zaterdag 3 maart 2018

Het klagend lijk deel 7

Ze had het al vaker overwogen maar niet gedurfd. Wat als hij kwaad zou worden en haar zou ontslaan? Ze kon het geld niet missen. Bovendien was het een goedbetaalde baan en het was nog maar de vraag of ze het elders beter kon krijgen. Zou hun werkrelatie niet verstoord worden, konden ze nog wel samenwerken als ze de relatie zou beëindigen?
Ze moest toegeven dat ze zich in het begin gevleid had gevoeld. Een leuk avontuurtje maar het was uit de hand gelopen. Het was helemaal niets voor haar om zich met getrouwde mannen op te houden. Waar ze er eerst nog de spanning van in zag, benauwde het haar nu. Ze was niet alleen een domme blonde snol die alleen maar kon typen. Heel onschuldig was het begonnen. Het was te serieus geworden, in elk geval voor haar. Vreselijk naïef om te denken dat hij zijn vrouw wel zou verlaten. Dat het al zover was gekomen dat ze dat graag had gewild, maakte haar een lelijk mens. Ze gruwelde van zichzelf, toch genoot ze elke dag van de extra aandacht. Elke ochtend sloeg hij haar lange haren over haar schouder en kuste haar zachtjes in haar nek. Zijn warme adem bezorgde haar rillingen van genot en door de vele presentjes en bijzondere aandacht voelde ze zich speciaal en gewaardeerd.
Toch was het niet goed wat ze deed. Hij zou zijn vrouw en kinderen nooit verlaten voor haar en een eeuwige stiekeme relatie zag ze niet bepaald zitten. Het was een onmogelijke liefde tussen werkgever en werknemer. Bovendien kreeg ze steeds meer het gevoel dat ze maar een speeltje was. Inmiddels vond ze dat ze wel meer waard was dan dat. Ze had ook recht op een eerlijk gezin.
Gisterenmiddag was haar pijnlijk duidelijk geworden dat ze maar een minnares was. Ze zou met Hein lunchen, toen Els als verrassing langskwam met een picknickmandje. Ze had zijn vrouw naar het kantoor verwezen en de deur beleefd gesloten met een gemaakt beleefde glimlach. De geluiden en het gegiebel die ze daarna had gehoord waren pijnlijk, maar hadden haar wel wakker geschud. Met haar vingers in haar oren was het geluid nog hoorbaar geweest door de dunne muren van het kantoor. Ze was jaloers. Stinkend jaloers, maar daar had ze het recht niet toe.
Els was het kantoor uitgelopen, haar blouse scheef in haar rok gepropt en van het nette kapsel was niet veel overgebleven. Hein had zich daarna bij Stella niet eens verontschuldigd. Niet dat hij haar dat verplicht was. Waarschijnlijk dacht hij dat ze het niet erg zou vinden of dat ze het niet zou hebben gemerkt. Hoe blond dacht hij dat ze was?
Totaal geen zin om een discussie aan te gaan had ze zich op haar werk gestort. Opgelucht dat hij die middag afspraken buiten de deur had.
Thuis had ze haar draai ook niet kunnen vinden. De muren waren op haar afgekomen en ze snakte naar een stevige borrel. In de kast stond nog een restantje rode wijn, maar niet voldoende om een heel glas mee te vullen. Laat staan haar zelf. Ze moest haar zinnen verzetten, afleiding zoeken. Ze voelde enorme behoefte aan mensen om haar heen. Ze had een gemakkelijk zittende spijkerbroek en slobbertrui aangetrokken om een frisse neus te halen. Al wandelend door de stevige wind liep ze langs haar stamkroeg. Ze had de deur geopend en een belletje kondigde haar komst aan. Enkele mannen aan de bar keken op. Ze geglimlachte vriendelijk. De gasten hadden zich alweer volledig geconcentreerd op hun bierglas toen ze haar jas aan de kapstok hing. Aan het einde van de bar was het donker en rustig. Een prima plekje om je verdriet te verdrinken en anderen te observeren. Ze bestelde een wijntje en nam haar telefoontje om met haar vriendin te appen, de enige die wist van haar affaire met Hein. Lisa had er nooit met één woord over gerept tegen anderen. Wel had ze de verhouding afgekeurd, maar er nooit over door lopen zeuren. Het is jouw leven had Lisa gezegd.
Verschillende emoties vlogen voorbij. De zachte muziek en het gesmoes van andere aanwezigen wist ze voortreffelijk te negeren. Dat er iemand naast haar ging zitten ging totaal langs haar heen. Ze zat zo vol zelfmedelijden te verzinken in haar eigen wereldje.
‘Hallo’, klonk het alsof het de vierde keer was dat iemand dit zei.
Stella keek verschrikt op en zag dat Wout naast haar was komen zitten.
Met zijn lachrimpels, vierkante kaaklijn en blonde haardos vond ze hem een prima verschijning. Eigenlijk was ze ook wel blij dat ze gezelschap kreeg.
‘Sorry’, wees ze naar haar mobieltje. ‘Ik was met een vriendin aan het chatten.’
Wout bestelde een pilsje en een wijntje voor Stella.
‘Alleen?’
Stella knikte en borg haar telefoontje op. Ze vertelde hem dat ze een rotdag had gehad en thuis de muren tegen haar hadden geschreeuwd. Daarna stuurde ze het gesprek in een andere richting. Ze had geen zin om erover te praten of er überhaupt nog aan te denken. Hoe kon ze ook iets bespreken wat geheim moest blijven. Wout zou het zeker ook afkeuren. Ze zou hem verjagen en dat was niet wat ze wilde. Het liefst wilde ze huilen, zichzelf tegen hem aanvlijen en horen dat ze niet stom was. Dat hij haar wel begreep, maar dat zou een illusie zijn.
‘Hey, hoe was jouw dag. Nog spannende dingen gebeurd?’
Wout had op zijn beurt geen trek om over het werk te praten. Over de zaak Verwer kon hij niet met haar praten. Beroepsgeheim.
Hij wilde haar beter leren kennen.
Haar achternaam, waar ze woonde, of ze vrijgezel was, dat soort vragen. Zelfs haar lievelingskleur, naam van haar huisdier als ze die al had. Alles vond hij interessant zolang het maar over haar ging.
 ‘Wat vindt je vriend ervan dat je alleen naar de kroeg gaat?’
Stella schoot onmiddellijk in de lach. Zijn tactiek was wel erg doorzichtig.
‘Nee hoor, ik heb geen vaste vriend en jij?’
‘Meerdere.’
‘Vriendin, bedoel ik.’
Stella trok een geplaagd verveeld gezicht, maar was wel blij met een beetje humor. Al snel voelde ze zich op haar gemak. Ze vertelde hoe graag ze ging winkelen, concerten bezocht en een passie voor koken had.
‘OH, wat kook je dan, ik heb namelijk een passie voor lekker eten’, wreef Wout zich smakelijk over zijn maag. In het studentenhuis werd van hem verwacht dat hij af en toe een potje kookte, maar het liefst schoof hij aan. Mits het maar gezond eten was.
‘En je andere hobby’s?’ vroeg Stella.
Wout mocht graag een goede film kijken of rondhangen met vrienden in de sportschool of in de kroeg. Verder had hij het maar te druk met zijn studie.
De kastelein draaide de muziek harder waardoor het gesprek wat moeizamer verliep. De gasten begonnen luider te praten en toen er ook nog eens meezingers werden opgezet, veranderde de stemming in het café in een totale hilariteit. Een kleine kalende man aan de andere kant van de bar nam een microfoon en begon luid “het kleine café aan de haven” mee te lallen tot vermaak van de andere cafégangers. De barman tapte een flink aantal bierglazen en verving de lege glazen op het schap. Rondje van de zaak! schreeuwde hij en dat werd met een luid applaus geaccepteerd. De kale man had de smaak te pakken en zong nog een levenslied. Daarna werd de microfoon doorgegeven. Iedereen was in opperste stemming. Een karaokeboek ging over de bar en verzoekjes werden aangevraagd.
Wout gaf Stella een klein tikje. Ze keek hem aan en zag dat hij knipoogde.
‘Nee, ik kan echt niet zingen hoor!’ riep ze geschrokken.
‘Nou, dat kunnen de meesten niet. Hoor maar!’
Wout wist haar, met al zijn overredingskracht over te halen. Toen ze aan de beurt waren was het Stella die wel het hardst door de microfoon galmde. Het meedeinen van anderen en de enthousiaste reacties, maakten dat ze alle remmen losgooide. Wout vond het geweldig hoe ze zich gaf. 
Wat een heerlijke avond. Precies wat ze even nodig had.
Eenmaal thuis was de glimlach niet van haar gezicht te vegen.

Terugdenkend aan Wout die met haar mee was gelopen. Hij had zijn jas als paraplu boven haar hoofd gehouden. Hoe charmant. Zijn witte blouse was totaal doordrenkt van de regendruppels, waardoor Stella zijn ribbenkast kon zien. De arme jongen had gerild van de kou. Keurig had hij gewacht tot ze de voordeur had geopend.
Ze had hem niet binnen gevraagd. Wat had hij wel niet moeten denken als hij de foto van haar en Hein op het bijzettafeltje had gezien. Erg opruimerig was ze ook niet. Op de stoelen slingerden kledingstukken die niet alleen van haar waren. Zelf vond ze het onbeleefd dat ze hem niet binnen had gelaten maar het was echt beter zo.
De volgende keer zou ze hem uitnodigen voor een drankje, dat had ze hem beloofd.
Wout had nergens naar gevraagd. Door het raam had ze hem in het licht van de straatverlichting terug zien rennen richting het café.



Wout zou vandaag later beginnen. Een bezoek aan de tandarts stond al geruime tijd gepland.
Dams krabde zich achter zijn oren. Het telefoongesprek van de advocaat naar het slachtoffer zat hem niet lekker. Er klopte iets niet. En dan dat beeld. Via Lyla wist hij nu zeker dat het uit de woning van Hennie kwam. Maar die vingerafdrukken! Dat kon hij toch niet bevatten. Een mooie duidelijke duimafdruk aan de linkerkant op de sokkel en enkele vingers aan de rechterkant. Leo had het hem laten zien.
Ze hadden zelfs een match gevonden. Dams was met stomheid geslagen toen Leo de naam van Robert de Witte op tafel had gegooid. Het was lang geleden dat hij die naam had gehoord. Dams had niet eens geweten dat die vent nog leefde. De laatste jaren had hij niets meer van Robert vernomen. Om eerlijk te zijn had hij gedacht dat Robert zijn werkgebied had verplaatst of was bezweken aan zijn overmatige drugsgebruik. Al had het hem nooit zo beziggehouden, nu vroeg hij zich toch af waarom hij al die jaren nooit meer iets had gehoord van die beste man.
Wout kwam het kantoor binnen lopen. Zijn opgezwollen wang en omlaag hangende linker mondhoek werkte Dams op zijn lachspieren.
‘En jij vindt dat ik jou hard aanpak! Ik zou aangifte doen van mishandeling’, bulderde Dams. Wout kon er niet om lachen. Zijn kaak bonkte en hij voelde zich helemaal niet in staat om te werken. Toch wilde hij zich niet ziekmelden, veel te bang iets te moeten missen.
‘Niet piepen jongen, ik zal je wel koffie halen.’
Wout wilde nog reageren, maar Dams was het kantoor al uit gelopen. Met een grote grijns en duimen achter zijn bretel schuifelde hij naar het koffiezetapparaat. Hij keek in het laatje van het kastje onder de machine en vond warempel dat wat hij zocht. Plagend overhandigde hij Wout de beker met een felgekleurd rietje dat er torenhoog bovenuit stak.
Wout gniffelde, wat er hoogstwaarschijnlijk al net zo belachelijk uitzag nu de verdoving nog niet was uitgewerkt.
Dams schoof zijn bureaustoel naar achteren en vouwde zijn handen achter zijn hoofd. Al kauwend op een stuk kauwgom staarde hij naar de jonge vent, die verwoede pogingen deed zonder morsen te drinken.
‘shiernoghieuws?’
Wat!?’ leunde Dams voorover om het beter te kunnen verstaan.
Wout nam een leeg wit memoblaadje en schreef; Is hier nog nieuws?
‘Nee knul. Ik ben aan het denken. Het wordt tijd dat we eens wat personen harder gaan aanpakken. Dit zaakje stinkt.’
Dams draaide zijn snor. Hij wist zeker dat hij iets over het hoofd zag. Dat ze de tuinman niet konden vinden was frustrerend. Hij had ondertussen wel een achternaam gekregen van Lyla en verzocht Wout Marco Looman na te trekken.
‘Zoek ook zoveel mogelijk gegevens van Robert de Witte.’
‘Wie is dat?’, sliste Wout.
Een inbreker, vertelde Dams met een gemene grijns op zijn gezicht. Elke doorgewinterde agent kende Robert namelijk goed. Met zijn ingevallen wangen, vette sluikhaar en eeuwige bruine trainingspak was het eigenlijk maar een watje. Zo’n huilebalk die altijd spijt had van zijn daden, maar zich altijd weer liet pakken. Ja meneer, nee meneer, ik zal het nooit meer doen.
‘Als hij Hennie inderdaad de kop heeft ingeslagen zijn we zo klaar’, lachte Dams.
Wout begreep niet wat er zo komisch aan was, maar Dams beloofde hem dat hij het spoedig zou begrijpen.
Neem wel te tijd om hem te verhoren, had Dams er nog snor draaiend achteraan gezegd.


Het was nu zijn eerste prioriteit om een pijnstiller te vinden. Hij voelde dat de kracht van de verdoving afnam. Op zijn bureau begon de telefoon te rinkelen. Wout gebaarde dat Dams moest opnemen en doorzocht de bureauladen op zoek naar een paracetamolletje. Ondertussen luisterde hij naar het gesprek, maar kon niet verstaan wat er aan de andere kant van de lijn werd gezegd.
‘Huhuh.’
‘Hmmm.’
‘Oke.’
Zo had hij de telefoon ook nog wel kunnen beantwoorden.
Toen Dams had opgehangen trok Wout zijn wenkbrauw vragend omhoog. Dams schoof zijn bureaustoel achteruit en kwam kreunend overeind.
‘Pak je laptop knul. Er is iemand die ons wil spreken.’
‘Wie dan?’
‘Het lijkt erop dat Hennie er binnenkort onder gepolderd kan worden.’
Wout griste zijn notebook van het bureau en liep achter Dams aan naar beneden. Weer lekker onduidelijk die gast, maar hij raakte er al bijna aan gewend.
In de grote ontvangsthal was het druk. De medewerksters aan de balie hadden moeite om de orde te bewaren. Drie medewerksters, de een hevig aan het tikken, de ander probeerde een oudere man aan de balie te verstaan en de derde was de boel aan het sussen. Wat een baan dacht Wout die de mensen in hal nog een keer bekeek.
Op de zwarte lederen bank in de hal zat een keurige man van middelbare leeftijd, alle commotie negerend.
‘Moeten zeker eerst dooien vallen!’ was een kreet die hij opving. ‘Jullie doen ook niets! Mens, ga boeven vangen’, galmde het door het grote vertrek.
Het waren enkele leuzen die hij opving. Hij had respect voor de dames aan de balie die uiterst rustig bleven. Hij had nog nooit eerder zo bewust stilgestaan bij het feit dat de dames het eerste aanspreekpunt waren en vaak alle shit over zich heen kregen.

Dams gooide zijn kin vragend omhoog. De baliemedewerkster knikte met haar voorhoofd richting de bank. Wout klemde zijn laptop nog steviger onder zijn arm en sjokte wat onwennig achter Dams aan.
Wouts ogen gingen opeens open. Hij begreep wat Dams hem al die tijd had willen duidelijk maken. Je moet eerst waarnemen, voordat je kan reageren. Dit had Wout op school nooit kunnen leren. Ervaren, voelen en je eigen weg kiezen. Dat kun je toch niet uit boeken halen? Je hebt met mensen te maken en die reageren anders dan je verwacht, denkt of wilt. Dat was hier bij de receptie wel overduidelijk. Daar is gewoon mensenkennis en empathie voor nodig, geen schoolboek!
Een broekie, een sulletje voelde hij zich. Dat hij als student had gedacht de wijsheid in pacht te hebben. Hoe kon hij in Godsnaam verwachten dat Dams hem als partner zag? Hij was nog maar een leerling en dat was hij. Niks gelijkwaardig, hij had nog veel te leren vanuit de praktijk.
‘Meneer Verwer?’
Totaal in gedachten verzonken schrok de man bij het horen van zijn naam. Hij stond op en gaf de beide heren een stevige handdruk; ‘Johan.’
‘Loopt u maar mee.’
Tussen de mensenmassa door volgde Verwer de rechercheurs de lange gang door naar de verhoorkamers. Dams besloot voorlopig te zwijgen over de aanhouding Arnoud, aangezien het hem nog niet duidelijk was of hij hiervan op de hoogte was.
Verwer hing zijn colbertjasje over de rugleuning van de zitting. Hij stroopte de mouwen van zijn blouse omhoog en nam plaats. Wout installeerde zijn laptop.
Johan Verwer keek door het smerige raam van het kleine ongezellige kamertje naar buiten waar hij enkele dienstauto’s met zwaailicht en sirene de poort uit zag rijden.
‘Allereerst gecondoleerd met het verlies van uw broer’, klonk Dams zakelijk.
'Ik heb begrepen dat mijn broer is vermoord?’
De rechercheurs luisterden aandachtig zonder te antwoorden.
‘Verwonderd mij niets’, sprak Verwer verder. ‘Is het al bekend wie hem heeft omgebracht?’
‘Misschien kunt u ons dat vertellen?’ vroeg Dams.
‘Hoezo ik’, reageerde Verwer nogal nors.
Dams haalde zijn schouders op. Hij vertelde dat het onderzoek nog in volle gang was. Bovendien kon hij niet al te veel zeggen aangezien Johan Verwer familie was, maar ook een potentiele verdachte. Al had hij in dit stadium van het onderzoek niet voldoende om hem als verdachte aan te merken.
De assistente van Heijnink advocatuur had Johan Verwer verzocht contact op te nemen met de politie. Dat was dan ook de enige reden waarom hij hier zat. Tijdens het gesprek werd het de rechercheurs wel duidelijk dat Johan niet van plan was de begrafenis te regelen. Net als zoveel andere mensen die Hennie tegen zich in het harnas had gewerkt was Johan Verwer niet droevig om de dood van zijn broer. Nee, dit einde van zijn leven was niet verwonderlijk, eerder verwacht.
‘Weet u wie Hennie heeft vermoord?’ probeerde Dams voorzichtig.
‘Hoe moet ik dat weten? Ik heb al geen jaren meer contact met mijn broer!’ snauwde Johan lichtelijk geïrriteerd. Hij was zichtbaar gepikeerd.
De ouwe rechercheur haalde zijn schouders op; ‘Kon zijn dat u in de wandelgangen iets had gehoord.’
Johan zuchtte.
‘Het was zomaar een vraag’, wuifde Dams zijn opmerking weg.
‘Is u de laatste tijd niets verdachts opgevallen?’
‘Hoe bedoelt u?’ verschoof Johan op zijn stoel.
‘Gewoon. Personen die zich anders gedroegen bijvoorbeeld.’
‘Ik weet niet wat u bedoelt. En duurt deze ongein nog lang?’
Dams schoof zijn stoel iets naar achteren zodat hij ruimte creëerde om zijn korte benen onder het bureau over elkaar te gooien. Hij leunde achterover in zijn stoel en streek met zijn wijsvinger door zijn gele rokers snor. Voor heel even was het stil.
‘Hoe was Hennie als kind?’ vervolgde Dams na luttele seconden.
‘Moet dat echt? Wat haalt dat uit, die vent is dood. Wat kan het U schelen hoe hij als kind was.’
Dams en Wout reageerden niet. Het bleef even stil. Tot Verwer met een lichte grijns op zijn gezicht vertelde dat zijn broer eigenlijk altijd al een einzelgänger was. Toch was dit niet de meest vervelende periode om over te spreken. Johan Verwer vertelde.
Ze kwamen uit een gewoon doorsnee arbeidersgezin. Hennie was iemand die altijd met zijn neus in de boeken zat. Hij studeerde veel. Moeders trots, wist Johan te vertellen. Al was Hennie bij de buurtkinderen niet bepaald geliefd. Hennie was toen al een kleine etterbal.
‘Toch mocht ik mijn broertje toen wel. In zijn pubertijd kreeg Hennie vele bijbaantjes waar hij een leuk zakcentje mee verdiende. Eerlijk was eerlijk, hij werkte hard voor zijn centen. In de ogen van onze ouders was Hennie dan ook een voortreffelijk voorbeeld voor mij.’
Johan was veel meer een buitenkind geweest. Hij speelde wel op straat en zag het nut van studeren niet zo in. Het stoorde hem wel dat zijn ouders hem vaak verweten niet zo slim te zijn als zijn broertje. Hij moest maar eens voorbeeld nemen aan Hennie in plaats van hele dagen op straat rond te struinen. Dat had er natuurlijk wel aan bijgedragen dat hij met enige wroeging naar zijn broertje keek. Toch had Hennie hem toen nooit iets in de weg gelegd. Wanneer Johan met de kinderen in de buurt speelde en ze zich negatief uitlieten over Hennie, nam hij het altijd op voor zijn broertje. Johan vertelde dat hij een keer een fikse ruzie had gehad met Hennie omdat hij hem geen geld wilde lenen.
Als je wel mocht lenen dan was het altijd met rente.
Hennie was een sluwe. Vrienden van Johan moesten fietsbelasting betalen. Voor het parkeren van hun fietsen voor het huis omdat ze gebruik maakten van hun grond en oprit. Het had vaak voor verhitte discussies gezorgd en later voor gevaarlijke situaties met gestalde fietsen op de openbare weg. Dat was nog maar een van de weinige akkefietjes. Johan kon over zijn broertje wel een boek schrijven. Voor Hennie had het hele leven om geld gedraaid.
