Posts tonen met het label Vlaams auteur. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Vlaams auteur. Alle posts tonen

zaterdag 26 juni 2021

Column Benny Baudewyns

 

Dikke vrienden

 

Een tijdje geleden ging er op Thrillerlezers de vraag rond: houd je van dunne of dikke boeken? De vraag intrigeerde me omdat ik er vaak zelf mee geconfronteerd word. Als ik in een boekhandel in het aanbod snuister, gaat mijn aandacht en interesse bijna altijd uit naar dikke boeken. (Zoals we met een leuk woord in Vlaanderen zeggen: een dikke “klepper”). Ik houd van omvangrijke verhaallijnen, die vaak aanzienlijke periodes overspannen en waar je dus als lezer een tijdje mee bezig bent. “Dunnertjes” zijn dus aan mij niet besteed. Ik heb het bijvoorbeeld heel moeilijk met Simenon of Baantjer. Je hoort me hier niet verklaren dat die verhalen slecht zijn geschreven, wel integendeel. Maar ze trekken mijn aandacht niet, het is alsof iets in me zegt dat ze de moeite niet zijn om aan te beginnen. Als ik ze dan toch lees, krijg ik de indruk dat ik een korte samenvatting van het verhaal doorneem.

Even terzijde, voor ik verder ga. Hoe dik is een dik boek? Misschien moeten we dit eerst even uitklaren. Ik hoor soms dat een roman van vijfhonderd pagina’s als een serieuze brok wordt bestempeld. Dat is het ook, maar soms speel ik als lezer toch in een hogere klasse. Ik kan het niet helpen: een vuistdik exemplaar van pakweg achthonderd of meer pagina’s zal automatisch mijn aandacht trekken, ongeacht het genre of de auteur. Absolute top voor mij zijn de romans van Ken Follet. Pilaren van de Aarde, of Brug naar de Hemel, of nog zijn Century trilogie (Val der Titanen, Nacht van het Kwaad en Kou uit het Oosten). Allemaal kleppers van rond de duizend pagina’s en allemaal verslonden als zat er een woeste wolf achter me aan. De Zwerm van Frank Schätzing, of Limiet, ecologische thrillers van elfhonderd pagina’s (wie doet beter?). Meesterlijk vond ik deze boeken.

Nu we toch even op een zijspoor staan, dient een volgende vraag zich aan: zijn alle dikke boeken goed? Natuurlijk niet, maar dat heeft niks met het volume te maken. Er zijn goede en minder goede boeken in alle diktes en lengtes. Kleppers hebben wel een bijkomende handicap: juist door hun lengte sluipt het spook van de langdradigheid veel sneller naar binnen. Auteurs nemen de tijd (en de plaats) om een en ander uitvoerig uit de doeken te doen. Als dat het verhaal ten goede komt, mij niet gelaten. Maar als ik voel dat de informatie er wordt bij gesleurd, omdat ze nu eenmaal voor handen was, durf ik wel eens een zucht te produceren. Ik moet er eerlijkheidshalve bijvoegen dat dit voor elk model roman geldt, ook dunne kunnen op dit gebied wel eens uit de bocht gaan.

Terug naar het hoofdspoor nu. Waar wil ik heen met deze lange inleiding? Gewoon om te zeggen dat ik mijn voorliefde voor kleppers ook probeer door te duwen in mijn eigen thrillers. Ik heb altijd geprobeerd om heerlijk omvangrijke verhaallijnen in mijn boeken te stoppen. Ik maakte vaak sprongen in de tijd van vele tientallen jaren (De Emerson Locomotief, drie generaties over bijna een eeuw). Mijn Walpurgis-duo (Het Walpurgis Nachtmerrie en Walpurgis Archief), toch beiden vlotjes over de vijfhonderd pagina’s. Steeds waakzaam natuurlijk dat mijn verhaal een behoorlijke vaart had. Waar ik, denk ik, vrij goed in geslaagd ben aangezien ik veel positieve reacties kreeg.

Opgepast, nu komt het. Twee jaar geleden had ik het idee opgevat om mijn ultieme dikke klepper te schrijven. Er kwam me een verhaal aanvaren waar ik wel wat mee kon. Een mysterieus voorval in het Pruisen van 1935 en de geschiedenis van vier personages, helemaal tot in 1970, die allemaal iets met dat voorval hadden te maken. Een titel zweefde mijn hoofd binnen: Het Buchinsky-incident. Ik trok mijn stoute schoenen aan en mikte op duizend pagina’s. Bijna meteen had ik een leuk uitgangspunt: al in de eerste alinea wordt de titel van het boek helemaal duidelijk. De rest vlotte echter minder. De levens van de vier personages, die zich afspeelden op verschillende plekken op aarde, vergden een boel opzoekingen. Te meer daar ik een spielerei had bedacht: in de loop van het verhaal kruisen historische figuren het pad van mijn personages. Halfweg het script kreeg ik een dip. Dat maak ik wel meer mee, ik schrijf namelijk zonder vooropgesteld plan en soms raak ik mijn eigen draad kwijt. Er kwam een lange pauze, waarin ik Moordgriet schreef, een thriller die nu in oktober op de markt komt. Toch nam ik Buchinsky daarna weer ter hand en opeens had ik de oplossing voor de impasse. Volgden nog maanden van hard labeur, maar ik haalde de eindstreep. Eentje waar ik heel fier op ben. Het manuscript telt tweehonderdduizend woorden, wat ik boekvorm neerkomt op negenhonderd pagina’s.

Ik dus fier als een gieter naar de uitgever. Nu komt de ontnuchterende clou van dit betoog. Bij het uitgeven van een boek moet de uitgever natuurlijk met een boel economische factoren rekening houden. De allerbelangrijkste is wel: een boek moet winstgevend zijn, anders kunnen ze beter de deuren sluiten. Hebben jullie al gemerkt dat de prijs van een boek van pakweg tweehonderd pagina’s niet zo gek veel verschilt van eentje van vijfhonderd of meer? Dit terwijl een boek van vijfhonderd meer kosten met zich meebrengt, met name de redactie en het verbeterwerk.  Met andere woorden: een uitgever maakt per stuk meer winst op een dun dan op een dik boek. Dat maakt in principe voor een uitgever niet uit, hij gaat voor kwaliteit ongeacht de omvang. Maar… er is een grote maar. Een zeer belangrijke factor in dit verhaal: hoeveel verkoopt een auteur? Bestsellerauteurs hoeven zich hierom geen zorgen te maken: of ze nu een dun velletje of een klepper afleveren, de uitgever brengt het op de markt en is zeker van winst.

Bij mij ligt dit enigszins anders. Ik moet er niet flauw over doen, ik ben nooit een goedverkopende auteur geweest. Jullie mogen dit gerust weten: tien, vijftien jaar geleden verkocht ik van elke titel ergens rond de tweeduizend exemplaren (waar Aspe in die tijd vijfenzeventigduizend haalde). In de loop der jaren is dat aantal steeds gezakt. Schrijf ik slechtere boeken? Neen, het is een algemeen voorkomend fenomeen. Er worden blijkbaar minder boeken gekocht, elke auteur ziet zijn cijfers dalen (uitzonderingen zijn er altijd, gelukkig zijn er nog collega’s die goed in de markt liggen). Op dit moment zit ik aan een verkoop van nauwelijks zeshonderd exemplaren. Ik zit dus in de gevarenzone. Dit betekent dat de kosten van de productie van een boek gevaarlijk dicht in de buurt van de geschatte verkoopcijfers komen. Geen enkele uitgever met zakelijk instinct neemt het risico om een verlieslatend product op de markt te brengen. Ik heb zelf lang genoeg in de zakenwereld gestaan om dit ten volle te begrijpen.

Waar het dus op aankomt is: de kosten voor de productie van Het Buchinsky-incident lopen te hoog op ten opzichte van de verkoopprognose. Een harde realiteit, maar zo is de realiteit nu eenmaal. Het ziet er dus niet naar uit dat mijn klepper op de markt komt. Heel spijtig, maar ik begrijp de beslissing van de uitgever. Ik zal in de toekomst mijn voorliefde voor kleppers opzij moeten schuiven en dunnere verhalen pennen. Moordgriet zal in die lijn liggen. Een keitof verhaal, al zeg ik het zelf, samengebald in een manuscript van zeventigduizend woorden, wat zo’n tweehonderdvijftig bladzijden plezier zal opleveren.

Hihi, een knotsgekke gedachte speelt opeens door mijn hoofd! Misschien is er een mogelijke oplossing. Geen crowdfunding, maar wat als iemand nu eens een crowdbuying organiseerde? Als duizend mensen de belofte doen mijn Buchinsky te kopen en dat geld op een veilige rekening zetten, dan komt het boek er!

Alle gekheid op een stokje: laat maar. Ik keerde de zakenwereld jaren geleden de rug toe en ben niet van plan me in zo’n avontuur te storten. Ik blijf met veel plezier (dunnere) thrillers verzinnen en ik weet dat jullie ze, ongeacht het volume, met evenveel plezier zullen lezen. Zo blijven we allemaal dikke vrienden!

 

Benny Baudewyns.       

zaterdag 23 januari 2021

Column Patrick De Bruyn

Patrick De Bruyn

CORONAVIRUS

Twijfelt u er na deze titel over om verder te lezen? Maakt u zich geen zorgen, dat akelige C-woord komt verder niet meer voor. En dat is een heel karwei. Je moet al heel hard je best doen om het er níét over te hebben.

Dat dacht ook de bankier waar ik langs moest. Moest, zeg ik, want ik doe zoiets niet uit vrije wil. Doe mij maar een bankautomaat. Maar hij benadrukte graag dat zijn clientèle meer was dan een rekeningnummer:                                                                  ‘Tegenwoordig hoeft u niet ver te lopen om inspiratie te vinden voor een nieuwe thriller’, begon hij.

Ik zei niets.

‘Ja ja, mijn vrouw heeft al uw boeken gelezen’, beklemtoonde hij zijn verder onbestaande kennis over wat ik eerder schreef. Gelukkig bleef mijn zucht beleefd in mijn mondmasker steken, toen hij mij vervolgens een extra dienst voor een prikje probeerde aan te praten.

Ten eerste word ik altijd kregelig als mensen mij vertellen waar ik mijn inspiratie vandaan moet halen. En ten tweede, nee, ik ga daar dus geen boek over schrijven.                                                                  De mensen willen wel eens wat anders aan hun hoofd hebben, denk ik dan.

Hebt u trouwens het laatste jaar het woord ontlezing nog gehoord? Behalve als fenomeen uit het verleden.

Ineens is een boek lezen weer bijdetijds.

En het sterkste argument om géén boek te lezen is ineens het grootste pluspunt geworden: het duurt láng om een boek uit te lezen. Lekker lang. Langer dan alles op tv, al binge watch je je te pletter.

De mensen willen vandaag ontsnappen uit hun leven. En net lezen brengt mensen altijd elders dan waar ze zijn.

Ik heb het ook altijd vreemd gevonden dat mensen vaak alleen op reis lezen. Naar een mooi plekje op aarde trekken, om daar met de neus in een boek weer helemaal elders te gaan wezen.

Al wens ik niemand die gedwongen vakantie in eigen tuin van 2020 weer toe om een boek te lezen. Laten we maar hopen op weer verre reizen om ons te vergapen aan al het moois ter plaatse.

En in september komt mijn nieuwe boek er dan. Om u weer ver weg van hier te brengen. En nee, het zal echt niet over het coronavirus gaan.

Oeps, nu heb ik dat akelige C-woord toch weer gebruikt.



Patrick De Bruyn (Halle, 22 augustus 1955) is een Vlaams misdaadauteur.

In 1998 verscheen zijn eerste misdaadroman, File, in 2000 gevolgd door Indringer. Tussen 2001 en 2006 schreef hij de drie thrillers Vermist, Verminkt en Verdoemd. Met Verliefd brak Patrick De Bruyn in 2007 definitief door bij het grote publiek. Passie kwam uit in het voorjaar van 2008. Eveneens in 2008 verscheen een volledig herziene editie van Indringer.

Zijn thrillers worden gekenmerkt door een beschrijving van gewone mensen die door het noodlot of door eigen toedoen in een nachtmerrie belanden.

Zijn boeken werden genomineerd voor de Gouden Strop (1 x), de Diamanten Kogel (2 x) en de Hercule Poirotprijs (4 x).

Met Dodelijk Verlangen won hij de Hercule Poirotprijs 2010.

zaterdag 19 september 2020

Michael Kestemont ondervraagd

 


Met ‘De witte weduwe’ verwent Michael Kestemont zijn lezerspubliek voor de tweede keer in twee jaar tijd met een spannend boek waarin de Belgische koninklijke familie opnieuw een belangrijke rol krijgt toebedeeld.  Ik mocht de auteur enkele vragen stellen.

 

● Michael, zou je jezelf even kort willen voorstellen aan de bezoekers van Thrillerlezers!?

 

Mike – “Michael” is mijn geheimzinnige schuilnaam – Kestemont is een geboren en getogen Brusselaar die aan de Universiteit Antwerpen computationele letterkunde doceert. Hij houdt van cultuurgeschiedenis (zeker de middeleeuwse) en spannende verhalen, maar even goed van een ijskoude Duvel Tripel Hop en buitenshuis koken.

 

● Wat voor schrijver ben je?  Schrijf je elke dag?  Schrijf je vele uren na elkaar?

 

Ik schrijf doorgaans zeker niet elke dag, maar eerder in fases: bij het afronden van een boek bijvoorbeeld kan ik wel als een betezene tekeer gaan op het toetsenbord. Ik heb een druk professioneel bestaan en dito familieleven (met twee jonge kinderen), dus meestal kan ik slechts enkele uren aan het einde van de dag uit m’n planning stelen. Hele dagen enkel schrijven, hou ik meestal niet vol.

 

● Ben je een schrijver die de noodzaak voelt om zich af te zonderen of ben je daarentegen een auteur die mensen om zich heen wil? Heb je een klankbord nodig?

 

Ik ben een sociaal wezen en werk nog het beste in drukke, rumoerige contexten, zoals op een zomerterras of zelfs op een feest. Ik kan mezelf mentaal perfect afzonderen van het geroezemoes. Ik laat mijn manuscripten vaak door zoveel mogelijk mensen op voorhand lezen (mijn jongste zus is altijd mijn eerste lezer, in de fase waarin ik nog erg onzeker ben): het is erg belangrijk om constructief met kritiek om te gaan, al kan dat erg moeilijk zijn. Ik heb wel fantastische collega’s die enorm nuttige feedback geven.

 

● Als docent aan het departement Letterkunde aan de UA hoeft het niet te verwonderen dat je van taal houdt.  Met ‘De witte weduwe’ schrijf je jouw tweede boek.  Waarom heeft je eerste boek zo lang op zich laten wachten?

 


Tot voor kort had ik mezelf nooit als schrijver gezien (toch niet van fictie). Het idee om een roman te schrijven heb ik eigenlijk opgedaan tijdens een experiment op het werk, waarbij we een computer een verhaal probeerden te laten schrijven. Ik besefte toen dat ik eigenlijk helemaal geen idee had van hoe je een langer verhaal opbouwt en dan heb ik het zelf maar eens geprobeerd. Van het een kwam het ander.

 


●  Inhoudelijk ligt jouw expertise vooral bij de historische (middeleeuwse) literatuur.  Neem je die expertise mee in jouw schrijfproces?

 

Zeker, op sommige vlakken denk ik eerder als een middeleeuwse dan een hedendaagse auteur. Ik vind het bijvoorbeeld niet zo belangrijk om kost wat kost te vernieuwen en schrijf over thema’s waarover al honderden boeken zijn geschreven. Voor mij is wat je vertelt minder belangrijk dan hoe je je probeert te onderscheiden van je voorgangers.

 

● Hoe, waar is het idee ontstaan voor ‘De witte weduwe’?

 

Ik wilde absoluut iets doen rond een “heist” of meesterkraak. De afgelopen jaren heb ik prachtige films en series in dat genre gezien: iets ouder is Prison break, maar ook Casa de papel vond ik geweldig. De Vlaamse serie De Dag was ook zeer de moeite waard. Het leek me erg moeilijk om zoiets in een boek te doen, omdat je veel minder visueel kan werken. Die uitdaging sprak me erg aan.

 

● Hoeveel voorbereiding ging er aan het schrijven van het boek vooraf?

 

Voor elke 20 bladzijden in de uiteindelijke roman lees ik toch zeker één volledig geschiedkundig werk. Dat betekent dat je vooronderzoek toch al snel aan een half jaar zit. Daar komt dan nog eens een klein half jaar aan uitschrijven bij.

 

● Lag het plot vast van bij het begin?

 

Bepaalde elementen zeker wel, maar het einde durf ik meestal niet op voorhand vast te leggen – al zou ik dat beter wel doen!

 

● Het boek bulkt van de info en de weetjes.  Weet je op voorhand wat je op welk moment in het verhaal gaat gebruiken?

 

Niet echt: het is meestal net erg leuk om geschikte plekken in het verhaal te vinden waar een personage dergelijke weetjes kan laten vallen zonder dat het te belerend overkomt. Dat is best moeilijk.

 

● ‘De witte weduwe’ is jouw tweede boek en voor de tweede keer reserveer je een rol voor het Belgische koningshuis.  Heb je een speciale connectie met het koningshuis?

 

In een land met een complexe structuur en geschiedenis blijf ik de monarchie een interessant fenomeen vinden. (Mijn lezers overigens ook, merk ik.)

 

● De fases van een meesterdiefstal worden aangekondigd door middel van Italiaanse termen.  Vanwaar je keuze voor de Italiaanse taal?

 

Ik wilde de meesterdief een pedant, overdreven verfijnd kantje geven. Dat schreeuwt om Italiaans.

 

● Je bent heel erg vertrouwd met de scheepsterminologie.  Gewoon parate kennis of het resultaat van studie als voorbereiding op het boek?

 

Haha, daar was ik mezelf niet van bewust… Over de Mercator heb ik natuurlijk flink wat gelezen maar ik wist niet dat ik daaraan extra “nautische” woordenschat had overgehouden! Ik hou wel erg van schepen, al vaar ik niet heel vaak.

 

●  Je bent ook te horen op KLARA.  Zijn er raakpunten tussen werken voor de radio en schrijven?

 

De stukjes over de canon-teksten op Radio Klara waren erg fijn om als wetenschapper aan mee te werken. Dat ik bijvoorbeeld Karel ende Elegast mocht bespreken [link: https://klara.be/de-canon-06-karel-ende-elegast-met-mike-kestemont-0], kwam bovendien erg goed uit omdat dit verhaal ook een inspiratiebron voor De witte weduwe was. Ik hou erg veel van deze middeleeuwse teksten en het is altijd fijn om iets van die passie te kunnen delen met een groter publiek.

 

● Je bent een behoorlijk bezige bij: je doceert aan de unief, je besprak Karel ende Elegast voor Radio Klara, je schrijft.  Hoe doe je dat allemaal?  Telt jouw dag meer dan 24 uren?

 

Neen, ik wou net dat een dag meer dan 24 uren telde! Ik kijk zelden televisie en heb jonge kinderen die vaak erg vroeg wakker zijn. Veel van mijn werk doe ik daarom (helaas!) als anderen nog slapen.

 

● Hoe is bij jou de liefde voor cultuur ontstaan?

 

Ik vermoed dat mijn ouders en familie daar wel een rol in hebben gespeeld. Als kind heb ik met hen heel West-Europa rondgereisd en alle grote culturele centra bezocht. Die plekken zijn me toch altijd bijgebleven. Verder heb ik enkele bijzonder sterke docenten gehad, bijvoorbeeld in de klassieke talen,  hetgeen ik altijd als een voorrecht heb ervaren.

 

● Bezoek jij veel musea?  Welk museum is voor jou bijzonder?  Waarom?

 

Dat gebeurt zeker, maar ik associeer dat toch vooral met vakantieperiodes, want tijdens het academisch jaar is daar zelden tijd voor. Een bijzonder museum (deels in open lucht) vond ik de site van Sutton Hoo in Engeland, een verzameling vroegmiddeleeuwse grafheuvels waarin men fantastische kunstschatten heeft ontdekt. Je waant je zo in het decor van de Beowulf.

 

 ● Je noemt cultuur bezitten fundamenteel fout.  Kan je verklaren waarom? 

 

Dat is vooral een knipoog naar het huidige debat over open access in de wetenschap, maar ook in de erfgoedsector: bibliotheken en musea moeten erop gericht zijn om hun collecties te ontsluiten en dus toegankelijker te maken voor het publiek, maar nog veel te veel instellingen kiezen ervoor om hun collecties angstvallig achter een betaalmuur af te schermen. Die conservatieve reflex staat volgens mij haaks op wat de missie van deze instellingen zou moeten zijn. Ik denk wel dat er beterschap op komst is in deze context.

 

● Stel dat je zomaar een kunstwerk voor het uitkiezen zou hebben, zou je het aanbod aannemen?  Welk kunstwerk zou dat dan zijn?

 


Leuke vraag. In Parijs ga ik altijd eens kijken naar Les raboteurs de parquet van Caillebotte in het Musée d'Orsay. Het schilderij maakt me erg rustig en ik krijg altijd zin om mee te beginnen schrapen met die mannen. Ik heb er wel een mooie poster van maar ik zou het niet erg vinden om die voor het origineel in te ruilen!

 

● Het is waarschijnlijk moeilijk kiezen, maar heb jij net als Charlotte een boek dat je boven alle andere verkiest, zoals Charlotte telkens weer kiest voor Perceval et le conte du Graal?

 


In de Nederlandse literatuur staat Van den vos Reynaerde met stip op één in mijn persoonlijke canon (waarom leg ik hier uit: https://klara.be/de-canon-05-van-den-vos-reynaerde-met-mike-kestemont-0). Wat iets recentere literatuur betreft, zou ik het Verzameld werk van Willem Elsschot vernoemen – dat ik maar blijf herlezen. Wat poëzie betreft zou ik twijfelen tussen Lucebert of T.S. Eliot – zijn kille en verwarrende Waste Land blijft me ook boeien.

 

● Wat betekent Chrétien de Troyes voor jou?

 

Hij is een mysterieus auteur omdat hij aan het begin staat van een ontzagwekkende literaire traditie en tot de bekendste van de middeleeuwse dichters behoort, maar tegelijkertijd weten we helemaal niets over hem. Hoe hij bijvoorbeeld in Gent is terecht gekomen en in welke omstandigheden hij gewerkt heeft of gestorven is, blijft een raadsel. Die waas van onzekerheid is stimulerend en creëert ruimte om verhalen te verzinnen. Twijfel en onzekerheid zijn de perfecte voedingsbodem voor fictie.

 

● Heb je een bijzondere affiniteit met Koning Arthur en zijn ridders van de ronde tafel?  Waarom?

 

Ik ben altijd al geboeid geweest door heldenverhalen, zeker ook als kind, maar ik had vooral fantastische docenten middeleeuwse literatuur aan de universiteit. Het ontrafelen van feit en fictie in deze oude legendes, die vaak toch een historische kern bezitten, is iets wat me enorm boeit.

 

● Wat boeit jou in het verhaal van de zoektocht naar de graal?

De zoektocht naar de graal is interessant omdat we eigenlijk niet goed weten naar wat we precies zoeken. Elke generatie heeft steevast z’n eigen invulling aan dat mysterieuze object gegeven. Is het een visschotel? Een kelk? Een massavernietingswapen? Een verborgen dochter? In het boek leg ik uit waarom zoiets een zogenaamde MacGuffin is, een term van Hitchcock. Het doet er niet toe wat je zoekt: de zoektocht zelf staat voorop en vooral wat je tijdens die queeste over jezelf leert.

 

● Wat is jouw MacGuffin?

 

Dat is een leuke vraag! Ik denk dat ik dan toch voor de waarheid zou opteren in verband met de diefstal van de Rechtvaardige rechters – het onderwerp van mijn eerste roman, De zwarte koning. Ik heb daarover zo verschrikkelijk veel opzoekingen gedaan dat ik er nu echt veel voor zou geven om te weten te komen wat er in hemelsnaam met dat vervloekte paneel is gebeurd. Het is een echte MacGuffin, want eigenlijk maakt het voor mij persoonlijk niets uit, maar ik zou het toch enorm graag weten.

 

 

 

● Komt er een vervolg of is ‘De witte weduwe’ een op zich staand verhaal?

 

Dit boek was opgezet als een (subtiel) vervolg op De zwarte koning. Het oorspronkelijke plan was steeds om er nog een derde Anna Vleminckx-verhaal aan toe te voegen – dat kon je al een beetje raden op basis van de laatste zin in De witte weduwe. Inderdaad! De drie boeken zou je dan als een soort Parcifal-trilogie kunnen zien, die in het teken staan van een soort ‘queeste’ die in het derde deel zal worden afgerond.

 

● Ben je ondertussen gestart met het schrijven van een nieuw boek?  Wanneer mogen we ons aan een nieuwe Michael Kestemont verwachten?

 

Voorlopig stel ik mezelf geen deadlines. Ik wil het de komende maanden even wat kalmer aan doen en me wat bezinnen. Het tweede boek is erg snel gevolgd op het eerste en dan is een adempauze geen slecht idee. Reculer pour mieux sauter.

 

Wij van Thrillerlezers! gunnen Michael Kestemont deze adempauze van harte, maar tegelijkertijd kijken we reikhalzend uit naar zijn volgende boek.  Deel drie in de Anna Vleminckx-reeks staat al op ons verlanglijstje!














zaterdag 29 augustus 2020

Guido Eekhaut ondervraagd

 

Onlangs las ik ‘Het huwelijk van tijd en ijs’.  Een boek over de stichting van de Republiek Antarctica zo’n honderd jaar geleden, over een jonge wetenschapper die bizarre experimenten uitvoert, over de droom van  eeuwige jeugd. 

In het nu volgende vraaggesprek geeft Guido Eekhaut tekst en uitleg over ‘Het huwelijk van tijd en ijs’ en over nog zoveel meer.

● Wie of wat inspireerde jou tot het schrijven van ‘Het huwelijk van tijd en ijs’?/ Vanwaar komt het idee voor dit boek?

De idee om het boek voor een deel te situeren in het zuidpoolgebied en de republiek van Antarctica, komt uit een roman van John Calvin Batchelor, een Amerikaans schrijver die enkele geweldige boeken schreef in de jaren tachtig. De rest is het gebruikelijke proces: inspiratie en ideeën komen naargelang ik schrijf, en nadat ik de basis voor het boek heb gelegd. Antarctica is nog altijd een van die vreemde en weinig bekende gebieden, hoewel het toerisme daar nu ook toeslaat.

Ik wilde opnieuw een ‘avontuurlijk’ en ‘spannend’ boek schrijven, na ‘De Verdwijning’, dat eerder een filosofisch en feministisch boek was. Het avontuur lokte, met helden en schurken en een mysterie. Veel meer dan dat heb je niet nodig om aan een boek te beginnen.

● Het boek kreeg het etiket ‘thriller’.  Waarom een ‘thriller’ en niet een ‘avonturenroman’? 

Dat is puur een marketing beslissing vanwege de uitgever, omdat ‘thrillers’ nu eenmaal beter verkopen dan ‘romans’ of om het even wat. Het is het gevolg van een hokjesmentaliteit (bij verdelers, boekhandels maar ook publiek) waar ik zelf problemen mee heb, want ik probeer altijd dwars over genres heen te schrijven. Het boek is inderdaad een avonturenroman, er komt misdaad in voor, maar ook romance en er is een wetenschappelijke ontdekking die voor ons nog onmogelijk is. In het Nederlandse taalgebied is die hokjesmentaliteit nog steeds erg streng. Dat werkt in mijn nadeel. In ben een genre-auteur, en dus grotendeels genegeerd door de ‘literaire’ kritiek, een ander gevolg van de opdeling in ‘genres’. Omdat ik regelmatig andere boeken schrijf, en me dus over het hele spectrum van genres begeef, spreek ik geen groot, vast publiek aan. Ik diversifieer teveel, maar dat is de aard van het beestje.

● Het boek start en eindigt in Marseille, een stad die in jouw boek wordt geassocieerd met een mank functionerende prefectuur  en achterstand, vooral waar het de wijk ‘la Valentine’ betreft.  Vanwaar de keuze voor Marseille?

Oorspronkelijk had ik een fictieve stad gekozen, maar na overleg met de uitgever is die meer concreet geworden. Toch zijn de beschrijvingen niet die van het echte Marseille, waar ik overigens nooit geweest ben (wel in de buurt). Mijn vorige fictieve steden (Orsenna, bijvoorbeeld) hebben altijd iets zuiders gehad, als spiegels van de vele steden rondom de Middellandse Zee waar ik van houd. Vorm volgt functie, neem ik aan, en dus transformeer ik echte steden tot het geschikte decor voor mijn boek. Ik heb vaak genoeg de een of andere versie van Londen gebruikt, maar dan een laat-Victoriaanse variant van die stad. Soms doe ik heel gedreven research om het decor levensecht te hebben (de Canadese misdaadboeken, die ik onder de schuilnaam Nellie Mandel schreef, zijn daar een goed voorbeeld van), maar dat is niet altijd nodig. Ik denk maar: wat voor Italo Calvino goed is, is voor mij ook goed.

Marseille

● En dan gaat het richting Antarctica.  De vermelding van Amundsen en Baedeker, uitgever van reisgidsen, doen me vermoeden dat je je interesseert voor mensen die weinig geëxploreerde oorden opzoeken.  Klopt dat?

Vele van mijn personages zijn eenzaten, die hun wereld willen verkennen, wat een fundamenteel menselijke drang is. Mensen wilden altijd weten wat er achter de volgende heuvel of zee lag, vandaar dat we de enige hogere diersoort zijn die over de hele planeet verspreid raakte. Ik ben dan ook geen liefhebber van de huis-tuin- en keukenliteratuur, zo populair in onze Vlaamse/Nederlandse letteren. De innerlijke roerselen van een Antwerpse huismoeder geconfronteerd met banale problemen (ik stel het nu karikaturaal) laten me koud (in de literatuur alleszins). Ik heb grote ideeën nodig, ruime decors, bizarre personages. Spanning en avontuur. Daarvoor heb ik goed getekende personages nodig, die het verhaal zin en richting geven.

Ik ben opgegroeid met avonturenboeken, met klassieke en experimentele SF, onder andere met de boeken van Ursula Le Guin, Philip Dick, J.G.Ballard, Julien Gracq, Thomas Disch en Jack Vance. Dat is, inderdaad, een eclectische verzameling. Daarom is het met mij helemaal misgegaan (als schrijver toch). Soms schrijf ik meer intimistische misdaadboeken (Canada), soms extravagante alternatieve geschiedenissen (de Malvil-reeks).

● Heb je er ooit van gedroomd om zelf zo’n reis te ondernemen?  Waar zou die reis je dan brengen?

Ik ben op een bijna decadente manier gesteld op luxe, voor zover ik die kan betalen. Vorig jaar logeerden we in uitstekende viersterren hotels aan het Gardameer en in de Provence (maar telkens dankzij een voordelige aanbieding). Ik heb, als journalist, de donkere kanten van Londen en Amsterdam gezien, en er verbleven, maar die tijd is voorbij. Anderzijds zal ik van vrienden een flat of huisje huren, als dat betaalbaar is. Grote, exotische reizen trekken me niet aan. Wil je dat op een aanvaardbare manier doen, dan kost dat handenvol geld. Niet dat ik die plekken niet wil zien. Ik zou een reis door Japan willen maken, maar het project ligt buiten onze financiële mogelijkheden. Ik reis ook graag alleen (maar wel met mijn vrouw), en niet in een gezelschap. Het liefst breng ik tijd door in grote, oude steden ergens in Europa, en er is veel wat ik nog niet zag, dus ik hoef niet meteen naar Vietnam of Nepal.

 

● Zijn de namen van jouw hoofdpersonages willekeurig gekozen of hebben ze hun roots in de echte wereld?

Ah, namen. Ik zoek gewoon op het internet of in boeken tot ik iets geschikt vindt. Occasioneel is er een woordspelletje, of een verwijzing naar een mij geliefd of gehaat persoon, maar verder gaat dat niet. Mensen herkennen zich niet in mijn boeken, meestel terecht.

● Heeft één van hen of hebben ze allen trekjes van hun geestelijke vader, van jou dus?  Welke?

Die vraag kan ik zelf niet beantwoorden, omdat ik vermijd aan zelf-analyse te doen. Ze lijken ook niet op mensen die ik ken, al steel ik hier en daar een kenmerk, maar nooit het totale beeld van echte mensen. Occasioneel heb ik iemand op gruwelijke wijze vermoord die dat in mijn verwrongen geest verdiende. Meestal ben ik echter vergevingsgezind of mild, al loopt het niet met al mijn personages goed af.

● Op wie lijk jij het meest?  Op de nimmer opgevende Selavy, op de regeltjesrespecterende Steiner of op rijkeluiszoontje Roussel?

Op geen van hen. Maar misschien heb ik dat niet in de gaten.

● Roussel kijkt neer op schrijvers die leven van hun schrijven.  Is dat een knipoog naar de lezer? 

Alles is een knipoog naar de lezer, maar ik kijk niet op die mensen neer, omdat ik zelf probeer te leven van het schrijven (wat me, buiten de periode toen ik journalistiek werk leverde, nooit lukt, verre van). Nee, Roussel is een verwaande kwast, een pompeus ventje, en verwerpelijk decadent. Ik hou van hem.

 

 

● Hou je van jouw personages?  Wat voor relatie heb je met hen?

Nee, en Geen, zijn de antwoorden. Maar dat is niet helemaal waar. Britt, het hoofdpersonage van de ‘Enigma’-serie die ik momenteel voor jongvolwassenen schrijf (bij Clavis), ligt me nauw aan het hart, omdat ze de afspiegeling is van iemand die ik als mens apprecieer. De meeste andere personages komen en gaan. Ik schrijf zo’n vier boeken per jaar, en dus verbruik ik veel personages, zoveel dat ik ‘bijbels’ bijhoud om me nadien te helpen herinneren waarover een boek gaat en hoe de personages heten.


Antartica

● Naast het ijs is de factor ‘Tijd’ nagenoeg het ganse boek door aanwezig.  Zonder al te veel te spoileren, kan je even verduidelijken waarom?

Niet geheel per toeval heb ik de voorbije jaren verschillende boeken geschreven waarin de personages op zoek gaan naar het eeuwige leven (of iets wat daar in de buurt komt). Dit boek, en het jeugdboek ‘Eeuwig’ (Clavis, najaar 2020), en nog een novelle. Er is iets Freudiaans aan de gang, maar ik deel met Nabokov een zekere achterdocht ten overstaan van de theorieën van de Weense Kwakzalver. Met het stijgen van mijn biologische leeftijd (mentaal ben ik 36), hoop ik dat de wetenschap mij voorbij de volgende twee eeuwen helpt, en in goede gezondheid — maar ik heb teveel SF gelezen en vrees dat het niet zal gebeuren.

De Tijd (met hoofdletter), is een raadsel, en dus voor deze schrijver aantrekkelijk. Waarom bestaat de Tijd eigenlijk, en is het misschien een menselijke illusie? Kan een universum zonder Tijd bestaan? Daarover worden boeiende dingen geschreven, zowel door filosofen als door fysici. Ver buiten de dagelijkse bekommernis van mensen, dat begrijp ik. Maar wat doe je in het leven, als je je niet occasioneel bezig houdt met de grote raadsels van het universum? Tijd en eeuwigheid hebben vele mensen doorheen onze geschiedenis gefascineerd. Literatuur kan niet bestaan zonder aan dat en andere fundamentele raadsels te raken. Ik las in mijn snotjaren Jorge Luis Borges, en Vladimir Nabokov, en andere schrijvers die elk op hun eigen manier met het concept van de ‘tijd’ speelden. De echo’s daarvan weerklinken nog altijd in een aantal van mijn boeken. Niet allemaal, want ik schrijf ook ‘gewone’ misdaadverhalen. Maar net als ‘De Verdwijning’ is ‘Tijd en IJs’ een ontdekkingsverhaal dat op vele niveau’s kan gelezen worden.

● Je neemt uitgebreid de tijd om de jonge Selavy, Steiner en Roussel voor te stellen.  Kan je uitleggen waarom je daar zoveel bladzijden en ‘tijd’ aan besteedt?

In dit soort boek zijn zij belangrijk genoeg omdat de plot om hun karakter draait. Ze zijn geen clichés, zoals de knorrige rechercheurs uit de ‘Vlaamse’ thrillerreeksen van sommige van mijn collega-auteurs (voor wie ik overigens veel respect heb). Ze hebben bizarre dimensies, en er scheelt een en andere aan hen, en ze doen misschien dingen die inconsequent zijn. En net als hun auteur zijn ze geneigd moeilijke woorden te gebruiken.

Anderzijds hoef je niet van je personages te houden, terwijl je ze toch zorgvuldig ‘ontwikkelt’. Ik ben ook niet emotioneel met hen betrokken. Ze moeten helder en duidelijk in de geest van de lezer opduiken, en misschien emoties opwekken. Ik vind soms gaat ik daar niet ver genoeg in ga, toch niet in al mijn boeken.

● ‘Het huwelijk van tijd en ijs’ geeft een niet al te positief beeld van de mensheid, een beeld dat ook van alle tijden en tijdloos is.  Aan het woord is dan Guido Eekhaut, de schrijver?  Ben jij als Guido Eekhaut, wanneer je niet aan het schrijven bent, ook zo pessimistisch gestemd wat het mensdom betreft?

Ik ben een optimist met betrekking tot de mensheid in abstracte zin, tot haar vermogen om steeds weer te ontsnappen aan de finale uitroeiing (een dreiging die ontstaat, meestal door haar eigen stommiteiten), en tot de technologische en wetenschappelijke veerkracht die we ontwikkelen. Toen ik nog als futurist door het leven ging, was mijn basisboodschap: ‘Je moet niet bang zijn voor de toekomst, maar wel voorbereid’. Ik zie een schitterende toekomst, omdat de meeste SF die ik las en lees ons toont wat we kunnen bereiken. Maar daarvoor hebben we wetenschap en technologie nodig, en dus de Rede (met een hoofdletter).

Dus ben ik bij de dagelijkse confrontatie met de werkelijkheid pessimistisch: als je ziet tot hoeveel domheid (soms verheven tot een levensstijl), onwetendheid, vooringenomenheid de mensen in staat zijn, dan wanhoop ik. We leven in een tijdperk van het egoïsme: mijn rechten zijn belangrijker dan jouw gezondheid. Solidariteit is vaak zoek. Politici die beroep doen op burgerzin en verantwoordelijkheid, hebben dat niet begrepen. Een niet te verwaarlozen deel van de bevolking kent die fenomenen niet, of negeert ze opzettelijk. Rechten worden gezien als primair, niet vergezeld gaand van plichten.

Maar dan zie ik dat grote groepen mensen opstaan tegen totalitaire leiders, tegen georganiseerde misdaad, tegen het superkapitalisme, tegen de superrijken — en dat stemt me hoopvol. Ik zie dat de impuls vaak van jonge mensen komt, en hoop dat zij collectiviteit en solidariteit hoger houden dan het ik-denken.

Als schrijver en als persoon moet ik die fenomenen tegen elkaar afwegen. Er is ook een praktisch probleem. Ik zou optimistische en avontuurlijke boeken willen schrijven die zich in een fascinerende toekomst afspelen, maar in dit taalgebied is daar alleen een markt voor bij de jongeren, niet voor volwassenen. Geen uitgever die zich nog aan home-grown SF waagt. In de Verenigde Staten, in de hele Engelstalige wereld en elders ook, zie je techno-utopische boeken, zie je boeken die reële problemen bespreken in een toekomstig kader. Dat is wat goede science fiction al een eeuw probeert te doen. Goede ideeën ontstaan als antwoord op de vraag: ‘wat indien…?’

Vlaanderen in het bijzonder toont zich avers tegenover toekomstdenken. Daar doen wij hier niet aan, al zijn er hier en daar in het bedrijfsleven enkele uitzonderingen. Kijk naar onze politici: eng nationalisme, problemen oplossen wanneer ze zich voordoen, en alle andere zonden van het populisme. De toekomst waarin ik geloof is die van de open samenleving, geleid door mensen die durven plannen en zelfs dromen.

China pakt dat anders aan. Daar keken de leiders naar wat mensen als Elon Musk drijft, en de conclusie was: die hebben techno-SF gelezen in hun jonge jaren. En daarom ‘geloven’ ze in de toekomst. Met als gevolg dat science fiction nu zowat een literaire religie geworden is, in China, met als bedoeling de jeugd warm te maken voor wetenschap en technologie. En dat schijnt te lukken. Dat China een autoritaire staat is, is wat anders, en het is een probleem. Maar dat zijn de VS en het Verenigd Koninkrijk ook.

● De zoektocht naar de heilige graal, de eeuwige jeugd is eveneens van alle tijden.  Denk jij dat de mens er ooit in zal slagen om de wereld zo te organiseren dat één of andere versie van een ‘utopia’ kan gerealiseerd worden?

Dat hoort bij de vorige vraag, denk ik. Maar wat ik geloof of hoop, doet weinig terzake. Heel wat meer mensen moeten overtuigd zijn van de zin van wetenschap en technologie voor het oplossen van onze problemen. Neem nu ons watertekort. Is er te weinig water, wat België betreft? Ja, we hebben niet genoeg grote rivieren, een te dichte bevolking en teveel beton. Maar er zijn landen, erger gesteld dan bij ons, waar men oplossingen heeft, al decennia. Er is water genoeg, in de zee, en dat kun je ontzilten en zuiveren. Laten we dat doen.

Dat is maar een voorbeeld. Het lijkt alsof er nooit genoeg politieke daadkracht is, en wat er is wordt verspild aan niet-problemen (immigratie). Ik vraag geen utopia (want dat is saai), maar zinnig, toekomstgericht denken. Maar in dit land (en elders in Europa) heeft politiek en beleid teveel de neiging om problemen ad hoc op te lossen, met alle continue veranderingen van richting van dien. Het beleid ivm Corona is daar een voorbeeld van. Politieke (en financiële) belangen overheersen de rationeel wetenschappelijke.

● En dan is er Lönnroth.  Op het internet ontdekte ik een zekere Erik Lönnroth, geschiedkundige.  Heb je die naam ook daarom gekozen, om te onderstrepen dat het menselijk gedrag van alle tijden is en de geschiedenis zich steeds herhaalt?

Nee, Lönnroth is een personage uit een verhaal van Borges. Er moet geen verdere betekenis gezocht worden aan de keuze van die naam.

● Je bent met dit boek duidelijk niet over één nacht ijs gegaan. Naast vele paradoxen, bevat het boek veel symboliek en ongelofelijk mooi gevonden metaforen. 

 Hoeveel en welke voorbereiding is aan dit boek voorafgegaan?


Dank je wel. Ik heb enkele boeken gelezen over Antarctica om de ‘idee’ van de plek juist te hebben, en om enkele technische details mee te kunnen nemen. Ik doe niet echt veel research. Zijn er dingen die ik nodig heb, dan struin ik het internet af, of ik ga zoeken in mijn bibliotheek. In een boek zoals dit is de sfeer belangrijk, en daar helpt mijn verbeelding. En mijn ervaring als schrijver. Een van de weinige kwaliteiten waarop ik me kan beroepen, is ervaring. Schrijven is een ambacht, en dat moet jarenlang geoefend worden. Buiten enkele genieën die met hun eerste boek een werk van wereldformaat afleveren (en dat zijn écht de uitzonderingen), doe je er lang over om te leren schrijven. Ik leer elke dag bij, vooral omdat de Nederlandse taal nog veel geheimen voor me heeft.

Meestal denk ik enkele weken na over de achtergronden van het boek, en lees ik wat om me in de juiste sfeer te brengen. Vooral dat is belangrijk. Schrijf ik een bepaald boek, dan lees ik alleen ‘dat soort’ boeken. De jeugdboeken die ik voor Clavis schrijf, zijn eigenlijk klassieke science fiction, en dus bereid ik me daarop voor door goede SF te lezen. Schrijf ik een meer literair boek, dan lees ik in die richting (Paul Auster, bijvoorbeeld, vanwege zijn heldere stijl). Schrijf ik Weird kortverhalen, dan lees ik weer andere schrijvers.

Ik weet ook niet bij voorbaat hoe een boek gaat lopen, en zeker niet hoe het eindigt. Ik plan en plot naargelang ik schrijf. Dat werkt voor mij. Andere schrijvers hebben andere methodes. Of mijn methode werkt, laat ik aan anderen over, maar ik heb mijn deel prijzen en nominaties, dus zal het wel meevallen.

● Ik hoop dat ik de ‘juiste vragen’ heb gesteld, ‘niet te vroeg, niet te laat’.  Zoals gezegd in het boek ‘Geen enkel verhaal kent een definitief slot.’  Hoe gaat jouw verhaal verder?  Ben je alweer bezig met een volgend boek?  En wanneer mogen we dat in de boekhandel verwachten? 

Er is geen moment (tenzij ik slaap) waarop ik niet schrijf of over een boek nadenk. Ik had een vervolg gepland op dit boek, maar dat werkte niet, dus hou ik het hierbij. De vraag naar mijn volgende boek(en) kan ik overigens alleen maar in het ‘nu’ beantwoorden, want binnen enkele maanden zijn de plannen al geëvolueerd.

Later in 2020 verschijnt bij Clavis ‘Eeuwig’, een jeugdboek dat zich gedeeltelijk tijdens de tweede wereldoorlog afspeelt en ook de tocht naar het eeuwige leven als thema heeft. Tegen het jaareinde verschijnt het tweede ‘Nomade’ boek: ik schrijf voor Clavis twee SF-reeksen die (hoewel ze zich tweeduizend jaren van elkaar verwijderd afspelen) één verhaal gaan vormen. Het vijfde en zesde boek zijn gepland voor 2021.

Voor een andere Vlaamse uitgever schrijf ik onder een schuilnaam het boek bij de TV-serie ‘Beau Séjour’ (waarvan het tweede seizoen start in januari 2021), en ik ga onder dezelfde naam ook misdaadboeken met een sprookjeselement doen. In 2021 plan ik nog een jeugdboek, gebaseerd op het werk van de Russische SF-schrijvers (en broers) Strugatsky. Tussendoor schrijf ik wat verhalen. Nooit tekort aan plannen.

Bedankt Guido Eekhaut voor jouw uitgebreide en boeiende antwoorden.  Wij van Thrillerlezers! wensen jou nog heel veel schrijfplezier en succes!

zaterdag 1 augustus 2020

Hugo Luijten ondervraagd




Hugo, welkom bij Thrillerlezers!. 

Na ‘Verast’ en ‘De Brexitmoorden’ schrijf je met ‘Het jaar van de slang’ je derde thriller.  Een korte speurtocht op het internet leert me dat je in een vorig leven werkzaam was in het onderwijs.  Vanwaar de carrièreswitch?

Ik werkte in het hoger onderwijs, en daar was een jaar of vijf geleden de zoveelste herstructurering aan de gang. Mijn job zou er niet interessanter op worden; nog meer vergaderingen, nog minder colleges geven. Er moesten een paar man uit, verspreid over verschillende leeftijdscohorten. Het lot had mij ook kunnen treffen maar ik ben zelf gegaan, met een alleszins redelijke ‘regeling’. Vanaf toen ben ik full time met schrijven bezig, hoewel ik ook aan commerciële opdrachten werk en dus niet alleen boeken schrijf. Heel af en toe geef ik wel nog les. Zomers zakt het aantal commerciële opdrachten wat in, dus probeer ik op die manier een buffer op te bouwen met een paar uurtjes les op een middelbare school. Maar ‘I am only in it for the money’. Door alle regeltjes, bedilzucht en onderwijsvernieuwingen – die in mijn ogen vrijwel allemaal verslechteringen zijn – heb ik niet echt meer het plezier in lesgeven dat ik vroeger had.

Je staat ook te boek als historicus.  Waar gaat jouw interesse vooral naar uit (een periode, een stroming, …)?

Alles, behalve de Oudheid. Voor mij begint het dus pas rond het jaar 500. Officieel ben ik afgestudeerd op de Nieuwste Geschiedenis (ruwweg van de Franse Revolutie t/m de dag van vandaag), maar of het nu middeleeuwse kathedralen zijn, de gevolgen van het Partagetraktaat voor Limburg, of de uitvinding van het WC-papier: het interesseert me allemaal. Mijn eerste roman (Offer voor een verloren zaak, 2017, The House of Books) speelde in de Eerste Wereldoorlog. Het verhaal is verzonnen, maar de hoofdfiguren (twee Duitse soldaten bij het uitbreken van de oorlog in 1914) hebben echt bestaan; het zijn voorvaderen van mij. Ooit wil ik overigens nog een romancyclus schrijven die in de Middeleeuwen speelt. Het plot voor vier delen ligt al klaar, nu nog een uitgever vinden die erin trapt…


    Hoe ziet een doorsneewerkdag er voor jou uit?

Doorsnee bestaat niet echt, omdat ik in verschillende periodes erg verschillende dingen doe. Maar als ik met een boek bezig ben, dan sta ik vrij laat op, meestal pas rond de middag. Eerst ontbijten, en dan eventueel de administratie, boodschappen of andere verplichte nummertjes. Dan ga ik schrijven, researchen, plot bedenken etc. Dat wil ik zoveel mogelijk in één ‘tijdslot’ doen, zonder dat ik onderbroken word door mails, klusjes, telefoontjes, etc. Na het avondeten (mijn dag is dan pas half bezig) kan het zijn dat ik een serie kijk met mijn vriendin (we houden allebei wel van crime), maar ondertussen blijven de raderen op de achtergrond draaien en maak ik vaak aantekeningen. Als zij om een rond 11 uur naar bed gaat, ga ik nog even door met werken, meestal tot een uur of 4-5. De nacht is van mij, omdat niemand hem hoeft. (citaat van de meester zelf ;-)

Wat heeft jou geïnspireerd tot het schrijven van ‘Het jaar van de slang’?

Het idee kreeg ik toen ik bezig was aan mijn vorige boek (De Brexitmoorden). Daar is af en toe sprake van klimaatbetogingen, omdat die ook daadwerkelijk plaatsvonden toen ik aan het schrijven was. Ik vond het als thema de moeite waard om in een apart boek te verwerken. Daarnaast heb ik een lijst met ideeën, van een paar woorden tot maximaal een regel of twee. Zoiets als ‘Man wordt dood gevonden in eigen auto’. Het thema verbind ik dan met dat idee, zo ontstaat langzaam maar zeker iets dat op een plot lijkt.

Ligt het plot reeds in grote lijnen vast op het moment dat je begint te schrijven?

Elke schrijver die beweert van niet, die liegt. Zeker in crime/thrillers. Een boek of film is spannend omdat het aan een aantal wetmatigheden voldoet. Vrij precies zelfs: op 25, 50 75 en 90% van elk (goed) boek, gebeurt iets belangrijks, iets groots. Dat kan alleen als je goed gepland/geplot hebt.
Daarnaast kan het wel dat een plot gaandeweg wat verandert. Een van die ‘plotpunten’ verschuift, of ik gebruikt iets totaal anders, ik streep een karakter bij nader inzien toch weg, etc. Dat heeft met het schrijven zelf te maken, dan schieten me in een scène vaak aardigheden te binnen die ik alleen kan zien als ik erbij ben. Jawel, je leest het goed: ik ben zelf bij alle scènes ter plekke als toeschouwer. Ik hoef alleen maar op te schrijven wat er gebeurt en wat ze zeggen. ;-)

Commissaris Cools is al aan zijn derde avontuur bezig.  In welke mate beïnvloedt zijn personage de verhaallijnen?

Weinig. Natuurlijk zou het een totaal ander boek worden als hij niet was wie hij nu eenmaal is, maar veel daarvan zit niet in de hoofdlijn van het verhaal. De cases zelf kunnen ook door andersoortige commissarissen worden opgelost. Misschien wel sneller, of met minder gedoe. Dat gedoe is dan wel weer erg eigen Cools. Maar het criminele gevaar zelf komt altijd van externen (zoals alle plots), en daar heeft zelfs een ‘grumpy commissioner’ weinig vat op. Dat gebrek aan grip op de dingen, zorgt trouwens ook voor een klassieke spanningsboog.

Hoe is het personage van Stef Cools tot stand gekomen?  Had je daarbij iemand in het bijzonder in gedachten?

Niet echt. Ik wilde graag een ‘policier’ schrijven, een detective. Uit een soort jongensachtige interesse voor de politie. Vervolgens ben ik zelf nogal onaangepast als het om hiërarchische verhoudingen gaat, dus dat de hoofdfiguur ook lekker tegendraads moest zijn, dat stond voor mij vast. Verder laat ik hem met een satanisch genoegen allemaal dingen doen die wij ‘normale mensen’ niet mogen. Hij drinkt, rookt, vloekt… Beschouw het maar als mijn antwoord op onze aangeharkte, keurig uitgeknipte en opgeplakte maatschappij.
Overigens heb ik zelf wel een beeld van Cools, zoals bij de meesten van mijn personages.

Vermits je nauw ‘samenwerkt’ met Stef Cools, mogen we veronderstellen dat hij trekjes heeft die ook terug te vinden zijn in de persoonlijkheid van zijn geestelijke vader?  Welke?

Die vraag krijg ik inderdaad vaak. Ik zit in heel veel personages. Het gedrevene van Ilse herken ik in mezelf. Het laconieke van Cif. En ja; het onaangepaste van Cools. Alleen maken mijn personages natuurlijk veel extremere dingen mee, en reageren ze ook veel extremer. Zo supergevat als Cools heel vaak is bijvoorbeeld, zo vind je in het ‘echte leven’ natuurlijk bijna niemand.

Is commissaris Cools een gepassioneerd personage?  En Hugo Luijten?  Welke passies drijven jou?

Ik denk niet dat Cools gepassioneerd is, overigens. Hij vertrouwt het alleen vaak niet, en dan wil hij de onderste steen boven. Maar het liefst zou hij de hele dag in op café zitten, vermoed ik.
De vraag beantwoordend: passie… ik vind dat een lastige term. Ik kan helemaal opgaan in schrijven. Als ik een lezing geef of een radiopraatje hou, dan hoor ik vaak van toehoorders dat ze ge-enthousiasmeerd raakten. Ik kan enorm genieten van muziek maken en luisteren (ik speel op een hoog niveau bastuba). Maar gepassioneerd… ik weet niet of ik dat ben hoor.

De commissaris van politie gebruikt een heel arsenaal aan krachttermen.  Kan je uitleggen waarom je hem met deze vaardigheid hebt gezegend?

Vooral in Nederland boven de rivieren kreeg ik daar bij lezingen etc. al vaak commentaar op, in het zuiden en Vlaanderen nog nooit. Ik denk dat het iets calvinistisch is, om meteen iets van dat vloeken ‘te vinden’. Katholieken vloeken meer, is mijn ervaring. Het heeft dus ook iets provocerends, iets tegen de gevestigde orde, tegen het brave, volgzame, afgeborstelde. Zowel van mijzelf overigens, als voor de romanfiguur Stef Cools. De anderen personages vloeken ook wel, maar niet zo uit hun kleine teen als Cools. Dat maakt hem al meteen onaantrekkelijk voor tegenspelers die wat meer op hun woorden (willen) letten.

Meermaals drijft hij zijn overste Durbecq tot wanhoop met zijn acties en discussies.  Ga jij graag in discussie?

Ik ben een conflictvermijder, echt ruzie zal ik zelden maken. Maar discussies ga ik niet uit de weg. Ik heb nogal een harde stem, dus van een afstandje denken mensen vaak dat ik ruzie sta te maken met mijn debatpartner. Maar dat is dus discussiëren. Dat kan over van alles zijn, serieuze dingen als politiek of muziek. Maar het kan net zo goed gaan over iets onnozels of Ringo Starr echt een ‘linkshandige drummer’ is, of dat dat een marketingverhaaltje is (dat laatste, overigens).


In het ‘Zolderkot’ bij Bolleke (kan het nog Antwerpser?) in de Kelderstraat kan Stef Cools tot rust komen.  Heb jij ergens in Antwerpen zo’n toevluchtsoord?

Jawel, dat is café Het Keldergat in de Kelderstraat. Zolang het er nog is, heet dat. Café De Duyfkens om de hoek op de graanmarkt strijdt bij wijlen om de voorrang en als ik het echt laat wil maken is er nog café De Rui op de Oudevaartplaats. Zowel het Keldergat als De Rui keren regelmatig terug in mijn boeken. Weer een stukje van Cools dat op mij lijkt dus…

Cif verslindt de ene chocoladereep na de andere.  Een kleine ondeugd waaraan jij je ook bezondigt?


Ik snoep erg weinig, althans dat probeer ik. Mijn suikerspiegel slaat dan namelijk op hol en dat is niet altijd aangenaam. Maar ik ben op zich wel van de Snickers. Zo bont als Cif maak ik het dus nooit, maar ik vond die ondeugd wel bij hem passen.

De oude binnenstad van Antwerpen is het actieterrein van de commissaris.  Komen die straten en pleinen ook echt tot leven tijdens het schrijven?  Probeer je, als voorbereiding op het boek, het traject uit?

Ik kan alleen over iets schrijven dat ik zelf erg goed ken, het liefst bij mij voor de deur dus. Overigens probeer ik het te situeren in ‘groot Antwerpen’. Ook de wat rauwere, minder toeristisch aantrekkelijke stukjes komen aan bod.
Trajecten, straten, routes, etc. probeer ik inderdaad uit. Ook voor plekken waar ik heel vaak kom, blijkt mijn geheugen onbetrouwbaar. Gelukkig is er ook nog Google Streetview, zodat ik niet steeds terug moet gaan (en waarop de mensen vast denken: ‘Alweer die gast die hier komt langsgesjokt? Bel de flikken!’) Ik vind het wel leuk als ik hoor dat mensen dingen gegoogled hebben. In dat soort research steek ik erg veel tijd (belachelijk veel zelfs), dus dan is het plezant als dat gewaardeerd wordt.



Als historicus heb je een belangrijke band met het verleden.  ‘Het jaar van de slang’ is dan wel een fictief verhaal, heb ik het juist wanneer ik zeg dat uit dit boek ook jouw bezorgdheid blijkt voor de zware uitdagingen die ons wachten in de toekomst?

Dat is zeker zo, al laat ik het oordeel aan de lezer zelf en probeer ik alle invalshoeken evenveel aan bod te laten komen.
Hoewel het mijn aard helemaal niet is, ben ik wat dat betreft nogal pessimistisch: het schijnt mij toe dat de mensheid de aarde (en zichzelf) helemaal niet wíl redden.

Managers, ministers, Staatsveiligheid, grote concerns, ze maken geen al te beste beurt in ‘Het jaar van de slang’. Is dat Hugo Luijten die zijn mening geeft of is het gewoon onderdeel van de fictie?  Wil je met dit boek een boodschap meegeven aan de lezer?   

Ik heb moeite met macht, mijn hele leven lang al. Vooral als het niet op gezag is gebaseerd, hetgeen vrijwel altijd het geval is. De eindeloze schare managers die ik in mijn werkzame leven heb zien passeren is, enfin… ik zwijg best. Er zaten trouwens ook zeer goeie tussen, maar veel verder dan een stuk of twee kom ik niet. Ook politici overtuigen mij zelden, omdat ze vrijwel altijd liegen of op zijn minst hypocriet zijn.
Dus inderdaad: mijn eigen verhouding met macht komt in het boek aardig naar voren, al moet ik erbij zeggen dat dit het plot zeker niet in de weg staat maar juist naar voren helpt. Het creëert een extra spanningsboog.

Zijn de klimaatbetogingen, de milieucrisissen, het falend beleid van ministers je tot inspiratie geweest?

Niet echt, in zoverre dat het een thriller is, een geen politiek pamflet. Klimaatacties vormen in het boek een decor, het is niet zo dat ik op die manier lezers ergens van wil overtuigen. Wel zie je dat in onze gepolariseerde maatschappij steeds fellere standpunten worden ingenomen. Die felheid maakt dat de gebeurtenissen in mijn boek mijzelf niet eens zo heel fantastisch voorkomen.



Tot slot nog even de cover.  Hoe mooi is die!  Op welk moment in de wording van het boek werd beslist dat het deze zou worden?  Denk je daar mee over na?

Covers maken is een vak, zowel qua vormgeving als qua tekst en dan nog de verhouding tussen die twee. Er zijn maar weinig schrijvers die zich daarmee bemoeien. Ik ben natuurlijk wel benieuwd, en soms geef je een suggestie (licht-donker, andere kleurstelling, ‘doe eens wat meer bloed erbij’), maar meer ook niet.

Bedankt, Hugo, dat je tijd wou vrijmaken om naast al jouw andere bezigheden te antwoorden op de vragen!