vrijdag 27 januari 2017

Bloed op zand - deel 4 (door Isa Maron)

‘Wat weten jullie?’ Aiden hield zijn handen om het koele glas van het bierflesje. Hij was in zijn stoel gaan zitten en had zich naar Charles en Ivette gekeerd. Vreemd, hoe je aan oude gewoontes vasthield ook als die nergens toe dienden. Zonden ze elkaar blikken toe? Wat vertelden ze elkaar met hun gebaren?
‘Lobatsky is dit jaar vijf keer in Nederland geweest.’ Charles liet een stilte vallen. ‘Vakantie, zo leek het aan de buitenkant.’
Aiden knikte. Aan de buitenkant leek het altijd ergens op, meestal op iets dat heel ver van de waarheid lag.
‘Scheveningen?’ vroeg Aiden.
‘Scheveningen,’ bevestigde Ivette. ‘Zandvoort, Rijksmuseum, Efteling.’
‘Efteling?’ Ondanks dat hij zich doorgaans nergens over verbaasde kon hij zich niets voorstellen bij de sluwe en emotieloze Lobatsky in een kinderpretpark. Papier hier. Dank u wel.
‘Keukenhof,’ vulde Charles aan. ‘En nog een paar van die toeristische trekpleisters.’
Aiden vroeg zich af of Charles veranderd was. Meer grijs, dat kon niet anders. Meer rimpels. Meer verdriet in zijn ogen wellicht, zoals zovelen van hen dat hadden, diep van binnen en onzichtbaar voor de buitenwereld, maar in een flits van een seconde herkenbaar voor zielsverwanten.
‘Rondom het Rijksmuseum,’ zei Charles, ‘hebben we onze grote vriend dit jaar drie keer gesignaleerd.’
‘Wat de eerste keer een gewoon bezoek leek,’ vulde Aiden ongevraagd aan, ‘had de tweede, en vooral de derde keer meer weg van het doen van onderzoek.’
Hij voelde hoe Ivette Charles aankeek. Hij had die blik van ‘hoe weet hij dat?’ vaak genoeg gezien om zich dat te herinneren. Hij zou willen dat het niet meer nodig was. Dat zijn kennis niet meer nodig was. Dat al die ellende… al die kinderen op het strand… al die wanhopige mensen… dat dat nooit meer zou gebeuren. Matthias. Hij had geen ogen nodig om zijn zoon te zien. De zoon die nooit meer zou veranderen, die voor eeuwig bleef wie hij toen was. Strijder. Gespierd. Kaalgeschoren. Met een alles overstijgende nonchalante grijns.
‘De laatste keer dat hij in Nederland was, hebben we veel activiteit waargenomen,’ begon Ivette te vertellen. ‘Veel beweging. Veel afspraken. Veel afspraken op één dag ook.’ Ze vertelde over de plaatsen die Lobatsky bezocht, de restaurants, coffeeshops en theehuizen, moskeeën en kerken, scholen en stichtingen.
‘Het meest opvallend,’ besloot de jonge vrouw, ‘is dat hij…’ Ze schraapte haar keel en liet een stilte vallen.
Wat kon er nou zo erg zijn dat zij het niet over haar lippen kon krijgen? Bedachtzaam bracht Aiden het bierflesje naar zijn mond en nam een grote slok. De hitte in huis was ineens overweldigend, verstikkend, het leek alsof hij gevangen zat in een kleine, veel te kleine ruimte, in de bloedhitte, zonder licht, zonder lucht, zonder een vriendelijke ziel in de buurt.
Dagen had hij zo gezeten. Hij hield zijn geest in bedwang met herhalen van de feiten. De briefing van de actie. De deelnemers. De middelen. De doelstellingen. Wat er precies gebeurde, op welk tijdstip, tot het moment dat ze overweldigd werden. En toen die feiten zijn neus uitkwamen nam hij zijn toevlucht tot sprookjes. Hans en Grietje. Repelsteeltje. De schone slaapster. De kikker en de prinses. Blauwbaard.
Alles, maar dan ook alles deed hij om weg te blijven van de gedachten die hem vermorzelden, die zijn ziel verscheurden, die zijn lichaam deden verkrampen omdat hij iets moest doen. Opspringen, om zich heen slaan, rennen, sloten openbreken, zijn kind redden en weggaan.
‘Het meest opvallend,’ herhaalde Charles met zachte stem.
Aiden zette zich schrap.
‘Is dat Lobatsky het graf van Matthias heeft bezocht.’


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen