donderdag 23 maart 2017

Bloed op zand - deel 11 (door Bibi Boom)

De prinses maakte geen oogcontact. Haar blik was op de bodem van de bus gericht, de ogen neergeslagen. Kai geneerde zich en keek ook weg, hij wilde haar niet nog verder in verlegenheid brengen. Tot zijn eigen verbazing voelde hij geen pijn, of kwam dat door de adrenaline die door zijn lichaam pompte? Zijn ademhaling zat hoog in zijn borst en zijn hart bonkte in zijn keel. Vluchtig betastte hij zijn armen, zijn benen. Geen bloed, hij was niet gewond. Toen richtte hij zijn blik weer op de prinses en ontmoette die van haar. Ook zij leek niet gewond, althans niet fysiek. Kai scheurde zich los van de smekende reeënogen en keek om zich heen. De kogelgaten wierp een vreemd patroon van lichtstraaltjes de bus in. Nu pas viel het hem op dat alle gaten hoog in de wand zaten, vlak onder het dak van de bus en ruim boven hun hoofden, zelfs als ze nog rechtop hadden gestaan toen er geschoten werd. Waren de ontvoerders zulke slechte schutters of hadden ze nooit de bedoeling gehad hen te doden, maar alleen schrik aan te jagen? Wat overbodig; de prinses en hij hadden geen enkele weerstand geboden en gedwee meegewerkt.

Behalve het schaarse licht van de straatlantaarn, dat door de kogelgaten naar binnenviel, was het aardedonker in de bus. Alleen de grote angstogen van de prinses lichtten op in het duister. Kai voelde om zich heen en merkte dat hij tegen iets aan zat. Iets hard, ruw en hoekigs. Een kist? Zijn hand streek over het deksel, multiplex zo te voelen. Hij zette kracht en lichtte het deksel op, de kist zat niet op slot. Met een piepend geluid klapte het deksel open. Voorzichtig stak hij zijn hand in het zwart van de kist. Zijn vingertoppen stuitten op weerstand. Plastic, stevig plastic. Hij bevoelde het voorwerp en vond iets wat leek op een handvat. Hij tilde het ding op, het was zwaarder dan hij had verwacht. Een jerrycan, een volle. Kai rook eraan, geen bespeurbare benzinegeur. Hij draaide de schroefdop eraf en rook nog eens. Niets. Voorzichtig kantelde hij de jerrycan en liet wat van de inhoud over zijn vingers druppelen. Hij bracht zijn hand eerst naar zijn neus en nam toen voorzichtig een likje. Water, gewoon water, niks bijzonders. Kai richtte zijn aandacht op wat er verder in de kist lag. Zijn handen tastten rond. Nog zo’n jerrycan en iets anders, wat hij even later identificeerde als verpakte mueslirepen en sultana’s. Proviand, voor dagen. Peinzend staarde hij omhoog, naar de kogelgaten in de bovenrand van de bus. In de benauwde ruimte bood het een klein beetje verkoeling en frisse lucht. Luchtgaten. Ineens drong de verschrikkelijke waarheid tot hem door. Dit was hun mondvoorraad, hun overlevingspakket. Deze bus zou de komende tijd hun verblijf zijn. Hun gevangenis. Hoe lang zijn ze van plan ons hier te houden? En met welk doel?
Met een klap liet hij het deksel weer dichtvallen en zeeg ineen tegen de zijwand van de bus. Het lichaam van de prinses verstrakte op het horen van de klap, haar zintuigen nog steeds ingesteld op volle alertheid. Sissend liet zij haar adem ontsnappen toen ze merkte dat er niets aan de hand was. Verwachtingsvol keek ze Kai aan. Hij zweeg en gebaarde haar naast hem te komen zitten. Tot zijn verbazing volgde ze zijn aanwijzing klakkeloos op, haar welzijn lag volledig in zijn handen. Ze schoof tegen hem aan en trok de badjas nog wat strakker om haar lichaam. Elk spoor van waardigheid was als sneeuw voor de zon verdwenen. Nu waren ze gewoon samen bang, als gelijken.
Troostend sloeg Kai een arm om haar heen. Net zoals hij vrijdag nog met Eva had gedaan nadat hij haar had verteld dat hij geen relatie met haar wilde. “Waar denk je aan?” had ze gevraagd, toen ze samen in bed lagen, zij met haar hoofd op zijn schouder, hij naar het plafond starend, piekerend. Hij was er gewoon nog niet klaar voor, had hij gezegd, hij was nog te jong om zich te binden. Dat begreep ze toch wel? Ze begreep het niet. Huilend had ze in zijn armen gelegen. En nu... nu had hij spijt. Dit konden weleens zijn laatste uren zijn en dít was de herinnering waarmee hij haar achterliet. Het gevoel dat ze niet goed genoeg voor hem was. Hij kon zichzelf wel voor zijn kop slaan. Hij had haar helemaal niet goed behandeld, hartenbreker dat hij was. Hij zou haar zo gauw mogelijk opzoeken en het goedmaken, zeggen dat hij wel met haar verder wilde, dat hij spijt had van zijn woorden. Dat ging hij gelijk doen zodra hij hier uitkwam. Als... hij hier uit kwam.
“Waar denk je aan?” Eva’s woorden echoden in zijn hoofd. Ineens besefte hij dat het niet Eva’s stem was die had gesproken. De woorden kwamen van de prinses. Ze rekende op hem, hij moest haar beschermen, maar hij had er niets van terecht gebracht. En erger nog... hij realiseerde zich dat hij een onvoorziene factor was voor de ontvoerders. Het eten en het water in de bus waren bestemd voor de prinses. Voor één slachtoffer, niet voor twee. Kai was boventallig. Nooit eerder had die term hem zoveel angst ingeboezemd. Wat zouden de ontvoerders met hen van plan zijn? Zouden ze hem alsnog doden om de prinses langer vast te kunnen houden?
“Zou er iemand voor ons komen?”

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen