Posts tonen met het label marjawest. Alle posts tonen
Posts tonen met het label marjawest. Alle posts tonen

dinsdag 31 januari 2017

Marja in Malmö

In een wereld waarin iedereen over Trump schrijft wil ik het hebben over Malmö. Geen leider van formaat, maar een middelgrote havenstad aan de andere kant van Kopenhagen.

Terwijl ik dit schrijf zit ik in een hotelkamer in Malmö. Volgens de wand met celebrities in de gang moet zelfs Paul McCartney hier een nacht hebben doorgebracht en aan de inrichting van de kamers te zien is er sindsdien weinig veranderd. Ik heb sommigen verteld dat ik hier ben om een Scandinavische thriller te schrijven, maar eigenlijk ben ik onderweg naar Stockholm om kennis te maken met de mensen op het hoofdkantoor van Storytel én het ABBA-museum te bezoeken.

Vanavond at ik een van de beste vegetarische burgers ooit in een Zweeds steakhouse waar twee wijn duurder bleek te zijn dan mijn burger. Het was het waard, maar als schrijver zul je het hier toch vooral van sterke koffie moeten hebben vrees ik, wil het leven betaalbaar blijven.

De reis begon in Nederland, deze ochtend (het is zondag). Het zal niet bij iedereen bekend zijn dat ik in Staphorst woon. Deze boodschap doet weleens mensen flauwvallen, vooral op de grachtengordel wordt men wiebelig als ik vertel waar mijn huis staat. In Staphorst zijn de mensen op zondag erg rustig. Vermijd de Gemeenteweg waar het kerkminnend volk overheen stiefelt op weg naar de dienst, en je kunt rustig met je Peugeot 106, zo’n rijdende jas die je aantrekt, richting Duitsland gaan. Maar daar begint de pret. 110 gaat prima in een 106’je, 120 ook nog wel, mits het asfalt niet over Hitlers betonplaten is gestort, maar bij 130 schud je uit elkaar alsof je in een verkeerd afgestelde kermisattractie zit. Dus reed ik zo’n keurige 110 over Der Autobahn. Dat vinden BMW rijders niet leuk, die komen van verre met een netevaart (nee, dit is geen Nederlands woord) aanrijden en proberen jou al knipperend van de weg af te dwingen. Dan zit je bij mij aan het verkeerde adres. Ik neem dan fiks gas terug en keutel rustig door op de linkerbaan terwijl José Feliciano door mijn luidsprekers schalt, zoals vandaag.

Eenmaal in Denemarken werd het rijgedrag beter en terwijl ik over de brug naar Malmö reed begreep ik dat zo’n Scandinavische thriller zich het beste laat schrijven na een ritje in een Peugeot 106 over de Duitse autobahn.

Over twee weken ga ik schriftelijk een Duitse BMW-rijder vermoorden in Smalland…




zondag 15 januari 2017

Rummikub, kort verhaal door Marja West

Rummikub

‘Je moet een joker vervangen, je mag hem niet losmaken uit het spel.’ Vanonder twee fanatiek vertrokken wenkbrauwen werd ik aangekeken door Harry, mijn buurman.
Die regel kende ik niet. Nu kende ik geen enkele Rummikubregel; een gebrek aan kennis die ik decennialang met trots had gedragen. Maar op 31 december 2016 om dertien minuten over negen werd ik wijzer gemaakt dan ik wilde. We waren halverwege de vijfde partij toen ik dus plots gekend werd in het bestaan van deze regel.
‘Kijk.’
Alsof ik om een uitleg had gevraagd.
‘Hij ligt voor een tien en alleen daarvoor mag je hem inruilen. Je kunt niet aan het begin van de rij iets toevoegen om dan de joker weg te pakken.’
Ooit speelde ik jarenlang verplicht patience op zondagmiddag, met mijn schoonmoeder. Telkens als ik dreigde te winnen, wijzigde zij de spelregels. De allerlaatste partij verloor ze. Inmiddels is ze overleden. Een nostalgisch gevoel kroop omhoog. Het was zestien minuten over negen en er stonden nog acht stenen op mijn plankje. Ik ging aan de slag met de setjes die op tafel lagen.
‘Je moet wel onthouden hoe alles lag, voor als het niet lukt.’ Harry’s duim veegde poedersuiker uit zijn mondhoek.
De houtkachel knetterde.
Het was achttien minuten over negen.
Voor mij stond een schaal koud geworden oliebollen van bedenkelijke kwaliteit. De poedersuiker had zich tot een glazuurlaag ontwikkeld en onder de bollen vormde zich een plasje vet van dezelfde kleur als het eikenhouten dressoir dat de woonkamer domineerde. Stoïcijns ging ik verder met spelen.
‘Weet je zeker dat je iets kwijt kunt?’
Spuit elf naast mij ging zich er ook mee bemoeien. Harry noemt haar Hondje, ik meestal Buuv en zij stelt zich doorgaans voor als: Tien. Tiny is zo ouderwets, vond Tien.
Ik knikte. ‘Vast.’
Na drie minuten stond er nog één steen op mijn plankje. Nog voordat ik goed en wel een tweede blik op de tafel had kunnen werpen om te zien of ik ook die nog ergens aan kon schuiven, legde Harry triomfantelijk zijn laatste neer.
‘Uit.’ Zijn wenkbrauwen ontspanden zich. Genoegzaam klemde hij twee handen om de tafelrand en kantelde vervolgens zijn stoel op twee poten. ‘Nog een potje?’
Voordat ik antwoord kon geven draaide Buuv de Rummikubsteentjes om. Harry greep een koude bol van de schaal. Als hij hem door de kamer zou keilen, kostte het ongetwijfeld een van zijn dubbele ramen, maar Harry gooide hem niet door de kamer, hij stak hem tussen zijn tanden en begon luid smakkend te kauwen op de taaie massa terwijl hij zei: ‘Gezellig hè.’
De klok sloeg half tien.
Met kordate hand schoof Buuv veertien steentjes mijn richting op. Terwijl ik ze lijdzaam op het plankje plaatste vroeg ze: ‘Koffie? Of liever wat sterkers?’
Ik ging maar voor het laatste. Dat zou de scherpe randjes van de avond afvijlen.
Waarom zat ik hier eigenlijk te Rummikuppen? Afgelopen week beklaagde ik mijzelf nog. Oudejaarsavond moest een mens niet alléén hoeven doorbrengen. Het was fout gegaan toen ik hardop begon te klagen tegen Buuv en nu zat ik dus hier een liefdadigheidsproject te zijn; normaal kwamen wij niet verder dan “Goedemiddag, lekker weertje hè”, maar vanavond had ik asiel gekregen, omdat het de laatste avond van 2016 was.
Harry schroefde de dop van een fles rode wijn, terwijl Buuv pinda’s in een bakje liet glijden. “Dat haalt het zure uit de wijn”, zei Kees van Kooten ooit, als ik het goed onthouden heb. Er werd een vol glas mijn richting opgeschoven.
‘Nou, proost dan maar.’ Harry hief het zijne omhoog en nam een stevige slok die gevolgd werd door een fikse hand pinda’s. Dat beloofde niet veel goeds.
‘Ik doe de hele avond met zo’n glas,’ zei Buuv terwijl ze die van haar tegen de mijne tikte. ‘Het is de overgang, hè.’ Ik kreeg een vette knipoog. Stilletjes bad ik dat het bij deze informatie zou blijven.
Het was zes over halftien.
Harry mocht beginnen want Harry had gewonnen.
We gingen tot de vijfhonderd, hadden ze gezegd.

Een mens kan niet zo eenzaam zijn dat drieënhalf uur Rummikub met de buren beter is dan oudejaarsavond in je eentje uitzitten voor de televisie. Tegen tienen ontstond er dan ook een plan in mijn hoofd. De punten die ik op mijn plankje overhield gingen naar de winnaar. Zo waren de spelregels, volgens Harry. 
Zuchtend staarde ik naar de achtendertig stenen die mijn plank én de tafel daarvoor vulden.
‘Kun je nu nog niet uit?’ Buuvs stem klonk argwanend.
Om haar gunstig te stemmen pakte ik zo’n tennisbalbol van de schaal en nam er een hap van. ‘Lekker!’ Ik hoopte dat mijn stem overtuigend genoeg klonk. ‘Jij bent, Harry.’
Het was elf minuten over tien.
Het probleem van steentjes vasthouden is dat uiteindelijk het hele spel blokkeert en dat dreigde te gebeuren. Schouderophalend pakte Harry een nieuwe steen.
‘Ik kan niks,’ zei hij nog ten overvloede.
Ook Tien greep een nieuwe van de stapel en nét wilde ik dan toch maar wat op tafel leggen om in ieder geval “de loop” erin te houden toen Buuv haar nek strekte zodat ze op mijn plankje kon kijken. Met een snelle beweging griste ze zo’n zesentwintig steentjes er vanaf en legde die op tafel.
‘Zo,’ haar stem klonk triomfantelijk. ‘Het is de wijn zeker?’ Haar hand bleef rusten op mijn arm.
Ik knikte braaf.
Harry schoof wat met de setjes die op tafel lagen en riep vervolgens: ‘Uit!’
‘Ze heeft nog maar eenendertig punten over, Har,’ riep Tien te luid. De man zat recht tegenover haar aan tafel. ‘Het is maar goed dat ik je heb geholpen, anders had hij er zo een paar honderd punten bijgekregen met die drie jokers die jij op dat plankje had staan.’
Nou, inderdaad! Fijn Tien!
‘Wijntje?’
Nog voor ik kon antwoorden stroomde het rode vocht mijn glas al in. Harry schonk voor zichzelf eveneens een bel vol terwijl Tien opnieuw de steentjes keerde.
De klok sloeg half elf.

Er zijn van die momenten waarop je achteraf beseft dat je op een kruispunt in je leven stond. Toen mijn nu ex-echtgenoot zichzelf plots hele avonden in zijn kantoor opsloot en ik op een dag meende zijn harde schrijf aan een grondig onderzoek te moeten onderwerpen; dat was zo’n kruispunt. Inmiddels is hij verloofd met de Thaise die hij op Tinder had leren kennen. Of die keer dat Sandra van mijn werk voor de zoveelste keer aan mij refereerde als ‘haar collegaatje’. Beide keren was ik er met een waarschuwing vanaf gekomen “wegens verzachtende omstandigheden”. Crime passionnel, noemen de Fransen het. Dat vind ik veel zachter klinken, bijna weemoedig.
‘Wel blijven opletten,’  hoorde ik Harry bulderen die net de houtkachel had bijgevuld met voorraad vanbuiten. De sneeuw had hij er in de woonkamer af staan schudden, waardoor er een plasje op hun plavuizen lag.
Pas toen viel het mij op dat Buuv haar stoel dichter bij mij had geschoven zodat ze permanent mee kon gluren op mijn plankje. Ik wierp een blik op de stenen en pakte toen een nieuwe van de stapel.
‘Ga je weer verzamelen, meid,’ zei Harry terwijl hij twee setjes op tafel legde om daarna in zijn handen te wrijven terwijl hij ‘Zo, dat heeft Harry weer mooi geflikt,’ zei.
Tien kwam half overeind en begon omstandig haar eigen plank te legen. Harry greep de laatste oliebol van de schaal. Een treurig plasje oude olie bleef liggen, er dreven wat klonters suiker in.
‘Zal ik er nog een paar warm maken?’ Buuv stond direct op, alsof de vraag retorische bedoeld was.
‘Nou?’ Harry keek mij verwachtingsvol aan terwijl hij met zijn hoofd naar mijn plankje knikte.
Met tegenzin legde ik wat neer. Niet te veel. Voldoende om uit te mogen komen, voldoende om het spel niet dood te leggen en voldoende om Buuv tevreden te houden. Maar vooral voldoende om Harry met sneltreinvaart naar de vijfhonderd punten te duwen. Misschien konden we daarna nog even naar Claudia de Breijs oudejaarsconference kijken.
Buuv stond in de keuken te schutteren met oliebollen. Voorzichtig duwde ik haar stoel met mijn voet een beetje weg.
‘Kijk.’ Blij schoof Harry een vierde dertien tegen het rijtje dat ik zojuist had uitgelegd.
Het was negen minuten voor elf.
De magnetron zei “ping” en Buuv schoof met een warm bord bollen weer aan tafel. Haar Harry griste er onmiddellijk eentje van de schaal af en zette zijn tanden erin. Terwijl hij omstandig kauwde vielen er stukjes oliebol tussen zijn lippen vandaan. Ik schoof mijn plankje zo opzij dat Buuv niet meer kon meekijken tenzij ze opstond en aan mijn andere kant ging staan.
Toen het mijn beurt was, pakte ik gedachteloos een steentje van de stapel dichte steentjes en legde die al even gedachteloos voor mijn volle plankje op tafel.
‘Ja, kijk, dat geloof ik nou dus niet,’ begon Buuv.
Ze trok mijn plankje naar zich toe. De stenen vielen eraf. Met vlugge vingers legde ze opnieuw mijn verzameling op tafel. Haar in een legging gestoken been drukte ze tegen het mijne.
‘Nou jij weer, Har,’ zei Buuv terwijl ze mijn plankje met slechts vijf resterende Rummikubstenen weer voor mijn neus plaatste.
De klok sloeg elf uur.
‘Uit,’ zei Harry.
Opnieuw werden de stenen gekeerd en mijn hersenen maakten kortsluiting. Op dat moment had ik van alles kunnen doen. Ik had op kunnen staan, een hoofdpijn kunnen veinzen of desnoods een opvlieger, om maar eens bij Tiens problemen aan te sluiten. Maar ik deed niets.
‘Gezellig zo, toch?’  vroeg Harry. ‘Beter dan alleen thuiszitten!’ Onder de tafel kroop zijn voet langs mijn kuit omhoog. Even dacht ik dat het stel een kat had totdat ik beneden mij Harry’s geruite sok richting mijn kruis zag gaan. Geschrokken schoof ik met mijn stoel achteruit.
‘O, is het weer zover?’ zei Tien. ‘Ophouden, Har. Niet iedereen is daarvan gediend. Wij zijn swingers moet je weten.’ Dat laatste was voor mij bedoeld en precies het soort informatie dat ik niet wilde krijgen en eerlijk gezegd, ik kon mij er ook geen voorstelling van maken. Harry’s in geruite sokken gestoken voeten met daarboven zijn melkwitte behaarde benen waren net zo sexy als de teckel van de andere buren en Tien d’r legging riep allerlei gedachten in mij op, maar geen daarvan had ook maar iets erotisch.
‘Hier.’
Veertien omgekeerde steentjes werden mijn richting opgeschoven. Zonder het te vragen schonk Harry mijn glas nog een keer vol.
‘Even dollen kan toch geen kwaad,’ zei hij met een knipoog.
Wat deed ik hier?
Het was zestien minuten over elf.
Kakelend zetten mijn buren hun steentjes weer op de plank, lethargisch keek ik naar de mijne. Ze zouden toch niet serieus tot twaalven willen Rummikuppen?
Ongevraagd plaatste Buuv onze plankjes tegen elkaar, alsof we verkering hadden. ‘Ik kijk wel met je mee.’ Dat was haar enige opmerking erover.
‘Nog honderdtachtig puntjes en dan is ome Harry klaar!’ Handenwrijvend  keek hij mij aan.
Dat moet toch in één partij te doen zijn, dacht ik. Dan lig ik nog voor twaalven tussen de warme dekens.
‘En krijg nou tieten!’ Harry legde onmiddellijk twee setjes neer. ‘Ik zit hier heel alleen kerstfeest te vieren…’ Zong hij luidkeels.
‘Wij spelen samen,’ zei Buuv tegen me terwijl ze van alles neerlegde.
Het was twee minuten voor half twaalf en ineens was ik er klaar mee. Niets in mijn lijf was bereid 2017 te starten na een avond Rummikuppen met Harry en Tien. Abrupt stond ik op.
‘Ik moet frisse lucht hebben.’ Rap beende ik de kamer uit. Dan maar een burenruzie, maar ik ging naar huis. Eenmaal buiten constateerde ik dat mijn jas nog aan de kapstok hing, met de huissleutel in de binnenzak. Zuchtend keerde ik me om en botste tegen Harry aan die me achterna was gekomen. Hij duwde twee blokken besneeuwd hout in mijn handen.
‘Help eens even.’ Zelf bukte hij om nog meer van de stapel te pakken en ik staarde in de gleuf tussen zijn billen waaruit licht krullende, bruine haartjes tevoorschijn kwamen. De buitenverlichting van “Har” en “Tien” loog er niet om. Terwijl Harry zijn armen vulde, ontwaarde ik onder de overkapping een kettingzaag.
‘Hup, naar binnen.’
Mijn buurman gaf me een zacht knietje tegen mijn billen, zonder morren volgde ik zijn orders. Waarom eigenlijk?
De klok op de schoorsteenmantel sloeg half twaalf. In de verte hoorde ik vuurwerk knallen. Er hing kruitdamp in de lucht.
Eenmaal binnen leegde ik mijn handen, net als Harry die onmiddellijk de kachel vulde met de nieuwe voorraad. Buuv had alle steentjes alweer klaarliggen en verdeeld in drie keer veertien en een stapeltje om vanaf te pakken als je niets kon uitleggen.
‘Harry gaat winnen!’ zei Harry en hij legde een rijtje van vier op tafel.
Waarom sprak die man constant in de derde persoon enkelvoud over zichzelf?
‘Ik stop ermee,’ zei ik.
‘Net nu Harry op winst staat? Dat dacht ik niet. Kom op Tien, jij bent.’ Ook Buuv legde uit.
Ik kwam overeind.
‘Zitten.’ Tien trok me aan mijn onderarm de stoel weer in. ’Hij heeft gelijk, het is niet netjes om halverwege een spelletje weg te lopen. Kun je uit?’
Voor mij zag ik geen plankje met Rummikubsteentjes staan. Nee, voor mij zag ik een kettingzaag met een laagje sneeuw erop liggen. Achter in een overmatig verlichte tuin. In de verte hoorde ik vuurwerkgeknal aanzwellen en ik stond op.
‘Maar ik moet even naar de wc,’ zei ik rustig.
‘Ja, dat moet je zelf doen.’ Buuv schoof mijn plankje wat meer in haar zicht en ging aan de slag.
Terwijl ik de wc passeerde en naar buiten liep, bad ik dat drie-en-een-half-uur verplicht Rummikuppen ook verzachtende omstandigheden zouden zijn voor het Openbaar Ministerie.
Over drieëntwintig minuten was het 2017.


zondag 1 januari 2017

Marja West: columnist en verhalenmaker

En toen werd ik op oudejaarsdag digitaal lief aangekeken door Ink Kroon: of ik scherpzinnige columns zou willen schrijven. Ik schrijf nooit columns, laat staan scherpzinnige columns, maar ik ben bereid om alles in het leven een keer te proberen, dus ook dit.

Voor een scherpzinnige column heb je natuurlijk een onderwerp nodig. Voor iedere column trouwens, anders wordt het al snel een saaie verhandeling over een onderwerp als “de spijsvertering van uw hond”.
Op 1 januari ligt het voor de hand om iets over oud en nieuw op papier te zetten. Wellicht verontwaardigingsverslaafd, hét woord van 2017; dan weten jullie dat maar vast, te steigeren over vuurwerkmisbruik of agressie jegens hulpverleners. Maar ik heb de verontwaardiging ingeruild voor verwondering. Prettig zweverig en het levert meer inspiratie op dan woede.

Ik voel mij geen thrillerschrijver en snap ook niet hoe het stempel “thriller” op mijn omslagen terecht is gekomen. Soms vermoed ik dat het een fout van de drukker is geweest. Toch heeft 2016 mij op de valreep geleerd dat ik een donkere kant heb.

Met enige verwondering bracht ik de afgelopen oudejaarsavond door, althans, zo begon het. Tegen zessen togen manlief en ik met dampende schalen naar de buren, drie hutten verderop. Even een stapje terug; ik woon dus in een chalet. Geen chaletje, dat klinkt namelijk alsof een vakantiewoning van 250 vierkante meter grondoppervlakte wordt gebagatelliseerd door een aan champagne nippende Gooise op een Larens terrasje, pumpje achteloos bungelend aan de teen. Nee: een chalet.  Wij begonnen de avond met een heerlijke, zelfbereide maaltijd, kaarsje aan, Top 2000 op. Maar daarna ging het mis, met mij dan.
Oudejaarsavond 2016 heb ik namelijk drieënhalf uur zitten rummikuppen. Een dodelijke vorm van tijdverdrijf waarin ik mij zó graag verontwaardigd wilde voelen dat ik bijna bereid was vandaag deze hele column over het populisme binnen de politiek en het argumenteren middels stemverheffing, te schrijven. Uiterst saaie onderwerpen die al zo uitgekauwd zijn, dat verder kauwen onsmakelijk wordt.

Over rummikuppen kan ik een thriller schrijven, van rummikuppen krijg ik namelijk moordneigingen. Niet eens gericht, dan zou er nog een zeker begrip kunnen zijn voor mijn daden, maar willekeurig. Na drieënhalf uur rummikuppen ben ik bereid met een kettingzaag door het bos te struinen en niet om openhaardhout te oogsten. Na drieënhalf uur rummikuppen voel ik de onstuitbare behoefte dingen te doen die onherroepelijk tot verontwaardiging op social media zullen leiden, en terecht.

Volgend jaar ga ik oud en nieuw vieren in een trendy hotel in willekeurig welke buitenlandse stad, het liefst op een plek waar ik zonder kippenvel een nieuwjaarsduik kan nemen, zodat ik mij weer helemaal mens kan voelen.

Nu ga ik een kort verhaal schrijven over een vrouw die verplicht drieënhalf uur heeft zitten rummikuppen, over veertien dagen mag Ink dat op deze site publiceren. Dat zal mijn eerste echte thriller worden, vermoed ik.


Marja West


Uitgeteld (Ambo|Anthos 2015), Echte barkeepers heten Henk (Ambo|Anthos 2016), schrijfster van twee Storytel originals (publicatie 2017) en De laatste zomer van Wouter Bolhuis.


Wanwisa...een kort verhaal door Marja West


Met een opgerold vloerkleed onder haar arm staat Karin te liften bij de Amsterdam Arena. In dat kleed zit Wanwisa. 

Gisteren werkte Wanwisa nog in de bediening bij restaurant Kinkao Thai, maar morgenavond gaat ze niet naar haar baas. Tegen zevenen zullen haar collega’s zeggen: 'Wanwisa is laat vandaag', waarna een zouteloze barmedewerkster mompelt dat dat niet de eerste keer is. Misschien vindt Wendy van de afwas het wel ‘typisch Thais’, zoals prawn spring rolls ook typisch Thais zijn. Na een uurtje of wat beginnen de eerste onrustige gevoelens op te borrelen bij de medewerkers van Kinkao Thai, van onder uit de maag. Daar kan geen Thais voedsel tegenop, tegen dat soort opborrelingen. Prawn spring rolls bezorgen de gemiddelde Nederlander misschien het zuur, maar van angst komt de complete maaginhoud omhoog, het wordt een vulkaan die op uitbarsten staat: etensresten, het laatste glas chardonnay waarmee de zaak is weggespoeld; alles wordt er uitgeperst. 'Wie belt haar even,' zegt Wendy van de afwas uiteindelijk terwijl ze een stukje halfverteerde spring roll wegslikt, want dit is niets voor Wanwisa. De zaak stroomt al vol gasten, ze kan niet gemist worden, Wanwisa is een harde werkster. Uiteraard heeft een van de collega’s haar onder de knop staan, niet allemaal, over Thaise meisjes wordt veel gezegd maar Wanwisa is serveerster, zij heeft een net beroep en wil niet geassocieerd worden met wat er doorgaans over Thaise meisjes wordt gezegd, dus heeft ze ook niet iedereen haar nummer gegeven. Misschien is het de kok die haar onder de W in zijn adresboek opzoekt en haar zal proberen te bellen. 'Let jij dan even op het frituurvet,' vraagt hij aan Wendy, 'Als het 180 graden is mogen de prawn spring rolls erin.' Hij zal naar achteren gaan om een stukje de steeg in te lopen waaraan het restaurant grenst. Zo’n steeg waarin overvolle afvalbakken staan met geopende deksels als gapende wonden waaronder plastic zakken liggen die eruit zijn gevallen, gescheurd terwijl ze neerploften op het natte wegdek en aangevreten door straathonden of de kat van de buren. De kok steekt een sigaret op terwijl hij luistert naar de voicemail van Wanwisa, een doodgewone voicemail van een doodgewoon vrolijk meisje. De eerste keer spreekt hij hem nog in, de tweede keer misschien ook, maar bij de derde keer beseft hij dat het onzinnig is om iemands voicemail drie keer in te spreken alleen maar omdat er niet wordt opgenomen. Dat suggereert namelijk een noodgeval, of erger, dat hij met haar uit wil en de kok ambieert geen meisje uit zijn thuisland, over dergelijke meisjes wordt zoveel gezegd, daarvoor is hij niet naar Nederland gekomen. Dus staakt hij zijn pogingen. Misschien tikt hij er nog een sms’je achteraan, maar uiteindelijk keert hij terug naar zijn frituurvet. 'Ze neemt niet op,' zal hij schouderophalend aan de rest van het personeel verklaren. Misschien staat ze wel onder de douche, of is ze opgehouden in het verkeer. Dat kan, denkt hij terwijl hij het frituurnet uitschudt. Alles kan. Maar Wanwisa is niet aan het douchen of opgehouden door het verkeer, nee, Wanwisa ligt in een opgerold vloerkleed en met dat kleed staat Karin, om negentien minuten over elf ’s avonds, te liften bij de Amsterdam Arena. 

Een half jaar daarvoor is Wanwisa vol dromen naar Nederland gevlogen, met Thai Airways. Natuurlijk wist ook Wanwisa wat er over meisjes als zij gezegd werd in Europa. Je hoefde maar door de straten van Bangkok te lopen om de gretige ogen te zien waarmee de blanke Europeaan rondkeek, alsof hij met zijn vakantiegeld door Walmart liep. Maar Wanwisa had een droom en die kon ze niet verwezenlijken in Thailand, Wanwisa wilde namelijk nagelstyliste worden in Santpoort-Noord. 
 In een beduimeld magazine, dat was achtergelaten in een hotelkamer door een toerist die het leven had gelaten na drie slapeloze nachten en een pot Viagra, had Wanwisa een artikel gelezen over het Noord-Hollandse dorp en de klank van de naam beviel haar: Santpoolt-Noold. In haar oren klonk het alsof het een lekker hapje was, een dumpling van oosterse groente en schaaldieren overgoten met zachte gembersaus. In Santpoort-Noord wonen alleen maar nette mensen. Zo oogde het althans op de foto’s, want uit de tekst werd ze niet wijs: al die rare letters daar was voor haar geen touw aan vast te knopen. Maar op die foto’s stond een lief straatje met winkels en een enkel restaurantje, en vooral zonder hoeren, kwam daar in Bangkok tegenwoordig nog maar eens om! Dus draaide ze maandenlang dubbele diensten in het Pathumwan Princess Hotel om een vliegticket naar Nederland te kunnen bekostigen. 
Wanwisa ging de avonden werken bij restaurant Kinkao Thai in Amsterdam, overdag volgde ze een cursus Nederlands tweede taal als voortraject voor haar opleiding tot nagelstyliste. Inmiddels stond ze in Santpoort-Noord ingeschreven voor een zit-keuken-slaapkamer-woning met optie op een garagebox achter de flat waarin Wanwisa haar eigen praktijk wilde vestigen. Zelf zou zij zich nooit van de straat laten oppikken, er waren betere manieren om een toekomstige echtgenoot te ontmoeten. 

Het is onvoorstelbaar hoeveel privédetails mensen via een chatbox met vreemden delen. Geschreven woord heeft iets magisch, als het op schrift is vastgelegd moet het wel de waarheid zijn. Als het dan ook nog eens op internet staat is het een voldongen feit. Een man die op Tinder beweert de liefde van zijn leven te willen vinden wordt serieuzer genomen dan wanneer hij hetzelfde zou hebben gezegd in café Bolle Jan. Daar zou hij zijn uitgelachen, beschimpt, het had hem hooguit een vers getapte pils opgeleverd. 'Ja, ja,' zouden zijn vrienden daarna hebben gezegd, 'en daarom ga je aan de bar hangen boven een biertje, omdat je een vrouw zoekt. Welke cup moet ze hebben?' Maar op internet ligt alles digitaal vast. Peter wil een vrouw, c'est ça. Niemand stelt vragen, er zijn geen bedenkingen. 'Het staat er toch,' zal iedereen zeggen. Dat Peter al een vrouw had, was hij op Tinder vergeten te melden. Er wordt immers vaak genoeg gewaarschuwd niet te veel details van jezelf te geven, het internet is per slot van rekening een erg openbaar medium, dus Peter heeft hard nagedacht over wat hij beter nog maar even onder de pet kon houden. Karin is een van de details die hij liever in latere instantie noemt, een beetje tussen neus en lippen door na een hete nacht, net zoals zijn leeftijd en zijn haarinplant. Een kale kop mag dan getuigen van veel testosteron, op zo’n fotootje komt het niet over, dus heeft Peter een kiekje gescoord van zijn beste vriend, nog genomen in hun studententijd. Toen al keken vrouwen meer naar die beste vriend met zijn bos blonde krullen dan naar Peter wiens haarlijn op zijn 21ste al verder naar achteren was komen te liggen dan de Vinex-wijk van Utrecht. Die beste vriend woont tegenwoordig in Bangkok met een bloedmooie Thaise en twee zeer goed gelukte halfbloedjes van kinderen, jongens met donkere krullen. Van zijn eigen zoon controleert Peter dagelijks de haarlijn. Volgend jaar stroomt het joch door naar de brugklas en nu al staat voor zijn vader vast dat geen meisje zich over twintig jaar op een reünie nog zal herinneren wie Merlijn de Jong was. 

De avond waarop Karin eerst een oud Perzisch tapijt op de achterbank van haar Alfa had gelegd, dat ze de volgende dag naar de stort wilde rijden om vervolgens naar een workshop plantenhangers haken te gaan, had Peter Wanwisa op het internet voorbij zien komen, een prachtige Thaise met dromerige zwarte ogen en haar tot op haar kont en daar viel hij op. Sinds ze moeder was geworden had zijn Karin een pittig kort kapsel en soms was ze ook zijn moeder. Je kunt een kind alleen iets leren als je zelf het goede voorbeeld geeft, was haar devies, dus liep ze de godganselijke dag te zaniken over vuile onderbroeken in de hoek van de slaapkamer of een mes vol pindakaas op de linkerhelft van het aanrecht. Er waren tijden dat ze die onderbroeken sexy vond, nu bekeek Karin de zaak van een andere kant, een meer praktische kant. Vuil goed hoort in de wasmand, vuile messen in de vaatwasser. Alles heeft zo zijn plek. Maar Wanwisa zocht een echtgenoot, een man om een bestaan mee op te bouwen, om twee, misschien wel drie kinderen mee te krijgen en oud te worden in Santpoort-Noord. ’s Avonds zou Peter thuiskomen en haar prawn spring rolls op tafel zien uitdampen, haar praktijkje zou slechts bijzaak zijn, iets om de lege uren op te vullen waarin de kinderen op school zaten terwijl het huishouden al gedaan was. Peter had niets met Santpoort- Noord maar daar zouden ze wel uitkomen. Twee jaar in dat oord en Wanwisa wilde gillend terug naar Bangkok, samen met hem. Niemand wil in Santpoort-Noord wonen. 

Als Peter een doorgewinterde ICT’er was geweest dan had hij zijn internethistorie deugdelijk gewist, maar Peter was visverkoper op de boulevard van Zandvoort met een lichte voorkeur voor het Holiday Inn Express Hotel, een voorkeur waar Karin hem nog nooit over gehoord had, maar waarover ze las in het moeizame chatgesprek dat Peter met Wanwisa had gevoerd op Tinder. Hij bezat een eigen frituur met uitzicht op zee waarin hij dagelijks kilo’s kabeljauw het vet in liet glijden. De saus kneep hij uit een fles. In Thailand eet men niets anders dan gefrituurde vis, dus daar zou hij echt wel aan de bak komen, moet hij geredeneerd hebben terwijl hij de site van Bangkok real estate doorzocht. Er zat inmiddels een flinke overwaarde op de woning dankzij Karins inkomen, daarmee kon hij voor zichzelf en Wanwisa een vrijstaand optrekje kopen vlak buiten Bangkok, de huizen daar kosten geen drol. Karin is wel ICT’er, bovendien ze bezit een gezonde dosis argwaan als het om haar echtgenoot gaat. Wijkende haarlijn of niet, Peter voelde zich nog steeds achttien en keek te graag naar leeftijdsgenootjes. De avond na de haakworkshop, waarin Karin vier plantendragers had vervaardigd om Kaapse viooltjes in op te hangen, omzeilde ze Peters beveiliging. Zijn bureaublad werd gevuld met Wanwisa’s ogen. 

Nu had ze twee keuzes, dacht Karin. Eigenlijk heeft ieder mens een ontelbaar aantal keuzes met een al even ontelbaar aantal uitkomsten, maar Karin dacht op dat moment binair, in eentjes en nulletjes, in twee keuzes. Dat ze al die eentjes en nulletjes ook samen had kunnen voegen om tot een andere uitkomst te komen kwam na het zien van Wanwisa’s zwoele blik op Peters scherm niet in haar op. Wat Karin betreft werd het 1 of 0 oftewel, echtgenoot kwijt of niet. Vòòr de eerste slok zoete witte wijn, met ijs, want zo dronk ze het graag, had Karin vage visioenen gehad die uiteenliepen van een goed gesprek tot hooglopende ruzie. Maar hoe houd je in godsnaam een goed gesprek met een ongeletterde Thaise die Santpoort-Noord als het paradijs op aarde beschouwt, dacht ze na haar tweede glas. Tijdens het derde glas had ze een eurekamoment bij het idee om Wanwisa een ticket en een som geld aan te bieden, maar waarom zou zij financieel moeten opdraaien voor Peters midlifecrisis, schoot het door haar heen toen ze de vierde inschonk? De vijfde witte wijn bracht haar een vaag idee over Roundup, maar volgens Monsanto veroorzaakte dat helemaal geen kanker en bovendien, wachten totdat Wanwisa aan kanker zou gaan duurde Karin bij het zesde glas al veel te lang. Het zevende leidde tot een kort onderzoekje in de kelder. Peter was nogal obsessief als het ging om verstopte zwanenhalzen en ze vroeg zich af wat onder de toonbank aangeschafte caustic soda door een spring roll in een thais lijfje kon aanrichten. Maar bij glas nummer acht en negen realiseerde Karin zich, dat de drie korrels die ze uit het busje had geschud en welke nu naast de tweede lege fles wijn lagen onvoldoende zouden zijn om echt schade aan te richten. Daar kwam bij, ze kon op het internet nergens achterhalen wat gefrituurde caustic soda voor uitwerking had en die Thai aten niet anders dan gefrituurd, als ze Peters chats mocht geloven. Het tiende glas bracht haar helemaal niets, behalve dat het woord “gefrituurd” bleef rondzoemen in haar hoofd als een stationair draaiende scooter. Bij het elfde glas gleden haar gedachten richting de frituur van haar echtgenoot, want ja, als die Thai alles frituurden... Maar ook dat idee liet ze al snel varen, Peters viskraam was niet groot genoeg om er comfortabel een Thaise in te verwerken tot spring rolls. Een twaalfde glas zat niet meer in de fles. Nu was dat niet zo erg, Karin was er toch klaar mee, al dat nadenken loste niets op. Ze trok het grootste mes uit het blok en stapte in haar auto. Terwijl ze door het stoplicht reed zag ze in het snijvlak het rode licht reflecteren. Peters professie had zo zijn voordelen, dacht ze nog, het staal was pas geslepen. 

Bij het Holiday Inn Express Hotel, om de hoek van de Amsterdam Arena, parkeerde Karin haar Alfa Romeo. Op de achterbank zag ze het Perzische tapijt liggen dat ze de volgende dag had willen afvoeren, het stonk een beetje naar Peter, naar gefrituurde kabeljauw met uitjes en saus. Na een dag werken in Zandvoort stoeide hij altijd met de hond op dat tapijt terwijl zij de aardappels afgoot. Maar de hond was vijf weken geleden overleden en nu wilde ze het vieze ding uit haar woonkamer hebben omdat het naar vis stonk. In wezen gold dat ook voor Peter, dat hij naar vis stonk, maar van hem kon ze nog geen afscheid nemen. Niet zolang de hypotheek op beider naam stond en de laatste termijn van het eigen huis voordeelkrediet nog niet was betaald, want in dat geval zou zij namelijk voor alles opdraaien; Peters viskraam bracht nauwelijks meer dan een bijstandsuitkering op. Maar als de zaak was afgelost trapte ze hem er subiet uit, dan kon hij wat haar betreft in Bangkok achter zijn viskraam gaan liggen slapen met een Wanwisa of wie dan ook. Tot die tijd bleef Peter netjes meebetalen, precies de helft, zoals was vastgelegd bij de notaris toen ze het huis kochten. De rekening voor zijn onderhoud dekte tegen die tijd de overwaarde van de woning wel, waar Peter nu zo graag een optrekje van wilde kopen in Thailand, de financiën hield Karin nauwkeurig bij. Een echt plan had ze die avond niet, anders dan met dat mes glimlachend voorbij de hotelreceptie lopen. 

De receptie heeft Karin nooit gezien, want terwijl ze haar Alfa Romeo afsloot parkeerde Peter zijn Fiat Punto achter haar. Misschien had hij eerst zijn kraam aan Wanwisa getoond om haar ervan te overtuigen dat hij een vast inkomen heeft, of zijn ze een stukje gaan toeren om nader kennis te maken, wie zal het zeggen. In ieder geval wilden ze in het Holidy Inn Express een hapje gaan eten en waarschijnlijk nog wel wat meer want het hotel stond bepaald niet bekend om haar fantastische keuken. Peter herkende zijn Karin niet onmiddellijk. Om te beginnen verwachtte hij haar niet voor het Holiday Inn Express te zien en mensen varen nu eenmaal op verwachtingen, maar ook wankelde ze stomdronken rond met een vlijmscherp mes, bepaald geen pose die Peter bij zijn plantendrager hakende echtgenote met pittig kort kapsel verwachtte. 'Blijf maar even hier zitten,' hoorde Karin hem nog tegen Wanwisa zeggen terwijl hij aan de andere kant uitstapte. Dat had hij beter niet kunnen doen. Het mes gleed door de linkerborst van de Thaise als door een zacht pakje roomboter terwijl Peter schreeuwde: 'Wat doe je nou trut?' 
De beveiliging van het hotel stond ondertussen een sigaretje te roken voor de draaideur. Op Peters geschreeuw keek een van hen kort naar de overkant. 'Weer zo’n stel dat al jaren geleden uit elkaar had moeten gaan,' zal zijn collega wellicht hebben gezegd waarna hij hem een vuurtje aanbood. Met ruziënde stellen kon je je als bewaker maar beter niet bemoeien, wist hij uit eigen ervaring. 'Gewoon doen of je gek bent, Lena, zou mijn moeder hebben geadviseerd,' zei hij waarna het gegrinnik van de bewaking wegstierf in de koele avondlucht. 
Ondertussen had Peter het mes ontfrutselt en er uit onmacht Karins brandnieuwe all season banden mee bewerkt. Daarna had hij Wanwisa uit zijn auto gesleept. Ze stierf op het voetpad, uit het zicht van de rokende bewaking, uit het zicht van iedereen. Peter was er vandoor gegaan in zijn Punto. Op Tinder stonden honderden Wanwisa’s. In de paar uurtjes die hij vanavond met het meisje had rondgetuft had hij zich niet aan haar gehecht. Karin zocht het er maar mee uit. Met een beetje mazzel sliep ze de komende jaren in de vrouwengevangenis van Nieuwersluis, misschien kon er zelfs een TBS’je aan worden vastgeknoopt. 'Ze deed wel vaker raar, edelachtbare, maar ja, het blijft toch je vrouw. Hoewel, die keer dat ze de buurvrouw dreigde om te leggen met een palenrammer omdat ze bi-bi-que’en had gezegd (mijn Karin heeft een hekel aan afkortingen) vond ik haar wel wat ver gaan. Maar goed, als de drank in de vrouw is...' 

Het voorval had Karin op slag ontnuchterd. Geschrokken had ze naar Wanwisa gekeken die als een halfvolle vuilniszak voor haar voeten lag terwijl ze in de verte de rochelende motor van de Punto hoorde. Het leek bijna nog een kind, die Thaise, maar ja, je weet wat ze over Thaise meisjes zeggen, dacht Karin en rolde haar in het Perzische tapijt. Even later stond ze bij de Amsterdam Arena met haar duim omhoog. 

Uiteindelijk stopte er een politieauto. Of het haar bekend was dat liften gevaarlijk is. 'Ik heb een Perzisch tapijt gekocht, via Marktplaats, maar ik mag er de tram niet mee in,' antwoordde Karin. 'Ik moet naar Santpoort-Noord.' Sinds de overheid als speerpunt heeft dat de politie toenadering tot het publiek moet zoeken om het blauw op straat tenminste de glans van veiligheid te geven zijn agenten behulpzamer dan de gidsen van de scouting. De agente zonder snor opende de kofferbak en hielp Karin gemoedelijk om de rol erin te krijgen. 
Gelukkig zijn Thaise meisjes niet zo zwaar. 

Morgen zal iemand de afwezigheid van Wanwisa melden bij het politiebureau. Wellicht haar werkgever of misschien een collega waar ze af en toe wat mee gaat drinken en die inmiddels haar beste vriendin is, bij gebrek aan beter. In ieder geval niemand van haar familie, want die wonen allemaal in Thailand. De politie zal eerst opperen dat ze is teruggegaan naar haar thuisland of met een vriendje in de auto is vertrokken naar Spanje voor een strandvakantie in Lloret de Mar. De werkgever, of de collega/vriendin, zal tegenstribbelen. Zo is Wanwisa helemaal niet, die is nog nooit zonder aankondiging van haar werk weggebleven. De dienstdoende agent is sceptisch, hij weet wat ze van Thaise meisjes zeggen en profilering hoort nu eenmaal bij het vak. Wat hem betreft zit Wanwisa met een manager van 50 plus uit het middenkader in een morsig hotelletje aan de Middellandse Zee. De politie heeft het veel te druk om zich over een meerderjarige meisje te bekommeren die zonder achterlating van een bericht naar een van de Costa’s is vertrokken met haar sugardaddy. Zojuist kwam er een melding binnen van bureau Warmoesstraat, een personenauto is de gracht in gereden. De zaak is acuut. Het gaat om een gezin van vier dat ligt te dobberen in de Achterzijds Voorburgwal. Links-rechts passeren agenten de werkgever, of de collega/vriendin, de laatste mompelt een ongemeend excuus en iets over volgende week terugkomen. De dame achter de balie haalt haar schouders op, ook zij kan verder niet van dienst zijn. 'Komt u maar liever over twee weken terug,' zal ze voorstellen. 'Niemand gaat voor een week met de auto naar Spanje, dat is gekkenwerk.' Uit eigen ervaring weet ze dat het een kolere eind rijden is. Teleurgesteld gaat de werkgever, of de collega/vriendin, weg en terecht, want Wanwisa zit niet aan de Spaanse kust te nippen van een tequilla, nee, Wanwisa ligt in een opgerold vloerkleed, dat Karin zes jaar geleden tweedehands aanschafte op de Beverwijkse Zwarte Markt, in een container achter een flat in Santpoort-Noord. Zo’n Perzisch kleed met een label eraan dat vervaardiging ervan in Bangkok meldt. 
Is Wanwisa toch nog een beetje thuis.


donderdag 14 april 2016

In de brievenbus de nieuwe van Marja West

Bij sommige boeken kijk je echt uit tot hij in de gang ploft en dat is dus met Echte barkeepers heten Henk van Marja West. Haar vorige boek Uitgeteld heb ik veel mensen aangeraden, omdat ik er echt van genoten had. Nu snel eens starten in Henk.

Marja West schreef met Echte barkeepers heten Henk een unieke en spannende satire over je leven leuker liegen via social media, de zoektocht naar erkenning en je ontworstelen aan een opgelegde rol in het leven. Als de weinig succesvolle Paul na een bomaanslag wordt geïdentificeerd als de steenrijke Vincent de Heer besluit hij de vergissing in stand te houden. Hij raakt echter compleet verstrikt in zijn gelogen leven.

Marja West schreef eerder Uitgeteld, dat vergeleken werd met Roald Dahl en mooie recensies kreeg. NRC Handelsblad noemde Uitgeteld een debuut dat naar meer smaakt en vond het vlot en geestig. Ook Echte barkeepers heten Henk is weer zeer origineel en met gevoel voor humor geschreven.