zaterdag 11 februari 2017

Bloed op zand - deel 6 (door Pjotr Vreeswijk)

‘Wat doen we met die gast?’
‘Houd je bek man,’ siste zijn maat door de stof van zijn bivakmuts.
Ook al hadden de mannen zachtjes gesproken, Kai had de verwarring in hun stemmen gehoord. Kennelijk hoorde hij niet bij het plan. Even overwoog hij zich om te draaien, te kijken. Misschien had hij toch nog een kans, maar de porrende loop van de Kalasjnikov in zijn onderrug weerhield hem hiervan. Kennelijk hadden de mannen de kleine hapering in zijn bewegen gezien.
‘Doorlopen.’
Kai keek naar rechts. Naar dat arme mensje. Ze zag bleek en haar lichtblauwe badjas zat onder het bloed. Hij voelde zich schuldig. Hij had gefaald. De opdracht was zo simpel; bescherm de koninklijke familie. Eén godverdomde taak hadden ze, en zelfs die hadden ze verkloot. Hij had het verkloot. Nederland lag onder vuur en hij had het verschil kunnen maken. Nu zou hij zo dadelijk worden afgeschoten.
Gek genoeg voelde hij er niets bij. Niet voor zichzelf althans. Maar dat oude mensje. God, wat een intens verdriet. Wie waren die klootzakken die dachten dat ze ons land zomaar kapot konden maken? En waarom? Kai voelde de tranen in zijn ogen opwellen. Een mix van woede en intens verdriet.
De loop van het wapen dirigeerde hem hardhandig naar links, langs het huis, naar de achterkant. Die terroristen wisten dondersgoed waar ze mee bezig waren. Sukkels had ie ze genoemd, Mo. Als je even googelt zie je meteen dat je hier wezen moet voor het beste effect. Ik zeg je, ze hebben ze binnen 5 minuten te pakken. Oh, wat hadden ze het mis gehad. Wie waren hier nou de sukkels? Hij dacht aan z’n maat. Waarschijnlijk lag hij nu dood in de bungalow. Misschien was hij wel beter af. Hij had in ieder geval wat gedaan. Straks, als dit voorbij zou zijn, zou zijn naam vol eerbied worden genoemd. Maar hijzelf … laffe hond! Hij had z’n geweer laten vallen en zijn armen bibberend omhoog gestoken toen de man met de indringende ogen hem onder schot nam.

Achter op de parkeerplaats stond het zwarte busje met z’n deuren wagenwijd open. Twee gemaskerde mannen met automatische wapens in hun handen hielden ernaast de wacht. Ze leken alles in de nabije omgeving haarscherp in de gaten te houden.
Kai keek naar rechts. Iets wat daar lag trok zijn aandacht. Hij zou het beeld nooit meer van zijn netvlies krijgen. Jay, en Lisa, beiden nog geen twintig jaar oud, aan flarden geschoten. Mensen met wie hij vanmorgen nog aan de koffie had gezeten, met wie hij had gelachen en aan wie hij kletspraatjes had verkondigd. Daar lagen ze, hun uniformen besmeurd, hun dode ogen opengesperd. Kai had nog nooit een lijk gezien. Ja, tijdens de opleiding, toen ze het mortuarium hadden bezocht. Maar dit … zo onwerkelijk, zo echt dat het bijna weer nep leek. Er lag nog iemand. Hij lag op zijn buik met beide armen vooruit gestoken. Zijn gezicht kon hij niet zien. Maar Kai hoefde zijn gezicht ook niet te zien om te weten wie daar lag. Mijn god … Oh mijn GOD. Ze hadden het gedaan. De klootzakken hadden het echt gedaan. Kai wilde in elkaar storten, neervallen en in het niets verdwijnen. Maar hij deed het niet. In plaats daarvan rechtte hij zijn rug en stak zijn borst vooruit. Nu moest hij er zijn voor haar. Zijn eigen angst zou hij overboord zetten. Hij zou alsnog doen wat nodig was. Hij zou haar beschermen.

Met een doffe dreun sloegen de deuren van de bus dicht. Het werd pikdonker. Naast zich hoorde hij haar zachtjes huilen.


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen