zaterdag 21 januari 2017

Bloed op zand - deel 3 (door Ika Gerritsen)

Hij stonk. 
Hij kon zichzelf ruiken. Alledaags zweet van deze belachelijk hete septemberdag, vermengd met angstzweet, geproduceerd vanaf het moment dat het onheil Het Loo had bereikt.
Eerst de berichten vanuit Scheveningen. De gezinnen, de kinderen op het strand. Dat zoiets eens ging gebeuren, dat was voor Kai niet onvermijdelijk; daar was hij tijdens zijn opleiding elke dag weer op voorbereid. Hij was geschokt, verdrietig en woedend toen hij het hoorde, maar hij had bij zichzelf ook enige opluchting bespeurd. Scheveningen was ver weg van Apeldoorn, had hij niet kunnen nalaten om te denken. Wat hij dan weer verschrikkelijk laf van zichzelf vond. Alhoewel, zijn zorg was het welzijn van het prinselijk echtpaar. De prinses en de prins, hier in Huis het Loo, en niets anders.
Mocht hij soms niet opgelucht zijn, dat zij nog ongedeerd waren?

Hij had de prinses horen huilen. Het kostte hem moeite om zijn pokerface in stand te houden.
Hoe ze er nu aan toe was wist hij niet. Ze zat nu al een half uur met de prins in de kelder. Zodra de portofoon begon te sputteren, waren ze naar beneden afgedaald. Jay en Lisa stonden nu bij het luik geposteerd. Hijzelf stond met Mo bij de voordeur van het huis. Ze hadden goed zicht op het Paleis, op de zwaailichten, op de oprijlaan. Maar ze wisten niet wat er binnen gaande was. Niet sinds de portofoons niet meer werkten. De telefoonlijnen dood waren. Er zelfs op WhatsAppjes naar collega’s niet meer werd gereageerd.
Vandaar dus zijn angstzweet. Hij rook het, en hij voelde het uit zijn poriën lopen terwijl hij zich afvroeg wanneer de terroristen erachter zouden komen. Dat het Paleis slechts een museum was. Dat het prinselijk echtpaar niet daar woonde, in de protserig ingerichte paleiskamers, maar hier, in deze lelijke bungalow, in de tuin van het paleis.
‘Het zijn sukkels,’ zei Mo, misschien wel om zichzelf gerust te stellen. ‘Als je even googelt zie je meteen dat je hier wezen moet voor het beste effect. Ik zeg je, ze hebben ze binnen 5 minuten te pakken.’
Kai slikte. Hield Mo z’n mond maar eens een tijdje. Hij was op de een of andere manier bang dat ze hem konden horen praten, dwars door het geluid van de sirenes heen. Gelukkig hadden ze alle lichten in de bungalow gedoofd. Niets mocht nu de aandacht trekken. Kwam er maar versterking. Waarom duurde dat eigenlijk zo lang? Ze waren maar met z’n vijven, veel te weinig in geval van een aanval.
Maar iedereen was waarschijnlijk in het paleis. Daar waren de terroristen immers naar binnen gegaan, niet hier. Dáár zijn mensen nodig, niet hier. Kai herhaalde het een paar keer in zichzelf, als een mantra, die desondanks weinig gerust stelde.

Ineens barstte het los. Schoten, geschreeuw. ‘Allahoe akbar,’ kon hij duidelijk onderscheiden.
Het kwam van achter hen. Het kwam vanuit het huis!
Mo en hij keken elkaar een seconde aan.
Dat gedoe in het paleis, het was blijkbaar alleen maar een afleidingsmanoeuvre!
‘Jij blijft hier!’ schreeuwde Mo hem toe, zijn stem strak van de spanning. ‘Laat er niemand in of uit!’
In een seconde was hij vertrokken. Naar binnen.
Kai voelde tranen branden, maar hij zette zijn tanden op elkaar. Nu komt het erop aan, dacht hij, terwijl hij luisterde naar het vuurgevecht, dat binnen nog verder aanzwol. Hier was hij voor getraind, dit was zijn taak, zijn enige taak.
Hij dacht aan zijn oom Aiden. Zijn arme, eenzame oom Aiden. Die had een aanval als deze vorig jaar overleefd. Een aanval uit volledig andere hoek weliswaar, maar toch: een terroristische aanval.
Dan moest hem ook lukken. Dat moest!
Ineens stopte het schieten. Het schreeuwen. Ineens was het binnen volledig stil.
Kai dacht aan wegrennen. Maar hij deed het niet. Hij keek afwisselend door het raampje in de voordeur naar de donkere gang binnen, en naar het grasveld dat tussen het huis en het paleis ligt. Hield zijn Colt C7 in de aanslag, om het geweer elk moment te kunnen gebruiken.
Intussen putte hij kracht uit het verhaal van zijn oom. Al had Aiden het moeilijk gehad, hij leefde nog steeds. En dus ging hij het vandaag ook overleven. Hoe, daar moest hij nog even over nadenken.

Ineens was er beweging in de gang.
Kai draaide zich om en richtte zijn Colt op het raam, maar toen zag hij de prinses. De oude dame, trillend van angst en ontzetting, die door twee met bomgordels getooide kerels vooruit werd gesleept.
Al zou hij het willen; hij kon niet schieten. De gordels zouden ontploffen, de prinses zou het niet overleven.
Maar hij dan, hij zelf?
Hij stond als aan de grond genageld voor het huis. Toen klonk een geluid tegen het raam. De loop van een AK-47 werd op hem gericht.
De voordeur ging open. Hij kon niet meer vluchten. Dit was het einde.
‘Laat die gast leven,’ schreeuwde de ene terrorist in onvervalst Amsterdams naar de andere. ‘We nemen hem ook mee.’
Kai voelde hoe de loop van het geweer nu tegen zijn slaap werd gezet.

En hoe hij langzaam begon te lopen, samen met de prinses.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen