Posts tonen met het label Genootschap van Vlaamse Misdaadauteurs. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Genootschap van Vlaamse Misdaadauteurs. Alle posts tonen

woensdag 24 december 2025

In gesprek met Dominique Biebau


 ‘Duivelsklauw’ van Dominique Biebau bevat meer dan spanning alleen. Na een spannende proloog ontvouwt de misdaadroman zich tot een gelaagd verhaal over bijgeloof, irrationele angst, uitsluiting, schuld en wraak. Tegen het decor van het dorp Mollendaal en geïnspireerd door Edgar Allan Poe en andere gotische klassiekers, houdt de auteur de lezer een ongemakkelijke spiegel voor. Hoe kwam Duivelsklauw tot stand, wat heeft Edgar Allan Poe hiermee te maken en waarover gaat de essentie van het verhaal? Dominique Biebau geeft antwoord.

Dag Dominique

-      Jouw nieuwe misdaadroman brengt ons opnieuw naar Mollendaal. Voor de nieuwe lezers, waar ligt Mollendaal?

 

Mollendaal bestaat niet echt (spoiler), maar het heeft wel een bestaande naam. Ik woon in Bierbeek in Vlaams-Brabant en in de buurt ligt een gehucht met de naam Mollendaal, een paar huizen in de schaduw van het  Meerdaalwoud. De naam fascineerde me zo hard dat ik het als locatie gebruik voor mijn boeken. Ik zie het als een soort Vlaamse versie van Midsomer, de dorpjes uit de gelijknamige Britse crimiklassieker.

 

-      ‘Duivelsklauw’ opent met een heftige scène. Welk effect wou je sorteren?  

 

Het boek begint inderdaad met een typische cliffhanger: een vrouw ligt onder een slingerende valbijl die langzaam dichterbij komt – een knipoog naar Edgar Allan Poe’s kortverhaal The Pit and the Pendulum. De lezers weten nog niet wie de vrouw onder de valbijl is – dat wordt pas later duidelijk. Hopelijk zet hen dat aan om verder te lezen.

 

-      Jaren terug, in Mollendaal, kwam het Schervengericht samen en werden Edward en zijn moeder uit het dorp verbannen. Deze vorm van ‘rechtspraak’ is fictief of heeft echt bestaan?

 

Het Schervengericht is losjes gebaseerd op de gelijknamige praktijk uit het Oude Athene. Daar kon je iemand verbannen door zijn naam op een scherf te schrijven. Wie voldoende tegenstemmen kreeg, moest de stad verlaten. In mijn boek wordt Edward verbannen, een jongen met een gigantische moedervlek op zijn gezicht. De burgers van Mollendaal besluiten hem en zijn moeder weg te jagen omdat ze bang zijn voor zijn misvormde gezicht.

 

-      Is Duivelsklauw een hommage aan de gothic novel?

 

Absoluut. Als student Germaanse talen verslond  ik gothic novels, het was ook een van mijn keuzevakken. Duivelsklauw bevat alvast heel veel verwijzingen naar  - uiteraard – het werk van Edgar Allan Poe, maar ook Frankenstein, Dracula, de werken van Coleridge passeren de revue. Het zijn werken die vaak draaien om anders zijn en hoe de maatschappij daarmee omgaat. Ze stellen ook de vraag: ‘Wie is nu eigenlijk het monster? De persoon die afwijkt, of net de gemeenschap die mensen afwijst op basis van hun uiterlijk.’

 

-      Edgar Allan Poe speelt een belangrijke rol in jouw boek. Is Duivelsklauw een eerbetoon aan Poe? Of zijn de verhalen van Poe de literaire laag waaruit jouw verhaal is ontkiemd? Wat trekt jou aan in zijn werk?

 

Het is moeilijk om géén fan van Poe te zijn. De man ligt aan de basis van het moderne horrorgenre en van het detectiveverhaal. Het is ook een fascinerende persoonlijkheid, hoewel sommige elementen uit zijn biografie wel wat hedendaagse wenkbrauwen doen fronsen (zo trouwde hij toen hij 26 was met zijn 13-jarige nicht). Voor de rest is hij het prototype van de ‘poète maudit’, de schrijver die ten onder gaat aan zijn eigen schrijverschap. Zelfs na zijn dood blijft hij mensen inspireren. Zo is er de anekdote van ‘Poe-toaster’, een onbekende persoon die elk jaar op de verjaardag van Poe een fles cognac en enkele rozen achterliet op zijn graf.

-      Elk spel is geïnspireerd op een Poe-verhaal. Welk Poe-verhaal vond jij het leukst om te verwerken in jouw boek?

Dat is een moeilijke vraag. Ik heb Poe’s werken als een grabbelton gebruikt, maar als ik dan toch moet kiezen… Het verhaal Het masker van de rode dood is misschien wel mijn favoriet: een verhaal waarin een rijke prins een luxefeest organiseert terwijl zijn volk wordt getroffen door een pestepidemie, wat natuurlijk slecht afloopt. In Duivelsklauw heb ik van het feest een soort escaperoom gemaakt. Ik vond het alvast heerlijk om de deelnemers aan diabolische opdrachten te onderwerpen. Ik vraag me af wat dat over mij zegt…

😊

-      Met welke passage in het boek zou je lezers willen verleiden tot het aankopen van jouw boek?

Ik zou dit fragment nemen: de moeder van Edward leest hem een sprookje voor – net voordat ze uit het dorp worden weggejaagd.
Het contrast tussen de intieme moeder-zoonband en de angstaanjagende buitenwereld vind ik iets hartverscheurends hebben. Als ouder proberen we uiteindelijk altijd onze kinderen te beschermen, maar dat lukt jammer genoeg niet altijd.

Vroeger

Elke liefde begon met een vraag. Iemand die voor je stond en zei: ‘Ik zie je graag. Jij mij ook?’ Elke liefde begon met een vraag – behalve één soort: die van een moeder voor haar kind. Die startte met een antwoord. ‘Ik hield al van jou voor je er was.’
Ze had nooit gedacht dat liefde zoveel pijn kon doen.

***

‘Mama, kan je me nog eens het verhaal vertellen van Anabelle en het Beest?’
‘Belle, lieve schat,’ corrigeerde zijn moeder hem met een glimlach.
‘Ja, dat!’ riep het jongetje enthousiast.
Ze plofte naast hem neer op het kleine bed dat krakend protesteerde onder hun gewicht. Haar hoofd zat vol lijstjes met dingen die ze nog moest doen. Ze was moe.
Haar zoontje lag onder een donsdeken met daarop een breed grijnzende Mickey Mouse afgebeeld, zijn magere armen en benen staken als sprietige takken onder het deken uit. Zijn ogen straalden, iets wat ze moeilijk kon weerstaan. Er zat de laatste tijd steeds vaker een doffe glans in de blik van haar zoon. Echt verwonderlijk was dat niet. Kinderen konden wreed zijn.
Ze drukte haar vermoeidheid uit als een opgerookte sigaret. ‘Ik heb dat al zeker tien keer verteld,’ zei ze met zachte stem. ‘Misschien wel honderd keer.’
De jongen knikte enthousiast. ‘Het is mijn lievelingsverhaal.’
Zijn moeder aaide door zijn donkere haren en ontblootte daarmee de karmijnrode wijnvlek die het leven van haar zoon zo beheerste. Wijnvlek. De naam klonk feestelijker dan de realiteit. Alsof iemand tijdens een receptie een glaasje rood op haar zoon had gemorst.
‘Volgens mij ken je het verhaal al beter dan ik.’
Opnieuw knikte de jongen.
Ze nam het boek voorzichtig van de plank en legde het open op haar schoot.

***

‘En ze leefden nog lang en gelukkig.’ Ze sloot het boek en stopte haar zoon zorgvuldig in. Hij was halfweg het verhaal al in slaap gevallen. Ze had het verhaal vooral aan zichzelf verteld.
Net op dat ogenblik werd op de deur gebonsd.

 Niet alleen Poe, ook Shelley met Frankenstein, sprookjes en film lijken voor jou bronnen van inspiratie. Waarin zit de kracht van literatuur volgens jou?

Literatuur is een vluchtheuvel, een plek waar je naartoe kan als de wereld rondom te chaotisch en te hard lijkt. Toch is het meer dan escapisme, als lezer kom je immers altijd terug naar de realiteit, maar dan wel met een rugzak vol waardevolle ideeën en verhalen die je kunnen helpen in het dagelijkse leven. Als mijn boeken een ding gemeenschappelijk hebben is het misschien wel de onvoorwaardelijke liefde voor boeken en verhalen (en dat is ruimer dan ‘literatuur’). Judith, een van de hoofdpersonages, is niet voor niets een bibliothecaris.

-      Wie de dader is is niet lang een geheim. Waar draait het dan om in jouw misdaadroman? Kan je dat in enkele trefwoorden samenvatten?

Duivelsklauw is niet echt een klassieke whodunit, want je weet inderdaad al snel wie de dader is. In dit boek draait het meer om de zoektocht naar de identiteit van het slachtoffer en om de afloop. Je wilt vooral weten hoe het met de hoofdpersonages afloopt – en dan vooral met Edward, de jongen die eigenlijk nooit echt een kans gekregen heeft.

-      Vergis ik me of is de sfeer die rond de Moordwijven hangt enigszins anders dan in ‘De Christiemoorden’?

De sfeer is een stuk donkerder, wat ook te maken heeft met de auteur die ik in de kijker zet. Het gaat er in Agatha Christies boeken – ondanks alle moord en doodslag – best wel gezellig aan toe. Haar boeken zijn vroege voorbeelden van cosy crime, iets waar je Edgar Allan Poe niet echt kan van beschuldigen. Ik was nochtans gestart met het idee om een boek te schrijven dat ook stilistisch aansloot bij De Christiemoorden, maar gaandeweg merkte ik dat de duisternis die in Poe’s verhalen zit toch ook wel doorsijpelde naar mijn eigen schrijfstijl. Toch heb ik geprobeerd om hier en daar wat humor binnen te smokkelen.

-      Mag de lezer empathie voelen voor Edward, ondanks zijn daden? Wie of wat is het echte monster in ‘Duivelsklauw’? Werd je ook geïnspireerd door de ideeën van Jean-Jacques Rousseau?

Ik heb zelf alvast een grote sympathie voor Edward. Door zijn moedervlek is hij al snel het slachtoffer van pestgedrag en verandert hij van een open, onschuldig kind in iemand die hij niet wil zijn. Hij verandert in datgene dat de anderen in hem zien: een monster. Zo speelt hij de rol die anderen voor hem gekozen hebben. En ja, ik denk dat die anderen eigenlijk de echte monsters zijn in dit verhaal. Ik heb me niet bewust laten inspireren door Rousseau, maar het klopt natuurlijk wel: geen enkel mens wordt als een monster geboren. Monsters worden gemaakt – en meestal door ‘gewone’ mensen zoals Aloïs.

-      Welk thema moet de lezer volgens jou als centraal thema in de roman ontdekken? Wat is de essentie van deze misdaadroman?

Elke misdaadroman heeft natuurlijk ‘misdaad’ als thema, maar Duivelsklauw draait toch ook om hebzucht. Edward neemt wraak op het dorp dat hem heeft verjaagd door misbruik te maken van de kleine kantjes van de dorpelingen. Hebzucht is daar zeker één van.

-      Hoe belangrijk is humor voor u, zelfs in een grimmig verhaal als dit?

Humor is heel erg belangrijk. Uit de eerste reacties blijkt ook dat lezers die humor wel weten te appreciëren. Mijn boeken geven me de kans om over een heleboel dingen mijn mening te geven en die verpak ik maar al te vaak in grappige stukjes. Vooral de personages Eline en Sien, de oudere dames die de leesclub Met Thrillende Vingers hebben opgericht, zijn me op dat vlak heel dierbaar. Eline is een heerlijk cynische vrouw die overal wel een pittige mening over heeft.

-      Mollendaal lijkt een miniatuurversie van onze maatschappij. De roman toont hypocrisie, bekrompenheid en egoïsme zonder veel genade. Is schrijven voor u ook een vorm van maatschappijkritiek?

Het is niet mijn bedoeling om mijn lezers een geweten te schoppen, want dat werkt toch niet. Nu en dan laat ik wel wat maatschappijkritiek doorsijpelen in mijn teksten, maar dat is zeker niet het hoofddoel. Bovendien heb ik ergens wel begrip voor de kleine kantjes van de mensheid – humor kan daar ook wel bij helpen. Niemand is uiteindelijk honderd procent goed of slecht. Uiteindelijk ploeteren we allemaal.

-      Begrijp je me als ik zeg dat de lezer zich ongemakkelijk zou kunnen voelen tijdens het lezen van dit verhaal? Is dat ook wat je wil bereiken?

Ook dat was niet mijn hoofdbedoeling. Ik wil vooral een spannend verhaal vertellen en ervoor zorgen dat mensen meeleven met mijn personages – ook al doen die soms dingen die niet helemaal juist zijn.

-      Tot slot: Kreeg je al lezerreacties binnen? Wordt het boek ontvangen zoals je het je gewenst hebt?

De eerste recensies zijn inderdaad al binnen en die zijn voor het grootste deel echt positief. Sommigen geven aan dat dit boek net iets literairder is dan zijn voorganger, De Christiemoorden. Anderen wijzen er wel op dat het begin een harde noot is om te kraken: er komen veel vertelperspectieven bij elkaar en dat maakt het misschien wat moeilijker om ‘in’ het verhaal te geraken, maar als je er eenmaal in zit … 😉

Dankjewel Dominique voor jouw verhelderende antwoorden die een waardevolle aanvulling zijn op het verhaal in ‘Duivelsklauw’. Hopelijk gebeurt er snel weer wat in Mollendaal en maak je ons er deelgenoot van.

Graag gedaan! Dank je voor het gesprek.

Anita voor Thrillerlezers!



zaterdag 29 augustus 2020

Guido Eekhaut ondervraagd

 

Onlangs las ik ‘Het huwelijk van tijd en ijs’.  Een boek over de stichting van de Republiek Antarctica zo’n honderd jaar geleden, over een jonge wetenschapper die bizarre experimenten uitvoert, over de droom van  eeuwige jeugd. 

In het nu volgende vraaggesprek geeft Guido Eekhaut tekst en uitleg over ‘Het huwelijk van tijd en ijs’ en over nog zoveel meer.

Wie of wat inspireerde jou tot het schrijven van ‘Het huwelijk van tijd en ijs’?/ Vanwaar komt het idee voor dit boek?

De idee om het boek voor een deel te situeren in het zuidpoolgebied en de republiek van Antarctica, komt uit een roman van John Calvin Batchelor, een Amerikaans schrijver die enkele geweldige boeken schreef in de jaren tachtig. De rest is het gebruikelijke proces: inspiratie en ideeën komen naargelang ik schrijf, en nadat ik de basis voor het boek heb gelegd. Antarctica is nog altijd een van die vreemde en weinig bekende gebieden, hoewel het toerisme daar nu ook toeslaat.

Ik wilde opnieuw een ‘avontuurlijk’ en ‘spannend’ boek schrijven, na ‘De Verdwijning’, dat eerder een filosofisch en feministisch boek was. Het avontuur lokte, met helden en schurken en een mysterie. Veel meer dan dat heb je niet nodig om aan een boek te beginnen.

Het boek kreeg het etiket ‘thriller’.  Waarom een ‘thriller’ en niet een ‘avonturenroman’? 

Dat is puur een marketing beslissing vanwege de uitgever, omdat ‘thrillers’ nu eenmaal beter verkopen dan ‘romans’ of om het even wat. Het is het gevolg van een hokjesmentaliteit (bij verdelers, boekhandels maar ook publiek) waar ik zelf problemen mee heb, want ik probeer altijd dwars over genres heen te schrijven. Het boek is inderdaad een avonturenroman, er komt misdaad in voor, maar ook romance en er is een wetenschappelijke ontdekking die voor ons nog onmogelijk is. In het Nederlandse taalgebied is die hokjesmentaliteit nog steeds erg streng. Dat werkt in mijn nadeel. In ben een genre-auteur, en dus grotendeels genegeerd door de ‘literaire’ kritiek, een ander gevolg van de opdeling in ‘genres’. Omdat ik regelmatig andere boeken schrijf, en me dus over het hele spectrum van genres begeef, spreek ik geen groot, vast publiek aan. Ik diversifieer teveel, maar dat is de aard van het beestje.

Het boek start en eindigt in Marseille, een stad die in jouw boek wordt geassocieerd met een mank functionerende prefectuur  en achterstand, vooral waar het de wijk ‘la Valentine’ betreft.  Vanwaar de keuze voor Marseille?

Oorspronkelijk had ik een fictieve stad gekozen, maar na overleg met de uitgever is die meer concreet geworden. Toch zijn de beschrijvingen niet die van het echte Marseille, waar ik overigens nooit geweest ben (wel in de buurt). Mijn vorige fictieve steden (Orsenna, bijvoorbeeld) hebben altijd iets zuiders gehad, als spiegels van de vele steden rondom de Middellandse Zee waar ik van houd. Vorm volgt functie, neem ik aan, en dus transformeer ik echte steden tot het geschikte decor voor mijn boek. Ik heb vaak genoeg de een of andere versie van Londen gebruikt, maar dan een laat-Victoriaanse variant van die stad. Soms doe ik heel gedreven research om het decor levensecht te hebben (de Canadese misdaadboeken, die ik onder de schuilnaam Nellie Mandel schreef, zijn daar een goed voorbeeld van), maar dat is niet altijd nodig. Ik denk maar: wat voor Italo Calvino goed is, is voor mij ook goed.

Marseille

En dan gaat het richting Antarctica.  De vermelding van Amundsen en Baedeker, uitgever van reisgidsen, doen me vermoeden dat je je interesseert voor mensen die weinig geëxploreerde oorden opzoeken.  Klopt dat?

Vele van mijn personages zijn eenzaten, die hun wereld willen verkennen, wat een fundamenteel menselijke drang is. Mensen wilden altijd weten wat er achter de volgende heuvel of zee lag, vandaar dat we de enige hogere diersoort zijn die over de hele planeet verspreid raakte. Ik ben dan ook geen liefhebber van de huis-tuin- en keukenliteratuur, zo populair in onze Vlaamse/Nederlandse letteren. De innerlijke roerselen van een Antwerpse huismoeder geconfronteerd met banale problemen (ik stel het nu karikaturaal) laten me koud (in de literatuur alleszins). Ik heb grote ideeën nodig, ruime decors, bizarre personages. Spanning en avontuur. Daarvoor heb ik goed getekende personages nodig, die het verhaal zin en richting geven.

Ik ben opgegroeid met avonturenboeken, met klassieke en experimentele SF, onder andere met de boeken van Ursula Le Guin, Philip Dick, J.G.Ballard, Julien Gracq, Thomas Disch en Jack Vance. Dat is, inderdaad, een eclectische verzameling. Daarom is het met mij helemaal misgegaan (als schrijver toch). Soms schrijf ik meer intimistische misdaadboeken (Canada), soms extravagante alternatieve geschiedenissen (de Malvil-reeks).

Heb je er ooit van gedroomd om zelf zo’n reis te ondernemen?  Waar zou die reis je dan brengen?

Ik ben op een bijna decadente manier gesteld op luxe, voor zover ik die kan betalen. Vorig jaar logeerden we in uitstekende viersterren hotels aan het Gardameer en in de Provence (maar telkens dankzij een voordelige aanbieding). Ik heb, als journalist, de donkere kanten van Londen en Amsterdam gezien, en er verbleven, maar die tijd is voorbij. Anderzijds zal ik van vrienden een flat of huisje huren, als dat betaalbaar is. Grote, exotische reizen trekken me niet aan. Wil je dat op een aanvaardbare manier doen, dan kost dat handenvol geld. Niet dat ik die plekken niet wil zien. Ik zou een reis door Japan willen maken, maar het project ligt buiten onze financiële mogelijkheden. Ik reis ook graag alleen (maar wel met mijn vrouw), en niet in een gezelschap. Het liefst breng ik tijd door in grote, oude steden ergens in Europa, en er is veel wat ik nog niet zag, dus ik hoef niet meteen naar Vietnam of Nepal.

 

Zijn de namen van jouw hoofdpersonages willekeurig gekozen of hebben ze hun roots in de echte wereld?

Ah, namen. Ik zoek gewoon op het internet of in boeken tot ik iets geschikt vindt. Occasioneel is er een woordspelletje, of een verwijzing naar een mij geliefd of gehaat persoon, maar verder gaat dat niet. Mensen herkennen zich niet in mijn boeken, meestel terecht.

Heeft één van hen of hebben ze allen trekjes van hun geestelijke vader, van jou dus?  Welke?

Die vraag kan ik zelf niet beantwoorden, omdat ik vermijd aan zelf-analyse te doen. Ze lijken ook niet op mensen die ik ken, al steel ik hier en daar een kenmerk, maar nooit het totale beeld van echte mensen. Occasioneel heb ik iemand op gruwelijke wijze vermoord die dat in mijn verwrongen geest verdiende. Meestal ben ik echter vergevingsgezind of mild, al loopt het niet met al mijn personages goed af.

Op wie lijk jij het meest?  Op de nimmer opgevende Selavy, op de regeltjesrespecterende Steiner of op rijkeluiszoontje Roussel?

Op geen van hen. Maar misschien heb ik dat niet in de gaten.

Roussel kijkt neer op schrijvers die leven van hun schrijven.  Is dat een knipoog naar de lezer? 

Alles is een knipoog naar de lezer, maar ik kijk niet op die mensen neer, omdat ik zelf probeer te leven van het schrijven (wat me, buiten de periode toen ik journalistiek werk leverde, nooit lukt, verre van). Nee, Roussel is een verwaande kwast, een pompeus ventje, en verwerpelijk decadent. Ik hou van hem.

 

 

Hou je van jouw personages?  Wat voor relatie heb je met hen?

Nee, en Geen, zijn de antwoorden. Maar dat is niet helemaal waar. Britt, het hoofdpersonage van de ‘Enigma’-serie die ik momenteel voor jongvolwassenen schrijf (bij Clavis), ligt me nauw aan het hart, omdat ze de afspiegeling is van iemand die ik als mens apprecieer. De meeste andere personages komen en gaan. Ik schrijf zo’n vier boeken per jaar, en dus verbruik ik veel personages, zoveel dat ik ‘bijbels’ bijhoud om me nadien te helpen herinneren waarover een boek gaat en hoe de personages heten.


Antartica

Naast het ijs is de factor ‘Tijd’ nagenoeg het ganse boek door aanwezig.  Zonder al te veel te spoileren, kan je even verduidelijken waarom?

Niet geheel per toeval heb ik de voorbije jaren verschillende boeken geschreven waarin de personages op zoek gaan naar het eeuwige leven (of iets wat daar in de buurt komt). Dit boek, en het jeugdboek ‘Eeuwig’ (Clavis, najaar 2020), en nog een novelle. Er is iets Freudiaans aan de gang, maar ik deel met Nabokov een zekere achterdocht ten overstaan van de theorieën van de Weense Kwakzalver. Met het stijgen van mijn biologische leeftijd (mentaal ben ik 36), hoop ik dat de wetenschap mij voorbij de volgende twee eeuwen helpt, en in goede gezondheid — maar ik heb teveel SF gelezen en vrees dat het niet zal gebeuren.

De Tijd (met hoofdletter), is een raadsel, en dus voor deze schrijver aantrekkelijk. Waarom bestaat de Tijd eigenlijk, en is het misschien een menselijke illusie? Kan een universum zonder Tijd bestaan? Daarover worden boeiende dingen geschreven, zowel door filosofen als door fysici. Ver buiten de dagelijkse bekommernis van mensen, dat begrijp ik. Maar wat doe je in het leven, als je je niet occasioneel bezig houdt met de grote raadsels van het universum? Tijd en eeuwigheid hebben vele mensen doorheen onze geschiedenis gefascineerd. Literatuur kan niet bestaan zonder aan dat en andere fundamentele raadsels te raken. Ik las in mijn snotjaren Jorge Luis Borges, en Vladimir Nabokov, en andere schrijvers die elk op hun eigen manier met het concept van de ‘tijd’ speelden. De echo’s daarvan weerklinken nog altijd in een aantal van mijn boeken. Niet allemaal, want ik schrijf ook ‘gewone’ misdaadverhalen. Maar net als ‘De Verdwijning’ is ‘Tijd en IJs’ een ontdekkingsverhaal dat op vele niveau’s kan gelezen worden.

Je neemt uitgebreid de tijd om de jonge Selavy, Steiner en Roussel voor te stellen.  Kan je uitleggen waarom je daar zoveel bladzijden en ‘tijd’ aan besteedt?

In dit soort boek zijn zij belangrijk genoeg omdat de plot om hun karakter draait. Ze zijn geen clichés, zoals de knorrige rechercheurs uit de ‘Vlaamse’ thrillerreeksen van sommige van mijn collega-auteurs (voor wie ik overigens veel respect heb). Ze hebben bizarre dimensies, en er scheelt een en andere aan hen, en ze doen misschien dingen die inconsequent zijn. En net als hun auteur zijn ze geneigd moeilijke woorden te gebruiken.

Anderzijds hoef je niet van je personages te houden, terwijl je ze toch zorgvuldig ‘ontwikkelt’. Ik ben ook niet emotioneel met hen betrokken. Ze moeten helder en duidelijk in de geest van de lezer opduiken, en misschien emoties opwekken. Ik vind soms gaat ik daar niet ver genoeg in ga, toch niet in al mijn boeken.

‘Het huwelijk van tijd en ijs’ geeft een niet al te positief beeld van de mensheid, een beeld dat ook van alle tijden en tijdloos is.  Aan het woord is dan Guido Eekhaut, de schrijver?  Ben jij als Guido Eekhaut, wanneer je niet aan het schrijven bent, ook zo pessimistisch gestemd wat het mensdom betreft?

Ik ben een optimist met betrekking tot de mensheid in abstracte zin, tot haar vermogen om steeds weer te ontsnappen aan de finale uitroeiing (een dreiging die ontstaat, meestal door haar eigen stommiteiten), en tot de technologische en wetenschappelijke veerkracht die we ontwikkelen. Toen ik nog als futurist door het leven ging, was mijn basisboodschap: ‘Je moet niet bang zijn voor de toekomst, maar wel voorbereid’. Ik zie een schitterende toekomst, omdat de meeste SF die ik las en lees ons toont wat we kunnen bereiken. Maar daarvoor hebben we wetenschap en technologie nodig, en dus de Rede (met een hoofdletter).

Dus ben ik bij de dagelijkse confrontatie met de werkelijkheid pessimistisch: als je ziet tot hoeveel domheid (soms verheven tot een levensstijl), onwetendheid, vooringenomenheid de mensen in staat zijn, dan wanhoop ik. We leven in een tijdperk van het egoïsme: mijn rechten zijn belangrijker dan jouw gezondheid. Solidariteit is vaak zoek. Politici die beroep doen op burgerzin en verantwoordelijkheid, hebben dat niet begrepen. Een niet te verwaarlozen deel van de bevolking kent die fenomenen niet, of negeert ze opzettelijk. Rechten worden gezien als primair, niet vergezeld gaand van plichten.

Maar dan zie ik dat grote groepen mensen opstaan tegen totalitaire leiders, tegen georganiseerde misdaad, tegen het superkapitalisme, tegen de superrijken — en dat stemt me hoopvol. Ik zie dat de impuls vaak van jonge mensen komt, en hoop dat zij collectiviteit en solidariteit hoger houden dan het ik-denken.

Als schrijver en als persoon moet ik die fenomenen tegen elkaar afwegen. Er is ook een praktisch probleem. Ik zou optimistische en avontuurlijke boeken willen schrijven die zich in een fascinerende toekomst afspelen, maar in dit taalgebied is daar alleen een markt voor bij de jongeren, niet voor volwassenen. Geen uitgever die zich nog aan home-grown SF waagt. In de Verenigde Staten, in de hele Engelstalige wereld en elders ook, zie je techno-utopische boeken, zie je boeken die reële problemen bespreken in een toekomstig kader. Dat is wat goede science fiction al een eeuw probeert te doen. Goede ideeën ontstaan als antwoord op de vraag: ‘wat indien…?’

Vlaanderen in het bijzonder toont zich avers tegenover toekomstdenken. Daar doen wij hier niet aan, al zijn er hier en daar in het bedrijfsleven enkele uitzonderingen. Kijk naar onze politici: eng nationalisme, problemen oplossen wanneer ze zich voordoen, en alle andere zonden van het populisme. De toekomst waarin ik geloof is die van de open samenleving, geleid door mensen die durven plannen en zelfs dromen.

China pakt dat anders aan. Daar keken de leiders naar wat mensen als Elon Musk drijft, en de conclusie was: die hebben techno-SF gelezen in hun jonge jaren. En daarom ‘geloven’ ze in de toekomst. Met als gevolg dat science fiction nu zowat een literaire religie geworden is, in China, met als bedoeling de jeugd warm te maken voor wetenschap en technologie. En dat schijnt te lukken. Dat China een autoritaire staat is, is wat anders, en het is een probleem. Maar dat zijn de VS en het Verenigd Koninkrijk ook.

De zoektocht naar de heilige graal, de eeuwige jeugd is eveneens van alle tijden.  Denk jij dat de mens er ooit in zal slagen om de wereld zo te organiseren dat één of andere versie van een ‘utopia’ kan gerealiseerd worden?

Dat hoort bij de vorige vraag, denk ik. Maar wat ik geloof of hoop, doet weinig terzake. Heel wat meer mensen moeten overtuigd zijn van de zin van wetenschap en technologie voor het oplossen van onze problemen. Neem nu ons watertekort. Is er te weinig water, wat België betreft? Ja, we hebben niet genoeg grote rivieren, een te dichte bevolking en teveel beton. Maar er zijn landen, erger gesteld dan bij ons, waar men oplossingen heeft, al decennia. Er is water genoeg, in de zee, en dat kun je ontzilten en zuiveren. Laten we dat doen.

Dat is maar een voorbeeld. Het lijkt alsof er nooit genoeg politieke daadkracht is, en wat er is wordt verspild aan niet-problemen (immigratie). Ik vraag geen utopia (want dat is saai), maar zinnig, toekomstgericht denken. Maar in dit land (en elders in Europa) heeft politiek en beleid teveel de neiging om problemen ad hoc op te lossen, met alle continue veranderingen van richting van dien. Het beleid ivm Corona is daar een voorbeeld van. Politieke (en financiële) belangen overheersen de rationeel wetenschappelijke.

En dan is er Lönnroth.  Op het internet ontdekte ik een zekere Erik Lönnroth, geschiedkundige.  Heb je die naam ook daarom gekozen, om te onderstrepen dat het menselijk gedrag van alle tijden is en de geschiedenis zich steeds herhaalt?

Nee, Lönnroth is een personage uit een verhaal van Borges. Er moet geen verdere betekenis gezocht worden aan de keuze van die naam.

Je bent met dit boek duidelijk niet over één nacht ijs gegaan. Naast vele paradoxen, bevat het boek veel symboliek en ongelofelijk mooi gevonden metaforen. 

 Hoeveel en welke voorbereiding is aan dit boek voorafgegaan?


Dank je wel. Ik heb enkele boeken gelezen over Antarctica om de ‘idee’ van de plek juist te hebben, en om enkele technische details mee te kunnen nemen. Ik doe niet echt veel research. Zijn er dingen die ik nodig heb, dan struin ik het internet af, of ik ga zoeken in mijn bibliotheek. In een boek zoals dit is de sfeer belangrijk, en daar helpt mijn verbeelding. En mijn ervaring als schrijver. Een van de weinige kwaliteiten waarop ik me kan beroepen, is ervaring. Schrijven is een ambacht, en dat moet jarenlang geoefend worden. Buiten enkele genieën die met hun eerste boek een werk van wereldformaat afleveren (en dat zijn écht de uitzonderingen), doe je er lang over om te leren schrijven. Ik leer elke dag bij, vooral omdat de Nederlandse taal nog veel geheimen voor me heeft.

Meestal denk ik enkele weken na over de achtergronden van het boek, en lees ik wat om me in de juiste sfeer te brengen. Vooral dat is belangrijk. Schrijf ik een bepaald boek, dan lees ik alleen ‘dat soort’ boeken. De jeugdboeken die ik voor Clavis schrijf, zijn eigenlijk klassieke science fiction, en dus bereid ik me daarop voor door goede SF te lezen. Schrijf ik een meer literair boek, dan lees ik in die richting (Paul Auster, bijvoorbeeld, vanwege zijn heldere stijl). Schrijf ik Weird kortverhalen, dan lees ik weer andere schrijvers.

Ik weet ook niet bij voorbaat hoe een boek gaat lopen, en zeker niet hoe het eindigt. Ik plan en plot naargelang ik schrijf. Dat werkt voor mij. Andere schrijvers hebben andere methodes. Of mijn methode werkt, laat ik aan anderen over, maar ik heb mijn deel prijzen en nominaties, dus zal het wel meevallen.

Ik hoop dat ik de ‘juiste vragen’ heb gesteld, ‘niet te vroeg, niet te laat’.  Zoals gezegd in het boek ‘Geen enkel verhaal kent een definitief slot.’  Hoe gaat jouw verhaal verder?  Ben je alweer bezig met een volgend boek?  En wanneer mogen we dat in de boekhandel verwachten? 

Er is geen moment (tenzij ik slaap) waarop ik niet schrijf of over een boek nadenk. Ik had een vervolg gepland op dit boek, maar dat werkte niet, dus hou ik het hierbij. De vraag naar mijn volgende boek(en) kan ik overigens alleen maar in het ‘nu’ beantwoorden, want binnen enkele maanden zijn de plannen al geëvolueerd.

Later in 2020 verschijnt bij Clavis ‘Eeuwig’, een jeugdboek dat zich gedeeltelijk tijdens de tweede wereldoorlog afspeelt en ook de tocht naar het eeuwige leven als thema heeft. Tegen het jaareinde verschijnt het tweede ‘Nomade’ boek: ik schrijf voor Clavis twee SF-reeksen die (hoewel ze zich tweeduizend jaren van elkaar verwijderd afspelen) één verhaal gaan vormen. Het vijfde en zesde boek zijn gepland voor 2021.

Voor een andere Vlaamse uitgever schrijf ik onder een schuilnaam het boek bij de TV-serie ‘Beau Séjour’ (waarvan het tweede seizoen start in januari 2021), en ik ga onder dezelfde naam ook misdaadboeken met een sprookjeselement doen. In 2021 plan ik nog een jeugdboek, gebaseerd op het werk van de Russische SF-schrijvers (en broers) Strugatsky. Tussendoor schrijf ik wat verhalen. Nooit tekort aan plannen.

Bedankt Guido Eekhaut voor jouw uitgebreide en boeiende antwoorden.  Wij van Thrillerlezers! wensen jou nog heel veel schrijfplezier en succes!

maandag 6 juli 2020

Rechter en beul


Titel: Van In Episode 3
Auteur: Pieter Aspe
Uitgeverij: Aspe N.V.
Publicatiedatum: juni 2020
Recensie door: Anita
Waardering: 4 kraaien

Het verhaal staat op zichzelf, maar de lezer die de uitdaging aangaat om de tien delen te lezen, zal als beloning na het lezen van deel 10 de rode draad doorheen de reeks ontdekken.
In een Italiaans klooster worden jonge mannen opgeleid tot gladiatoren. De bedoeling hiervan is: de strijd aangaan met de westerse decadentie en meehelpen de basis te leggen voor een rechtvaardige maatschappij bestuurd door rechtlijnige rechters.

Pieter Van In krijgt een luxereis aangeboden door een man die zich Kodor laat noemen. Op Mykonos volgt de hereniging met een heel oude, doodgewaande vriend. Van In belandt in een duivels experiment. Hij komt in zeer nauwe schoentjes te staan als duidelijk wordt welke rol hij in de loop van de gebeurtenissen krijgt toebedeeld en hij voor een groot moreel dilemma komt te staan. Het verleden lijkt hem te hebben ingehaald.

Het plot wordt goed opgebouwd. Het criminele brein geeft steeds meer prijs over zijn ware bedoelingen en uiteindelijke plannen. Van In heeft er een heuse klus aan om te begrijpen in wat voor een duivels spel hij is aanbeland. De keuze die hij moet maken is er een tussen de pest en de cholera. Na zijn daad is hij lands vijand nummer 1. In eerste instantie schokt het boek door de bloederige folterpraktijken en naar het einde toe krijgt het verhaal vaart en volgt de ene plottwist na de andere.

De ondertussen gepensioneerde Pieter Van In lijkt op zijn leeftijd na, nog geen haar veranderd. Nog steeds heeft hij last van zijn slechte knieën en zijn overgewicht. Hij houdt nog steeds van een goed glas bier, al heeft hij zijn Duvel ondertussen ingeruild voor een verfrissende Omer. Hij kan nog steeds de geneugten van een lekker bourgondisch diner waarderen. Zijn zwartgallige gedachten steken nog steeds de kop op maar worden nu niet meer door Hannelore, maar door zijn nieuwe liefde Rein gekanaliseerd. Hannelore duikt met de regelmaat van de klok op in Van Ins dromen. Oude liefde roest niet. Wat er echt met haar en de kinderen is gebeurd, kan hij zich niet herinneren. Rein Claeys komt ook vrij goed uit de verf en blijkt niet voor Hannelore te moeten onderdoen.

Door de ogen van Van In kijken we naar ons Belgiënland en worden een aantal issues aangekaart: een moeilijk bestuurbaar land, politiek gekonkel in de Wetstraat, verborgen agenda’s van de medewerkers aldaar, racisme, extreem-links en rechts die elkaar bekampen, Molenbeek dat in brand staat …
‘Van In Episode 3’ past weer volledig in de typische ‘Aspe’-stijl. Het boek leest heel vlot, is filmisch geschreven en is gekruid met de typische ‘Aspe’-humor. Het is een boek dat perfect kadert in de maatschappij van vandaag met regelmatig een taalaardigheidje van Aspe. Dat het pokkenvirus zomaar zou kunnen verspreid worden, maakt dat ik me afvraag of Aspe misschien over een voorspellende gave beschikt.

Met heel veel plezier gelezen. 4 kraaien!

vrijdag 8 mei 2020

Van de hemel in de hel van Jo Claes


Titel: Van de hemel in de hel
Auteur: Jo Claes
Uitgeverij: Houtekiet
Publicatiedatum: maart 2020
Recensie door: Anita
Kraaien: 5

Weerloos overgeleverd en verraden



Tijdens een groepsreis in Verona, Italië maakt hoofdinspecteur Thomas Berg kennis met Emmeline en Karin. Leuven en het politiewerk zijn echter nooit ver weg, want wanneer Emmeline doodongerust is omdat ze al sinds dagen er niet in is geslaagd telefonisch contact te hebben met haar echtgenoot, schakelt Berg zijn Leuvens team in om informatie omtrent Dirk Wouters in te winnen.
Terug in Leuven, betekent de vondst in het recyclagepark van Wilsele van een anoniem naakt lichaam gewikkeld in bubbeltjesplastiek het begin van een complex onderzoek.

Onder het genot van een uitstekend wijntje bij een heerlijke spaghetti puttanesca, slurpend van een espresso in stamcafé Gambrinus, te voet langs de Brusselsesteenweg, de Diestsestraat, vechtend tegen een kater na te veel cognac de vorige avond, teleurgesteld na alweer een afwijzing door een vrouw, probeert Berg inzicht te krijgen in de gruwelijke misdaad.

Het boek leest heel vlot. De reis naar Verona is mooi verweven met de gebeurtenissen in Leuven en blijft een rol spelen tot op het einde van het verhaal. ‘Van de hemel in de hel’ steekt ingenieus in elkaar, elk stukje informatie blijkt van belang om de motieven en de psyche van de dader bloot te leggen. Berg wordt wederom heel menselijk en realistisch neergezet, hij staat bekend als een gedreven en gerespecteerd politieman. Hij is veeleisend voor zijn team alsook voor zichzelf, maar weet de geneugten van het leven te waarderen. Zijn relatie met vrouwen blijft ook weer in deze ‘Thomas Berg’ een niet te nemen hindernis. Het maakt hem alleen maar sympathieker. Het verhaal is bij de tijd en realistisch. Ook in Leuven ergert men zich aan het circulatieplan en actuele evenementen zoals ‘Leuven leest’ worden in het boek vereeuwigd.

‘Van de hemel in de hel’ is geen thriller waarin de ene flitsende actie overgaat in de volgende. Thomas Berg is niet de man van de knallende actie. De spanning komt uit een andere hoek. Want slaagt Berg erin de motieven van zijn verdachten te doorgronden, kan hij de nodige bewijzen leveren om de schuldige achter slot en grendel te krijgen? Hij wikt en weegt, checkt en controleert en met hem de lezer. Een moeilijke puzzel die wordt gelegd met vallen en opstaan.

De verwijzingen naar de mythologie en de Bijbel, symboliek, kunst en literatuur zijn de rode draad door het verhaal heen. Dantes Divina Commedia, Shakespeares poëzie, de fresco’s van Giotto in Padua en de film ‘Shakespeare in love’ zetten hem en de lezer op het juiste spoor. Schitterend hoe de mooie foto op de cover van het boek de kern van het verhaal in beeld omzet! Geweldig hoe het citaat uit ‘A Lovers’ Complaint’ (Shakespeare) waarmee het boek begint, helemaal op het einde zijn volle betekenis krijgt in het kader van het verhaal.

Met de laatste fles Amarone meegebracht uit Verona valt het doek over de moordzaak, sluit Berg deze hectische periode uit zijn leven af en geeft hij zijn directeur het nakijken. Een knipoog naar de lezer! Heerlijk hoe die man altijd zichzelf blijft!

Deze veertiende misdaadroman van Jo Claes lost weer alle verwachtingen in. Zonder enige twijfel 5 sterren!