in de klas kinderen zaten met een leerprobleem, waardoor er soms minder aandacht was voor haar superieure kind. Want dat is wat de moeder zag. Dat het een kinderen zijn met een leerprobleem. Anders, en daardoor slechter, dan haar zoon. Ze leert haar kind niet contact te zoeken met zijn klasgenootjes, vraagt hem niet wie deze kinderen zijn. Waar ze graag mee spelen. Welke sport ze doen. Of hij ze een keer wil uitnodigen om ze beter te leren kennen.
Ze ziet de grote berg met reddingsvesten op Lesbos. Velen slechts gevuld met krantenpapier. Elk vest is gedragen door een mens. Een mens met dromen, met hoop, met vreugde. Met in het hoofd de gedachte, dat een levensgevaarlijke boottocht op een ruwe zee met slechts een met kranten gevuld reddingsvest, veiliger was dan blijven in het land waar ze droomden, waar ze leefden. Maar ze ziet ook de woedende menigte, stenen gooiend naar een gemeentehuis, waar besloten wordt of deze bootvluchtelingen in hun woonplaats een huis krijgen, waar ze misschien weer een thuis van kunnen maken. Ze roepen dat ze deze gelukszoekers niet willen, dat hun dochters verkracht zullen worden, dat hun huizen weggekaapt worden door mensen uit een ander land en die hier slechts komen om hun banen in te pikken en hun zonen te mishandelen. Een enkeling staat op. Roept op om de mensen niet te veroordelen om wat ze zijn maar om af te wachten wie ze zijn. Maar het zijn slechts fluisteringen in de schreeuwende menigte.
Op haar netvlies verschijnt een poster. Me twee netjes geklede mannen, die elkaar zoenen. In flarden gescheurd hangt deze troosteloos in het bushokje. Ontrokken door ouders aan de ogen van hun kinderen. Om ze niet te confronteren met een vorm van liefde die ze niet begrijpen en die ze daarom liever verwoesten. Omdat hun kinderen uitleggen dat elke vorm van liefde er mag zijn, beangstigender is.
Ze drukt op het knopje van haar autosleutel. Vriendelijk knipoogt haar auto naar haar. Voorzichtig rijdt ze de parkeerplaats af. Ze wacht voor een hoogbejaarde moeder aan de arm van haar zoon, die schuifelend de weg oversteekt. Zijn hand liefdevol en beschermend op haar arm.
Aan de overkant rennen een jongetje en een meisje over de stoep. Het jongetje valt. Even staat zijn mond open, in een stil protest. Dan dringt zijn schreeuw haar auto binnen. Een vrouw komt aangehold. Tilt het kind op, kust op het kapotte knietje. De bejaarde vrouw glimlacht.
Een donkere man loopt hand in hand met een blonde adonis. Het jongetje vergeet zijn pijnlijke val, kijkt met grote ogen de twee mannen aan. De vrouw tikt hem, met hoogrode wangen, zachtjes tegen het achterhoofd. De twee mannen laten elkaar los, lachen vriendelijk naar het jongetje. De moeder lacht ongemakkelijk terug. Opnieuw vinden de handen elkaar. Ze lopen naar de bus, waar de gapende mond hen inslikt. Ook de moeder met de twee kinderen wordt verzwolgen door het ijzeren gevaar. De busdeuren schuiven dicht en gaan even later sissend weer open om de bejaarde moeder en haar zoon binnen te laten.
Ze ziet nog net hoe de jonge moeder zich omdraait op haar stoel, een praatje maakt met de donkere man en zijn knappe vriend die achter haar zitten. De bus rijdt voorbij, slaat de lange weg door het bos in.
Haar hoofd doet wat het automatisch doet. Het smeed letters tot woorden. Laat ze overgaan in zinnen. Haar hersenen vormen een geheel. Omdat schrijven haar passie is. Net zoals ze mensen hartstochtelijk liefheeft.
In haar hoofd ontstaat een verhaal, over een plek die we nooit mogen vergeten, over mensen die hun leven verloren aan de gruwelijkheden van onverdraagzaamheid.

vrijdag 15 september 2017

Wat was mijn Alibi deze week?

Zoals misschien bekend heb ik samen met mijn buurvrouw een minibieb. Deze leuk mij toen leuk om meerdere redenen: mijn enorme hoeveelheid boeken verminderen, want het huis ontplofte zonder dat de aanwas verminderde hier binnen. En zo kon ik andere weer blij maken met boeken. Nu hebben wij er 3 in de buurt en in het begin roept iedereen: straks halen ze alles in 1 keer weg. Wel nee, nooit gebeurd. Het loopt echt heel erg goed. Heel lief komen mensen ook vaak boeken brengen, zodat er wekelijks veel nieuws staat.
Hartstikke lief, maar daardoor gaat het slinken van de boekenvoorraad binnen niet heel snel. Plus een heel groot nadeel, vast een voordeel van andere minibibliothecarissen: er worden vaak hele gave boeken in gezet. Een keer gelezen boeken. Dus ik sleep regelmatig literatuur en toffe stripboeken naar binnen. Oftewel er komen dus gewoon boeken extra bij. Maar leuk is het! Hebben jullie een minibieb bij jullie in de buurt?

Ik ben heerlijk lekker aan het lezen steeds. Zo ben ik bezig in het 5e milleniumboek. Het boek kwam wat traag op gang maar nu loopt het weer als een tierelier: mishandelingen, corruptie, oplichting, misbruik ..bam bam. Lisbeth Salander is een regelrechte antiheld. Avonturenspel met een vrouwelijke hoofdpersoon welk absoluut geen doetje is en aan haken en huishouden doet. Hoeft ze ook al sws niet, want ze zit in een extra beveiligde gevangenis.
Intussen vloog er wat nieuw leesvoer de brievenbus in deze week. Ik heb namelijk nog niet genoeg liggen . Maar liefst drie Young Adults. Een is een kerstboek..wat zeg Je? Ja, een kerstboek. Ik ben dol op kerstverhalen. De seizoensperiode van herfst en winter zijn de mooiste seizoenen. Kleuren in de natuur, stormen, grote plassen om in te stampen, gordijnen dicht en kaarsjes aan; toegerekend richting kerst. Er staat ook nog eens een verhaal van Jennefer Mellink in en daar wil ik alles gewoon van lezen. Wonderland; ik ben er bijna klaar voor. Ik zal er net nog geen alternatieve kerstcd bij opzetten. Denk ik.

En dan gaat het gebeuren: zaterdag haal ik mijn nieuwe hond. Verstandig had ik gekozen om niet naar Theo te gaan kijken, de 5 maanden oude pup. Keiverliefd op zijn foto was ik. Week na week volgde ik of hij al geadopteerd was. Zal ik dan toch? Nee, in belang van Theo vond ik dat hij in een gezin hoorde en heeeeel veel aandacht van kinderen. Tot Bennies place belde; een organisatie die zich bezighoudt met het plaatsen van honden van Lesbos en Lefkas Griekenland. Ik had bij deze organisatie al een goed gevoel bij het eerste telefoongesprek. Betrouwbaar en in het belang van de honden kijkend. Ik had aan gegeven een wat oudere hond te willen, die mensen minder snel wilden. Mensen willen puppies het liefste. Nou, Bindi was naar Nederland gehaald en geplaatst. Na twee dagen had de mevrouw al gebeld dat ze het niet zag zitten. Dan denk jij nu ook gelijk van wat is er met die hond? Niks! Mevrouw vond het toch te druk twee honden. Na twee dagen.... even doorzetten misschien? Na vijf dagen werd ze alsnog teruggebracht. Of ik eens wilde komen kijken. Nu was het een voor mij kleine hond. Ik had altijd formaat labrador.
Op naar Nuland afgelopen zaterdag! Ik heb zin in stormachtige boswandeling met het beestje en lange lesuren met het boek links en de hond aaien rechts. 

Genieten jullie ook van de regen en je boeken de komende week!

Houdoe vanuit brabant