Na het huwelijk van Johan hadden de beide broers nog maar sporadisch contact gehad. Ze hadden geen ruzie maar waren elkaar ontgroeid.
Toen vader Verwer enkele jaren geleden overleed, had Johan weer contact gezocht. Johan zou zich bezighouden met het regelen van de begrafenis, rouwadvertentie en het uitzoeken en opzeggen van abonnementen en verzekeringen. Hennie zou zich daarentegen bezighouden met de verkoop van de inboedel en de kleine bungalow, waar vader zijn laatste jaren had doorgebracht. Het was goed misgegaan toen Hennie het geld van de verkoop in eigen zak had gestoken. Johan had er nooit een cent van gezien. Hennie beweerde dat hij het werk ervoor had geleverd en dus ook recht had op dat aandeel van zijn takenpakket. Terwijl Johan het met de schamele negenduizend euro van de spaarrekening mocht doen. Daar moest hij ook nog eens de begrafenis, de kist en de grafsteen van betalen. Het had tot een civiele rechtszaak geleid, die tot op de dag van vandaag nog niet was afgehandeld. Ook een compromis sluiten had er niet in gezeten. De stijfkop.
Wout tikte stevig door. Alles wat Johan vertelde was van belang.
Dams trok aan zijn snor, bromde af en toe een huhhuh om te laten weten dat hij luisterde.
De intonatie in Johans stem veranderde en hij begon steeds vlugger te praten. De erfeniskwestie zat hem duidelijk dwars.
‘Goed, goed’, zei Dams daarom. ‘Ik zie dat het u nog erg hoog zit.’
De empathie droop ervan af. Johan zuchtte opgelucht.
‘Mijn excuses. U kunt nu toch wel begrijpen dat ik de begrafenis niet wil regelen toch?’
Dams knikte.
‘Hij kan gewoon zijn eigen begrafenis betalen en mij mijn deel teruggeven. Het zou mij ook niets verwonderen als hij het allemaal al geregeld heeft. U moet die advocaat maar eens vragen. En anders de huishoudster. Ik denk dat zij alles erft!’
Dams en Wout hadden het al begrepen. Het was overbodig hier nog woorden aan vuil te maken.
‘Als U die advocaat dan toch spreekt, zeg hem dan maar dat hij MIJN geld gewoon op mijn rekening kan storten.’
Johan stond op en trok zijn colbertjasje weer aan. Met zijn regenjas over zijn arm liep hij naar de deur.
‘Als U mij verder niet meer nodig hebt dan verzoek ik U mij naar de uitgang te begeleiden.’
Nodig hadden ze hem niet meer. Hij kon gaan en staan waar hij wilde. Ze hadden hem niet verteld dat zijn zoon was aangehouden. Arnoud was meerderjarig en mocht toch niemand spreken. Waarom die beste man dan lastigvallen.
Ze moesten Arnoud maar eens ophalen, kijken of hij nu wel iets wilde verklaren.


Wout mocht even bedenken hoe ze het tweede verhoor zouden aanpakken zodat Dams zijn nicotinegehalte op peil kon brengen.
‘Stop er toch mee', zei Wout zuchtend. ‘Die stomme sigaret…’
‘Luister eens zoon, ik rook al vanaf mijn zestiende en jij bepaalt niet wat ik moet doen’, snauwde Dams terug.
‘Whow, een gevoelige snaar!’ gooide Wout demonstratief zijn handen in de lucht. Mopperend stiefelde de Ouwe de trap af.
Met dat miezerige weer van vandaag wist Wout wel wat beters te doen dan in de ijskoude buitenlucht te gaan staan. Hij vertikte het om vrijwillig in de stinkende rooklucht van Dams te vertoeven en besloot zichzelf te trakteren op een beker warme chocolademelk en zich alvast voor te bereiden op het verhoor. Verder stonden er nog genoeg vragen open waar ze het antwoord nog niet van wisten. Eigenlijk zoveel, dat hij niet meer wist wat hij het eerst moest aanpakken. Hij was benieuwd of er inderdaad iets van een testament bestond. Bovendien moesten ze de advocaat toch nog vragen naar dat telefoongesprek. Als het aan hem lag zouden ze nu direct naar het advocatenkantoor rijden, al had dat ook nog een andere reden.
Een flinke slok chocolademelk gleed langs zijn slokdarm en verwarmde zijn maag. Hij sloot van genot zijn ogen en bedacht de slagroom erbij en zijn gedachten dwaalden af naar Stella. Als Dams toch eens wist dat ze contact hadden. Nu had hij ook nog eens aanstaande zaterdag met haar afgesproken. Wout probeerde zijn contact met haar goed te praten door tegen zichzelf te zeggen dat hij geen zaken met haar besprak. Natuurlijk wist hij ook wel dat hij iets wilde rechtvaardigen wat eigenlijk echt niet kon. Bovendien was hij haar bij toeval tegengekomen in de kroeg. Hij kon het toch niet helpen dat ze elkaar zakelijk gezien eerder hadden getroffen? Misschien zou ze hem zaterdag vertellen wat haar dwars zat. Ze was een mysterieuze vrouw, maar dat maakte het voor Wout juist zo spannend.
Hij begon toch maar met vragen voor Arnoud op te pennen.
Kabaal vanaf het binnenterrein. Maar om nu daarvoor de gang op te lopen en te gaan kijken? Hij moest zich concentreren op de voorbereiding van het verhoor. Ze zouden Arnoud eens goed aan de tand voelen. Als hij onschuldig is, zoals hij zegt, waarom werkt hij dan niet mee? Wout was amper begonnen een verhoorplan op te stellen toen Dams in de deuropening verscheen.
‘Jij raadt nooit wie ze hebben aangehouden?’
‘Als ik het nooit raad is het misschien wijsheid dat je het mij gaat vertellen?’ draaide Wout zich om.
‘Sjoerd.’
‘Sjoerd wie?’
Dams klakte met zijn tong en liep naar zijn bureau.
‘Die van de huishoudster?’ vroeg Wout.
Dams duim schoot vanachter zijn bretel omhoog alsof Wout een wereldvinding had gedaan. Vragend draaide Wout zijn handpalmen omhoog. Een ordinaire vechtpartij. Sjoerd zou een medeleerling bij de keel hebben gegrepen. Een leerkracht had de jongens uit elkaar gehaald en de politie gebeld.
‘Ik hoorde net buiten dat Sjoerd niet meewilde naar bureau. Hij heeft aardig wat stennis staan trappen. Geen land mee te bezeilen’, voegde Dams er nog aan toe.
Dat was ongetwijfeld het kabaal buiten geweest.
De telefoon rinkelde en Dams nam op.
‘Hij wil ons spreken kerel.’
‘Hoezo?’
Dams trok zijn schouders op en zijn speknek vertoonde een aantal diepe groeven. Het leek de heren niet zo verstandig om op dit moment met Sjoerd te gaan praten.
‘Laat de knul maar eerst afkoelen. Wij gaan niet naar zijn pijpen dansen’, beantwoorde Dams het telefoontje.
Vanmiddag was nog vroeg genoeg om Sjoerd te spreken. Daarna konden ze Arnoud aan een tweede verhoor onderwerpen.
De ochtend ging snel voorbij. Wout had vierkante ogen van het turen op het beeldscherm. Dams kon blijkbaar ook wel een verzetje gebruiken en greep zijn jas. Wout nam zijn dik belegde boterham uit zijn lunchtrommel en slenterde achter Dams aan, die via de viskraam naar het kantoor van Heijnink wilde rijden.
Toen Dams het voertuig voor het kantorencomplex parkeerde, was Wouts hart een slag sneller gaan slaan. Kriebels van verliefdheid of van de zenuwen, maar Dams mocht niets merken. Uiteraard was hij weer eerder boven geweest met zijn slanke atletische lichaam. Dit keer zonder er een wedstrijd van te maken.
‘Wordt tijd dat ze hier een lift gaan bouwen’, hijgde een mopperige zwetende Dams.
In het politiebureau moest Dams ook naar boven, maar het leek hem alsof deze trap veel zwaarder en vermoeiender liep. Bovendien was deze trap langer en elke tree meer was er voor hem één te veel.
Deze keer zouden ze zich niet laten afschepen met beroepsgeheim en zwijgplicht hadden ze vooraf afgesproken. Ze hadden immers te maken met een moord. Hein moest er toch ook belang bij hebben dat de moord op zijn vriend en goede cliënt werd opgelost.
Stella gebaarde de heren plaats te nemen en kondigde hun aanwezigheid aan. Zakelijk en correct. Daarna had ze zich direct weer verdiept in haar werk. Een kleine ongemakkelijke glimlach deed Wout vermoeden dat ze niet lekker in haar vel zat. Haar tikken op de computer was ook luider dan de vorige keer. Misschien kwam het door gebrek aan achtergrondmuziek en was het getik gewoon beter hoorbaar. Toch waren de lange nagels van Stella op het toetsenbord niet bepaald een aangenaam geluid.
Wout kroop naast Dams op de lederen tweezits en staarde naar Stella. De spanning in het vertrek was om te snijden en Stella vermeed elk oogcontact. Wout zag de gigantische wallen onder haar ogen en van make-up was amper sprake. Waarschijnlijk was dit Dams ontgaan, maar voor hem overduidelijk. Hij kon haar er nu onmogelijk naar vragen.
De dikke pufte alsof hij elk moment kon gaan bevallen en depte zijn voorhoofd met een zakdoek. Luttele seconden daarna werd de deur van het kantoor met een krachtige zwaai geopend.
‘Jullie weer!’
Wout deinsde bijna achterover in de lederen bank door de toon waarop die woorden werden gesproken. Ze kwamen dus niet bepaald gelegen.
‘Ja,’ zei Dams triomfantelijk en deed verwoede pogingen om uit de bank omhoog te komen. ‘Wij hebben uw hulp nodig meneer Heijnink.’
Dams wreef met zijn boerenzakdoek de laatste restjes zweet uit zijn nek en kleide zich uiteindelijk omhoog. Doorgezakt en een veel te lage bank, maar Dams was er niet om te klagen over het meubilair.
Dams knikte vriendelijk en stak beleefd zijn hand uit; ‘Fijn dat U even tijd maakt voor ons. Altijd prettig wanneer men bereid is medewerking te verlenen’, schuifelde hij langs Heijnink het kantoor binnen. Daar meende hij natuurlijk geen snars van. Wout had deze kant van Dams nog niet eerder gezien, maar moest inwendig lachen om zijn aanpak. Heijnink wil belangrijk gevonden worden en wordt door Dams op een voetstuk geplaats. Heerlijk. Eerlijk was eerlijk, als Wout het gesprek had mogen voeren hadden ze het kantoor waarschijnlijk niet eens bereikt. Waarschijnlijk zou hij zich in emoties van anderen hebben laten meeslepen. Als Dams dat ook had gedaan, wat hadden ze dan nu geweten? Niets, niks, nada. Dams was de rust zelve.
‘Mijn excuses, het zit even tegen’, verontschuldigde de advocaat zich.
‘Och, begrijpelijk, hebben we allemaal weleens last van, niet Wout?’ knipoogde Dams.
Het werd eindelijk maar een kort gesprekje. Nog geen half uur later zaten de rechercheurs weer in de auto.
‘Dat was een gespannen sfeertje daarbinnen. Wat zeg jij?’
Dat was Wout niet ontgaan. Stella had eruitgezien alsof ze elk moment in huilen kon uitbarsten. Hoe ze naar elkaar keken, het leek hem dat de twee ruzie hadden gehad.
‘Zie je knul, ogen en oren de kost geven.’  Dams gaf Wout een ferme tik op zijn schouderblad. ‘Goed bezig broekie.’
Niet wetende waarom een ruzie tussen Stella en Heijnink van belang was, giste hij naar onenigheid over loonsverhoging of iets dergelijks. Nou ja, zijn zaken ook niet. Hij zou Stella zaterdag wel vragen wat er was voorgevallen. Uiteindelijk had Hein Heijnink meegewerkt en keurig antwoorden gegeven.
De enige die financieel voordeel genoot van het overlijden van Hennie was Lyla. En over het telefonische contact met Hennie op de avond van zijn overlijden, verklaarde Heijnink dat Hennie hem had verteld over de diefstal. Dat was ook tevens de reden geweest dat Heijnink de volgende ochtend naar Verwers woning was gereden. Telefonisch waren ze die avond overeengekomen de vermeende diefstal te bespreken. Misschien was die Lyla toch niet zo lief.
‘Knap hoe je het hebt aangepakt’, complimenteerde Wout de Ouwe.

‘Dat is ervaring jongen,’ wreef hij vol trots met zijn wijsvinger onder zijn neus.
Zonder woorden en met de verwarming hoog, reden ze terug naar het bureau.
Toch zat het Wout niet lekker. De ruzie niet, maar er klopte ook iets niet aan het verhaal. Het had heel logisch geklonken en toch was er iets niet juist. Hij wist alleen niet wat. Dat Stella hem had genegeerd, begreep hij wel. Ze zou zijn gaan huilen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten